Uitspraak · Civiel recht

Rechtbank Overijssel, 13 juli 2021

ECLI:NL:RBOVE:2021:2860Zaaknummer 9114460 \ CV EXPL 21-1495

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
13 juli 2021
Publicatiedatum
16 juli 2021
Zaaknummer
9114460 \ CV EXPL 21-1495
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats
Zwolle
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Verstek. Vordering tot (terug)betaling van een geleende geldsom wordt als onweersproken toegewezen.

4 De beslissing

De kantonrechter

4.1.

veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 712,49, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over een bedrag van € 720,00 vanaf 16 maart 2021 tot 24 juni 2021 en over een bedrag van € 645,00 vanaf 24 juni 2021 tot de dag van volledige betaling;

4.2.

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] begroot op € 596,22;

4.3.

veroordeelt [gedaagde] in de nakosten, begroot op € 62,00;

4.4.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

4.5.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.J.S. Groeneveld - Koekkoek, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 13 juli 2021.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. 1 De procedure
  2. 2 Waar gaat deze zaak over?
  3. 3 Wat vindt de kantonrechter van de zaak?
  4. 4 De beslissing

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Zwolle

Zaaknummer: 9114460 \ CV EXPL 21-1495

Vonnis van 13 juli 2021

in de zaak van

[eiser] ,wonende te [woonplaats],

eisende partij, hierna te noemen [eiser],

gemachtigde: B. Rentrop (Inkassier)

tegen

[gedaagde] ,wonende te [woonplaats],

gedaagde partij, hierna te noemen [gedaagde],

procederend in persoon.

1 De procedure

1.1.

Op 20 april 2021 heeft de kantonrechter in deze zaak een tussenvonnis gewezen en bepaald dat een mondelinge behandeling zou worden gehouden. Op 21 juni 2021 heeft [eiser] een akte met aanvullende producties overgelegd. Op 27 juni 2021 heeft [gedaagde] een pleitnota overgelegd.

1.2.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 28 juni 2021 via Skype. [eiser] en zijn gemachtigde, B. Rentrop van Inkassier, zijn verschenen. [gedaagde] is niet verschenen. Van de mondelinge behandeling is proces-verbaal opgemaakt. De kantonrechter heeft bepaald dat vandaag vonnis zal worden gewezen.

2 Waar gaat deze zaak over?

2.1.

[gedaagde] heeft een aantal keer geld geleend van [eiser]. Deze zaak gaat om het bedrag van € 1.000,00 dat [gedaagde] op 18 januari 2016 van [eiser] heeft geleend. Daarvan heeft [gedaagde] in 2016 € 280,00 aan [eiser] terugbetaald. Het resterende bedrag heeft zij, ondanks sommaties van [eiser], niet terugbetaald. Daarom is [eiser] deze procedure begonnen.

Wat wil [eiser] ?

2.2.

[eiser] wil dat [gedaagde] het restant van het geleende bedrag aan hem terugbetaalt, plus rente en kosten. Op 24 juni 2021 heeft [gedaagde] nog een bedrag van € 75,00 aan [eiser] betaald. Daarom heeft [eiser] ter zitting zijn eis met € 75,00 verminderd. [eiser] vordert nu dat [gedaagde] bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, wordt veroordeeld tot het betalen van een bedrag van € 843,17 (bestaande uit de hoofdsom van € 645,00, de wettelijke rente tot 16 maart 2021 van € 67,49 en de buitengerechtelijke incassokosten van € 130,68), te vermeerderen met de wettelijke rente over een bedrag van € 720,00 vanaf 16 maart 2021 tot de dag van volledige betaling, de proceskosten en de nakosten.

Wat vindt [gedaagde] ?

2.3.

[gedaagde] heeft bij conclusie van antwoord aangevoerd dat zij haar kerstbonus van € 272,00 niet heeft geaccepteerd en niet al haar gewerkte uren (ad € 528,00) heeft laten uitbetalen. Op die manier zou zij [eiser] hebben terugbetaald. In de pleitnota, die [gedaagde] voor de zitting heeft ingediend, heeft zij laten weten haar verweer te willen intrekken.

3 Wat vindt de kantonrechter van de zaak?

3.1.

Nu [gedaagde] niet langer verweer heeft gevoerd en niet bij de mondelinge behandeling is verschenen, komen de stellingen van [eiser] als onbetwist vast te staan. De hoofdsom van € 645,00 zal worden toegewezen, net als de wettelijke rente zoals hierna onder de beslissing vermeld.

3.2.

De vordering tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten zal worden afgewezen. [eiser] heeft op 6 november 2020 een 14-dagenbrief naar [gedaagde] gestuurd. In de brief is echter niet het juiste wettelijke tarief aan buitengerechtelijke kosten vermeld, waardoor deze kosten niet voor vergoeding in aanmerking komen.

3.3.

[gedaagde] wordt in deze procedure grotendeels in het ongelijk gesteld. Zij moet daarom de proceskosten betalen. Deze kosten bestaan uit € 108,22 aan dagvaardingskosten, € 240,00 aan griffierecht dat [eiser] aan de rechtbank heeft betaald en € 248,00 aan salaris voor de gemachtigde van [eiser] (2 punten x tarief € 124,00). Dat is in totaal € 596,22.

3.4.

De nakosten, waarvan [eiser] betaling heeft gevorderd, worden begroot op € 62,00 (½ punt van het liquidatietarief).

4 De beslissing

De kantonrechter

4.1.

veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 712,49, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over een bedrag van € 720,00 vanaf 16 maart 2021 tot 24 juni 2021 en over een bedrag van € 645,00 vanaf 24 juni 2021 tot de dag van volledige betaling;

4.2.

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] begroot op € 596,22;

4.3.

veroordeelt [gedaagde] in de nakosten, begroot op € 62,00;

4.4.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

4.5.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.J.S. Groeneveld - Koekkoek, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 13 juli 2021.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.