Uitspraak · Civiel recht

Rechtbank Oost-Brabant, 28 oktober 2026

ECLI:NL:RBOBR:2026:7520Zaaknummer 406946 / HA ZA 24-474

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
28 oktober 2026
Publicatiedatum
28 oktober 2026
Zaaknummer
406946 / HA ZA 24-474
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig, Tussenuitspraak
Zittingsplaats
's-Hertogenbosch
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Vervolg op vonnis van 20 augustus 2025, ECLI:NL:RBOBR:2025:6439. Onduidelijkheid of tegenstrijdigheid in documenten aanbesteding. Aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid. Akte voor uitlating.

De rechtbank

3.1.

verwijst de zaak naar de rol van 13 januari 2027 voor akte van beide partijen over de aanvulling van rechtsgronden onder 2.9-2.11, waarbij Cure zich ook mag uitlaten over de aanvullende verklaring van de partijdeskundige van VConsyst,

3.2.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. L.S. Frakes en in het openbaar uitgesproken op 28 oktober 2026.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. 1 De procedure
  2. 2 De verdere beoordeling
  3. 3 De beslissing

RECHTBANK Oost-Brabant

Civiel recht

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Zaaknummer: C/01/406946 / HA ZA 24-474

Vonnis van 28 oktober 2026

in de zaak van

GEMEENSCHAPPELIJKE REGELING CURE,

te Eindhoven,

eisende partij in conventie, verwerende partij in reconventie,

hierna te noemen: Cure,

advocaat: mr. M. Franke,

tegen

VCONSYST B.V.,

te Genemuiden,

gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie,

hierna te noemen: VConsyst,

advocaat: mr. M. Russchen.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- tussenvonnis 20 augustus 2025- akte uitlaten van Cure 29 oktober 2025

- akte uitlaten van VConsyst 29 oktober 2025

- nadere conclusie van antwoord van VConsyst 29 oktober 2025- akte en producties van VConsyst partijdeskundigenverhoor 20 maart 2026

- akte uitlaten en producties van Cure partijdeskundigenverhoor 20 maart 2026

- akte eiswijziging en productie van Cure partijdeskundigenverhoor 20 maart 2026- proces-verbaal van het partijdeskundigenverhoor 20 maart 2026

- conclusie en antwoordconclusie Cure 29 april/27 mei 2026

- conclusie (met antw.akte eiswijziging), antwoordconclusie VConsyst 29 april/27 mei 2026.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De verdere beoordeling

2.1.

De rechtbank beoordeelt eerst enkele preliminaire punten.

( i) Cure heeft haar eis in conventie bij de akte van 13 maart 2026 wederom gewijzigd: haar vordering tot ontbinding strekt zich na wijziging naast alle glascontainers ook uit tot nog niet afgenomen overige containers (restafval, zo begrijpt de rechtbank). VConsyst heeft zich hiertegen verzet.

De rechtbank is het eens met Cure. De eiswijzing vóór de mondelinge behandeling van 7 mei 2025 is toegestaan (tussenvonnis, 4.4) en de laatste wijziging ligt in het verlengde daarvan (nu geen herstel en voorschot meer ten aanzien van alle containers, maar ontbinding). De laatste wijziging heeft daarom een beperkte reikwijdte en omvang en is, ook in dit vergevorderde stadium van het geding, niet in strijd met de goede procesorde. VConsyst heeft de gelegenheid gehad zich over de wijziging uit te laten en zij heeft daarvan gebruik gemaakt. De rechtbank ziet in het licht van de beperkte reikwijdte en omvang geen reden voor een nadere gelegenheid daartoe.

Cure vordert – samengevat en na de laatste eiswijziging – dat de rechtbank:

primair:

I. de overeenkomst tussen VConsyst en Cure gedeeltelijk ontbindt – voor wat betreft het deel van de overeenkomst dat ziet op de glascontainers en de eventueel nog af te nemen containers;

II. VConsyst veroordeelt tot betaling aan Cure van een bedrag van € 553.284,60 (incl. btw) aan schadevergoeding, gelijk aan het bedrag van de aanschafwaarde van de afgenomen glascontainers, de onderzoekskosten van € 29.403,00 en de kosten van herstel van € 162.195,16, te vermeerderen met de wettelijke rente;

III. VConsyst veroordeelt tot herstel van de gebrekkige containers, althans nakoming van op haar rustende garantieverplichtingen, binnen 30 dagen na het vonnis, op straffe van een dwangsom;

subsidiair:

I. voor recht verklaart dat VConsyst is tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen jegens Cure uit hoofde van de overeenkomst door het leveren van gebrekkige containers en/of het niet voldoen aan haar garantieverplichtingen;

II. VConsyst veroordeelt tot betaling aan Cure van een bedrag van een voorschot van € 191.598,16 op de schade, te vermeerderen met de wettelijke rente;

III. VConsyst veroordeelt tot betaling aan Cure van een bedrag aan schadevergoeding, op te maken bij staat en te vermeerderen met de wettelijke rente;

IV. VConsyst veroordeelt tot herstel van de gebrekkige containers, althans nakoming van op haar rustende garantieverplichtingen, binnen 30 dagen na het vonnis, op straffe van een dwangsom;

zowel primair als subsidiair: VConsyst veroordeelt tot betaling van buitengerechtelijke kosten van € 2.681,34 en de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.

( ii) Cure verzoekt de rechtbank terug te komen van een eindbeslissing over de afnameverplichting (tussenvonnis, 4.9-4.11). Cure wijst op productie 4 (aanbestedingsleidraad), blz. 23 bovenaan, waar staat dat aan de in de aanbestedingsdocumenten vermelde hoeveelheden en aantallen geen rechten kunnen worden ontleend en dat de aantallen en hoeveelheden slechts indicatief zijn. VConsyst maakt bezwaar en voert verweer.

De rechtbank beoordeelt het verzoek en is het eens met het verweer van VConsyst (de maatstaf onder 4.8 tussenvonnis in aanmerking genomen).

De rechtbank wijst erop dat Cure tot na het tussenvonnis geen duidelijk en kenbaar beroep heeft gedaan op de aangehaalde passage op blz. 23 van de aanbestedingsleidraad. In de dagvaarding staat er niets over. Het is niet de taak van de rechtbank om in de producties te zoeken naar passages die mogelijk van belang kunnen zijn voor standpunten van partijen. Aan het einde van de mondelinge behandeling heeft Cure in algemene bewoordingen opgemerkt dat in de regeling staat dat geen rechten kunnen worden ontleend aan aantallen, maar dat was geen duidelijk en voor de rechtbank en VConsyst kenbaar beroep op de aanbestedingsleidraad.

Daarnaast maakt de aangehaalde passage op blz. 23 bovenaan de beoordeling onder 4.9-4.11 van het tussenvonnis niet anders (de maatstaf onder 4.8 tussenvonnis wederom in aanmerking genomen). Die passage bevat niet meer dan algemene verklaringen over aantallen. Dergelijke algemene verklaringen laten de specifieke afspraken over de containers, zoals omschreven onder 4.9-4.11 van het tussenvonnis, onverlet.

Een betrouwbare overheidsinstantie (in een positie zoals die van Cure) mag niet een bedrijf als VConsyst aan het werk zetten, waarbij VConsyst veel specifieke kosten maakt, en zich vervolgens vrij voelen om bijvoorbeeld (min of meer) helemaal niets af te nemen en om (min of meer) helemaal niets te betalen. Als een betrouwbare overheidsinstantie die vrijheid wil hebben en in wezen een optierecht wil kopen, dan moet de overheid dát met zoveel woorden zeggen en afspreken. Dat is hier – vanzelfsprekend – niet gebeurd. Daar wordt ook geen informatie over gepresenteerd en de passage bovenaan blz. 23 van de aanbestedingsleidraad is daarvoor bij lange na niet genoeg. VConsyst mocht al met al redelijkerwijs, met inachtneming van de maatstaf onder 4.8 van het tussenvonnis, begrijpen dat een schatting van 800-1200 containers aan de orde was. In deze context is verder van belang dat Cure tijdens de mondelinge behandeling (proces-verbaal, blz. 2) in antwoord op een vraag van de rechtbank heeft verklaard: “Het gaat om circa. Er wordt een schatting gegeven.” Deze verklaring is niet te rijmen met het standpunt dat er geen enkele afnameplicht zou zijn.

De rechtbank komt tot de conclusie dat het verzoek van Cure, om terug te komen van de beslissing, ongegrond is.

( iii) VConsyst verzoekt de verklaring van de partijdeskundige van Cure over een mogelijk onjuist uitgevoerde zoutbadbehandeling bij de productie van het staal buiten beschouwing te laten, omdat dit thema niet eerder aan de orde is gekomen dan tijdens de zitting voor verhoor van partijdeskundigen. Cure benadrukt dat haar partijdeskundige in antwoord op de verklaring van de partijdeskundige van VConsyst tijdens het verhoor een mogelijke relevante oorzaak heeft toegelicht en dat het verhoor hiervoor bedoeld is.

De rechtbank is het eens met Cure en vindt dat er hier geen strijd is met de goede procesorde. VConsyst heeft de gelegenheid gehad om vragen te stellen en om te reageren op het thema over de zoutbadbehandeling en zij heeft op dat thema gereageerd. De rechtbank betrekt daarom ook dit onderdeel van de verklaring van de partijdeskundige bij de beoordeling.

( iv) Cure verzoekt de nadere schriftelijke verklaring van de partijdeskundige van VConsyst, die is overgelegd bij de conclusie van 29 april 2026 van VConsyst, buiten beschouwing te laten. Cure meent dat deze verklaring in strijd met de goede procesorde is overgelegd, in dit vergevorderde stadium van de procedure, dat de conclusies na partijdeskundigenverhoor niet zijn bedoeld voor nadere verklaringen van de partijdeskundigen en dat Cure in de vier weken voor antwoordconclusie geen toereikende gelegenheid heeft gehad om in overleg met haar partijdeskundigen te reageren.

De rechtbank vindt deze bezwaren ongegrond en betrekt de verklaring bij de beoordeling. Het klopt in de visie van de rechtbank wel dat de verklaring in weerwil van de instructies van 20 maart 2026 in het geding is gebracht. Cure brengt terecht naar voren dat zij geen goede gelegenheid voor een reactie heeft gehad en dat het, uitzonderingen daargelaten, te laat is om soortgelijke nieuwe informatie in het geding te brengen. Cure heeft terecht opgemerkt dat een reactie kostbaar is omdat haar partijdeskundigen moeten worden ingeschakeld. Dit is een zwaarwegend punt. Echter, de materie is complex en weerbarstig, zo blijkt uit de verklaringen van de partijdeskundigen, en de verklaring is bruikbaar om meer inzicht te krijgen in de materie. Een belangrijk deel van de nieuwe verklaring gaat verder over lijnen die ook al tijdens het verhoor aan de orde zijn gekomen en het is lastig om onderscheid te maken tussen wat al aan de orde was en wat nieuw is. Al met al legt de complexe, weerbarstige materie meer gewicht in de schaal. Alles afwegende is het naar het oordeel van de rechtbank goed om de verklaring toe te staan. Aan Cure wordt de gelegenheid gegeven om nog te reageren op de nadere schriftelijke verklaring van de partijdeskundige van Vconsyst. Hierbij is ook van belang dat een nadere gelegenheid voor uitlating van partijen toch al nodig is over de aanvulling van rechtsgronden (zie hierna).

2.2.

De rechtbank heeft in het tussenvonnis onder 4.19 beslist dat de bewijslast rust op VConsyst omdat zij zich beroept op de rechtsgevolgen van haar stelling dat er sprake is van oneigenlijk of buitennormaal gebruik. Cure heeft er terecht op gewezen dat VConsyst volgens de afspraken overtuigend moet bewijzen dat dit geval niet onder de garantie valt.

2.3.

De rechtbank heeft partijen de gelegenheid gegeven om partijdeskundigen te horen. VConsyst heeft één partijdeskundige voorgebracht (de heer [A] ). Cure heeft twee partijdeskundigen voorgebracht (de heren [B] en [C] ). De rechtbank heeft deze vragen in het tussenvonnis geformuleerd:

  • Wat is de oorzaak van het breken van de kettingen?
  • Wat is de oorzaak van het buigen van de bodemkleppen?
  • Hoe verhouden de kettingen en bodemkleppen in dit geval zich tot andere kettingen en bodemkleppen, die partijen elders succesvol inzetten? Welke eigenschappen zijn vergelijkbaar en welke eigenschappen zijn wezenlijk anders? Geeft een vergelijking inzicht in de oorzaak van de problemen in dit geval?
  • Wat zijn de overige gebreken en wat zijn daarvan de oorzaken?

Partijen hebben zich uitgelaten over de vragen en daarop input geleverd. De partijdeskundigen zijn ter zitting gehoord, waarna conclusies en antwoordconclusies zijn genomen.

2.4.

De partijdeskundige van VConsyst heeft kort samengevat aan de hand van berekeningen en een wiskundig softwaremodel uitgelegd dat het materiaal (de kettingen) is blootgesteld aan krachten boven de “Working Load Limit”, waardoor scheurtjes ontstaan en het materiaal uiteindelijk na verloop van een vrij korte periode bezwijkt (kettingbreuk). De partijdeskundigen van Cure hebben kort samengevat aan de hand van onderzoek naar materiaal (kettingen, verstrekt door Cure) uitgelegd dat putjes in het materiaal zijn ontstaan (mogelijk door een onjuist uitgevoerde zoutbadbehandeling), dat er dan in versnelde mate corrosie optreedt, waardoor de sterkte van het materiaal afneemt, waardoor het materiaal uiteindelijk (bij de las) bezwijkt (kettingbreuk).

2.5.

De partijdeskundigen zijn het in de kern, naar het oordeel van de rechtbank voorshands, eens over enkele hoofdlijnen:

  • i) twee verschijnselen ((a) gangbare of versnelde corrosie en (b) overbelasting) zijn denkbaar en kunnen tegelijk plaatsvinden
  • ii) corrosie vindt altijd plaats in de zure omgeving van de glascontainers
  • iii) in elk geval een mate van overbelasting ligt hier voor de hand omdat (a) de hijsblokken geruime tijd zijn afgesteld op kettingen van 600 mm lengte, terwijl de kettingen aanzienlijk korter waren en (b) de bodemkleppen gebogen zijn, waarvoor geen andere verklaring is aangereikt dan overbelasting
  • iv) in theorie (afgezien van de vraag of dit zich hier heeft voorgedaan): corrosie kan (in aanzienlijke mate) worden versneld ingeval van overbelasting en ingeval een bepaalde zoutbadbehandeling bij de productie van het staal van de kettingen onjuist wordt uitgevoerd
  • v) de gaten in de bodemkleppen, waaraan de kettingen worden bevestigd, zijn (bij bepaalde kettingen) te dicht bij de rand geboord; dit kan de schade aan deze gaten (uitlubberen) (deels) verklaren.
2.6.

Partijen lijken het ook zelf eens te zijn dat een mate van overbelasting zich heeft voorgedaan. VConsyst beschrijft de door haar gestelde overbelasting als volgt (spreekaantekeningen, 10, blz. 4): De overbelasting ontstaat “door de wijze van afstelling van het hijsblok, waarbij er geen begrenzing is voor de neergaande beweging van de hydraulische stang waarmee de container wordt geopend. Wanneer de chauffeur niet op tijd handmatig deze neergaande beweging stopt, dan drukt de stang van bovenaf op de container.” VConsyst citeert met instemming een e-mail van haar onderaannemer HMI (antwoord, 44): “Wat we denken dat er speelt is het volgende: Wanneer de container opgepakt wordt en de middelste haak wordt door het hakenblok naar beneden gelaten met een slaglengte van minimaal 600 mm, kan dit nadelige gevolgen hebben voor de kracht op de buitenste kettingen. De container is geconstrueerd op een slaglengte van 500 mm. Zeker wanneer de buitenste kettingen een “vrije slag” hebben van 500 tm 525 mm, waardoor de cilinder van het hakenblok de container met de middelste haak naar beneden kan duwen en er dus een extra kracht in het spel kan komen.” VConsyst meent dat de middelste ketting niet is gebroken, behalve ingeval van één incident, waarover weinig gegevens voor handen zijn (de overbelasting speelt vooral bij de buitenste kettingen; zie de beschrijving van de overbelasting hierna). Cure is zelf van mening dat de problematiek (bij de bodemkleppen en gaten) ontstaat “doordat er te veel druk op komt te staan als gevolg van het feit dat de kettingen niet de overeengekomen lengte hebben en zelfs per container in lengte afwijken” (antwoord reconventie, 76).

2.7.

Overbelasting hoeft naar het oordeel van de rechtbank voorshands niet te betekenen dat de chauffeurs of andere medewerkers van Cure fouten hebben gemaakt. Dit is relevant voor het beroep van VConsyst op buitennormaal en oneigenlijk gebruik. Niets is gesteld waaruit volgt dat de chauffeurs de (dreigende) schade, met de mate van oplettendheid, nauwgezetheid en zorgvuldigheid die onder de omstandigheden redelijkerwijs kon worden verlangd, konden waarnemen. Uit de verklaringen van de drie partijdeskundigen volgt in de visie van de rechtbank dat de schade langzaamaan is ontstaan. Dat is te rijmen met een sluipend proces waarbij de schade pas na ongeveer enkele maanden of een jaar of later wordt ontdekt en in redelijkheid niet eerder kon worden ontdekt of behoorde te worden ontdekt. Partijen hebben ook zelf veel moeite gehad om te komen tot deugdelijk onderbouwde bevindingen over de oorzaken van de schade.

2.8.

De rechtbank heeft onder 2.5 van het tussenvonnis enkele bepalingen uit het programma van eisen weergegeven. De rechtbank geeft hier een nadere bepaling weer:

E1-5: “De gehele container (inclusief veiligheidsvoorziening) dient te voldoen aan de NEN-EN normen 13071-1. -2. en -3.”

VConsyst schrijft onweersproken dat volgens deze bepaling “to unlock the bottom hatch(es) of the container, this movement shall be vertical and not more than 500mm” (NEN-EN 13071-3, Part 3, artikel 4.2.5).

2.9.

De rechtbank vult hieronder ambtshalve de rechtsgronden aan. Partijen mogen zich over de aanvulling nog uitlaten. Het volgende wordt dus steeds voorshands overwogen.

De rechtbank stelt vast dat in het programma van eisen (afspraken) een wezenlijke onduidelijkheid of tegenstrijdigheid besloten ligt. Namelijk: de vrije slag moet volgens E1-24 600 mm zijn (2.5 van het tussenvonnis) en volgens E1-5 (bezien in samenhang met de genoemde NEN-norm) 500 mm. De rechtbank houdt het er voorshands voor dat deze onduidelijkheid/tegenstrijdigheid de oorzaak is van de problematiek in deze zaak: VConsyst heeft zich bij de vervaardiging van de producten gericht op E1-5 (de NEN-norm) en Cure heeft bij het afstellen van het hijsblok gekeken naar E1-24. Zie ook productie 1 van de conclusie van antwoord in conventie: de oplossing voor het probleem, volgens een expert van VConsyst, kan worden gezocht in langere kettingen of een andere afstelling van het hijsblok. Dat geeft de problematiek weer. VConsyst citeert met instemming een e-mail van haar onderaannemer HMI: “De container is geconstrueerd op een slaglengte van 500 mm.” (antwoord conventie, 44). Achteraf in dit geding is door deze onduidelijkheid/tegenstrijdigheid niet vast te stellen of de vrije slag volgens de overeenkomst, de maatstaf van 4.8 van het tussenvonnis in acht genomen, 600 mm of 500 mm moest zijn. Daarom is ook niet vast te stellen of VConsyst bij de vervaardiging van de producten, dan wel Cure bij het afstellen van het hijsblok, tekort is geschoten in de nakoming van een verbintenis. Tegen de tijd dat de schade in redelijkheid kon worden ontdekt, doordat de kettingen braken en de gaten zichtbaar uitlubberden (hiermee bedoelen partijen dat een rond gat uitrekt en door belasting ovaal wordt), was al veel schade ontstaan.

De rechtbank is van oordeel dat Cure en VConsyst in de context van de aanbesteding allebei een verbintenis hadden om de onduidelijkheid/tegenstrijdigheid te ontdekken, daarover met elkaar in overleg te treden en een passende oplossing af te spreken. De rechtbank neemt bij dit oordeel de maatstaf van 4.8 van het tussenvonnis en de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid in aanmerking. Hierbij is van belang dat Cure en VConsyst ervaren professionals zijn, ieder op het eigen terrein, en dat zij de materie (aanbestedingen, afvalverwerking en de voor het ophalen gehanteerde systemen) goed kennen. Cure en VConsyst zijn naar het oordeel van de rechtbank voorshands in de nakoming van die verbintenis allebei tekort geschoten. De verantwoordelijkheid voor een oplossing ligt niet meer of minder op het bord van Cure of VConsyst. Het gaat om een gedeelde verantwoordelijkheid.

Cure merkt in de visie van de rechtbank terecht en onweersproken op dat VConsyst, zo is afgesproken, het product moest afstemmen op het bestaande materiaal van Cure, niet andersom (programma van eisen, E1-25). Echter, VConsyst hoeft geen onderzoek te doen naar het materiaal van Cure, waar Cure zelf specificaties opgeeft; dan wordt er gebouwd om te voldoen aan de specificaties. Cure heeft enerzijds in het programma van eisen onder E1-5 en E1-24 onduidelijke en tegenstrijdige specificaties opgegeven; VConsyst heeft anderzijds verzuimd deze onduidelijkheid/tegenstrijdigheid aan de orde te stellen en te helpen oplossen.

2.10.

De gezamenlijke tekortkoming kan voorshands leiden tot een uitkomst waarbij iedere partij (bij benadering) de helft van de nadelen, die zijn ontstaan door de tekortkoming, draagt. Deze uitkomst kan voorshands worden bereikt door een gedeeltelijke ontbinding, zoals over en weer gevorderd (voor al geleverde glascontainers respectievelijk nog niet geleverde glascontainers), voor zover nodig gerechtvaardigd te achten. De rechtbank verzoekt partijen zich uit te laten over de vraag welke beslissing wat betreft de vorderingen tot ontbinding leidt tot een dergelijke uitkomst.

2.11.

Verder rijzen in het licht van de onduidelijkheid/tegenstrijdigheid (E1-24 (600 mm) en E1-5 (500 mm, NEN-norm)) de vragen (a) of een gebrek kan worden aangenomen en (b) of de garantie van toepassing is. Partijen mogen zich hierover uitlaten.

2.12.

De rechtbank heeft de uitvoerige verklaringen van de partijdeskundigen over de oorzaken van de kettingbreuken en overige schade bestudeerd. De rechtbank zal daar zo nodig verder op ingaan in een later stadium.

2.13.

De rechtbank beslist al in dit stadium over twee standpunten.

( i) VConsyst vindt dat zij niet in verzuim is, omdat Cure geen ingebrekestelling heeft gestuurd met een laatste termijn voor nakoming en uitleg over de gevolgen als nakoming uitblijft. De rechtbank verwerpt dit standpunt omdat partijen gedurende vele maanden, zelfs een paar jaar, zeer uitvoerig overleg hebben gevoerd over de problematiek, waarbij VConsyst bij herhaling duidelijk is gemaakt dat Cure aandrong op nakoming op zo kort mogelijke termijn. Aan de eis van een ingebrekestelling, voor zover al van toepassing, is ruimschoots voldaan. De rechtbank verwijst ook naar het tussenvonnis onder 4.21.

( ii) VConsyst meent dat Cure geen belang heeft bij de gevorderde ontbinding omdat Cure heeft gekozen voor herstel. Hiermee heeft VConsyst het oog op de afspraken die tijdens de mondelinge behandeling zijn gemaakt. De rechtbank verwerpt dit standpunt omdat Cure bij het maken van die afspraken, zo heeft de rechtbank ook waargenomen, geen afstand heeft gedaan van haar rechten en haar standpunten in de procedure niet heeft prijsgegeven.

2.14.

De analyse hiervoor betreft de glascontainers. De rechtbank geeft nog geen oordeel over de overige containers (restafval).

2.15.

De conclusie in dit stadium is dat aan beide partijen de gelegenheid wordt gegeven om zich uit te laten over de aanvulling van rechtsgronden, waarbij Cure zich ook mag uitlaten over de aanvullende verklaring van de partijdeskundige van VConsyst. Deze gelegenheid is niet bedoeld voor een herhaling van standpunten of voor nadere producties, anders dan, ter keuze van Cure, een aanvullende verklaring van de partijdeskundigen van Cure, uitsluitend als reactie op de aanvullende verklaring van de partijdeskundige van VConsyst. Als Cure zo’n productie overlegt, zal VConsyst daarop bij akte mogen reageren. Als Cure zo’n productie niet overlegt, dan wordt de zaak naar de rol verwezen voor vonnis. Als een partij bezwaar heeft tegen de akte van de wederpartij, wordt aan die partij verzocht onverwijld bij de rechtbank via een rolbericht het bezwaar kenbaar te maken onder verwijzing naar deze instructies.

2.16.

Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

3 De beslissing

De rechtbank

3.1.

verwijst de zaak naar de rol van 13 januari 2027 voor akte van beide partijen over de aanvulling van rechtsgronden onder 2.9-2.11, waarbij Cure zich ook mag uitlaten over de aanvullende verklaring van de partijdeskundige van VConsyst,

3.2.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. L.S. Frakes en in het openbaar uitgesproken op 28 oktober 2026.

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.