Uitspraak · Bestuursprocesrecht

Rechtbank Oost-Brabant, 1 oktober 2026

ECLI:NL:RBOBR:2026:7021Zaaknummer 25/3658

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
1 oktober 2026
Publicatiedatum
22 oktober 2026
Zaaknummer
25/3658
Rechtsgebied
Bestuursrecht, Bestuursprocesrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats
's-Hertogenbosch
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Beroep ongegrond. Eiseres verwijst enkel naar haar zienswijze geeft niet aan waarom de weerlegging van haar zienswijze in het bestreden besluit onjuist of onvolledig zou zijn. De opzet en beantwoording in de Nota zienswijze, eerst algemeen en daarna specifiek, is niet onzorgvuldig of in strijd met een rechtsregel. Ook verzet artikel 3:46 van de Awb zich er niet tegen dat zienswijzen samengevat weergegeven worden. Voor een voldoende motivering in de zin van voormeld artikel is het niet nodig dat op elk argument afzonderlijk wordt ingegaan.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R. Grimbergen, rechter, in aanwezigheid van mr. S.H. Snoeij, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 1 oktober 2026.

griffierrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. [eiseres] , uit [vestigingsplaats] , eiseres
  2. Samenvatting
  3. Procesverloop
  4. Beoordeling door de rechtbank
  5. Conclusie en gevolgen
  6. Beslissing
  7. Informatie over hoger beroep

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats ’s-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: SHE 25/3658

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 oktober 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [vestigingsplaats] , eiseres

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente ’s-Hertogenbosch, het college

(gemachtigden: mr. E.B.A.M. Gerritse en G. Arts).

Als derde-partij neemt aan de zaak deel: het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (het COA)

(gemachtigden: mr. L. van Els, [naam] en [naam])

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de aan het COA verleende tijdelijke omgevingsvergunning voor de duur van tien jaar, ten behoeve van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit voor een tijdelijk asielzoekerscentrum (AZC) op de locatie [adres] ongenummerd te ’ [vestigingsplaats], kadastraal bekend [sectie],

nummer [nummer] en [nummer] te [vestigingsplaats]

1.1.

Eiseres is het niet eens met de verleende omgevingsvergunning en heeft daarom beroep ingesteld.

1.2.

De rechtbank stelt in deze uitspraak vast dat eiseres voor haar beroepsgronden verwijst naar haar zienswijze en geen gronden heeft aangevoerd die aangeven waarom de weerlegging van de door haar ingediende zienswijze in het bestreden besluit onjuist of onvolledig zou zijn. De rechtbank verklaart het beroep daarom ongegrond. Eiseres krijgt dus geen gelijk en de omgevingsvergunning blijft in stand. Hierna legt de rechtbank nader uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Het COA heeft op 16 januari 2025 een aanvraag ingediend voor een tijdelijke omgevingsvergunning voor de duur van tien jaar, ten behoeve van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit voor een tijdelijk AZC op de locatie [adres] ongenummerd te [vestigingsplaats], kadastraal bekend [sectie], nummer [nummer] en [nummer] te [vestigingsplaats].

2.1.

Het tijdelijke AZC heeft een maatschappelijke functie die niet past binnen de op de locatie rustende bestemming 'Bedrijventerrein'. Ook past het AZC niet binnen de maximale bouwhoogte van 6 meter en ligt deze niet geheel binnen het bouwvlak. Het COA heeft met voormelde aanvraag het college verzocht om op deze drie punten van het omgevingsplan af te wijken.

2.2.

Het college heeft met het ontwerpbesluit van 8 mei 2025 laten weten de gevraagde tijdelijke omgevingsvergunning voor de buitenplanse omgevingsplanactiviteit te verlenen en heeft dat besluit ter inzage gelegd.

2.3.

Eiseres heeft op 23 juni 2025 een zienswijze ingediend.

2.4.

Met het besluit van 4 november 2025 (bestreden besluit) heeft het college de gevraagde omgevingsvergunning verleend. In de bij het bestreden besluit gevoegde bijlage ‘Nota zienswijzen’[_383f7963-c825-4776-9e29-bd8af1cd0cfd] is het college op de ingediende zienswijzen ingegaan.

2.5.

Eiseres heeft op 19 december 2025[_3a91cc35-429b-41b1-b540-81478759be5d] een pro forma beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en de rechtbank verzocht om een termijn te stellen waarbinnen eiseres haar beroepsgronden moet aanvullen

2.6.

Per brief van 23 december 2025 heeft de rechtbank de ontvangst van het beroep bevestigd en eiseres verzocht binnen vier weken na verzending van die brief, de gronden van het beroep mee te delen. Daarbij heeft de rechtbank eiseres erop gewezen dat als zij niet voldoet aan dit verzoek, en ook niet binnen de gestelde termijn om uitstel verzoekt, de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk kan verklaren.

2.7.

Met de brief van 22 januari 2026 heeft eiseres voor haar beroepsgronden enkel verwezen naar haar zienswijze en de rechtbank verzocht haar de gelegenheid te bieden de beroepsgronden op een later moment aan te vullen, na de bezwaarprocedure over de afzonderlijk verleende omgevingsvergunning voor de flora- en fauna activiteit. Zij verzoekt daartoe concreet om de behandeling van het beroep aan te houden tot na voormelde bezwaarprocedure, dan wel een nadere termijn te bepalen voor aanvullende gronden.

2.8.

Op laatstgenoemde datum heeft eiseres per afzonderlijke brief een verklaring gegeven voor de overschrijding van de door de rechtbank gegeven termijn van vier weken.

2.9.

De rechtbank heeft het aanhoudingsverzoek van eiseres om te wachten op het besluit op bezwaar inzake de omgevingsvergunning voor de flora- en fauna activiteit, gehonoreerd. Op 22 april 2026 is dat besluit op bezwaar genomen,[_7edfe03f-29f2-4695-9ec0-e277db74afea] waartegen eiseres afzonderlijk beroep heeft ingesteld.[_f45073cf-c077-4956-b433-42406a449634]

2.10.

Bij brief van 22 mei 2026 heeft de rechtbank nadere informatie bij eiseres opgevraagd over haar feitelijke werkzaamheden. Hierop heeft eiseres per e-mail van 5 juni 2026 gereageerd en daar via een zogenoemd ZIP bestand meerdere bijlagen bij gevoegd. De rechtbank heeft eiseres via meerdere rappels verzocht deze bijlagen per post toe te sturen.

2.11.

Bij brieven van 30 juni 2026 heeft de rechtbank partijen er alvast van op de hoogte gesteld dat het beroep op 15 september 2026 op de zitting van de rechtbank zal worden behandeld.

2.12.

Met de kennisgevingen van 18 augustus 2026 heeft de rechtbank partijen op de hoogte gesteld dat de zittingsdatum definitief is vastgesteld op 15 september 2025. Daarbij heeft de rechtbank partijen erop gewezen dat nieuwe stukken tien dagen voor de zitting bij de rechter moeten zijn.

2.13.

De administratie van de rechtbank heeft eiseres per e-mail van 2 september 2026 bij wijze van service bericht dat onder nieuwe stukken óók valt het aanvullen van de beroepsgronden en dat zij dus nog in de gelegenheid wordt gesteld om haar gronden aan te vullen.[_15f62480-102f-4715-b20b-7c771b8ecd1f]

2.14.

Het college heeft op 3 september 2026 op het beroep gereageerd met een verweerschrift.

2.15.

Op 4 september 2026 heeft eiseres, hangende het beroep, ook een verzoek om voorlopige voorziening ingediend. Dit verzoek is geregistreerd onder nummer SHE 26/2658.

2.16.

Op 7 september 2026 heeft eiseres alsnog voldaan aan het verzoek van de rechtbank van 8 juni 2026 om het bij haar e-mail van 5 juni 2026 gevoegde ZIP-bestand met diverse bijlagen op papier aan te leveren.

2.17.

De rechtbank heeft het beroep en het verzoek gelijktijdig op 15 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [naam] namens eiseres; de gemachtigden van het college en de gemachtigden van het COA.

Beoordeling door de rechtbank

3. Eiseres verwijst in haar brief van 22 januari 2026 voor haar beroepsgronden naar de eerder door haar ingediende zienswijze.[_8e1a26dd-4fbe-46bd-9916-791b0c39143a]

3.1.

De rechtbank stelt vast dat de Nota zienswijzen[_862b89c5-289c-4fcc-b9a9-dddbc2f79be7] deel uitmaakt van het hier bestreden besluit[_48d443c8-fa91-4d0e-b635-677be000b801] en dat het college daarin de door eiseres ingediende zienswijze heeft behandeld en weerlegd. In de Nota zienswijzen is namelijk eerst een algemene beantwoording van in de zienswijzen veel voorkomende onderwerpen gegeven[_ed3de80e-223c-4cc9-a7e7-d76c78bcea1e] en vervolgens een reactie per indiener. Daarbij is op pagina’s 38 tot en met 60 expliciet ingegaan op hetgeen eiseres zelf naar voren heeft gebracht.[_e2aeaf86-52ef-40d7-ae9c-05d40effcf5f]

3.2.

Voormelde wijze van opzet en beantwoording in de Nota zienswijze, eerst algemeen en daarna specifiek, is volgens vaste rechtspraak[_1487c4fd-5dd3-4046-89c8-b672007b7814] niet onzorgvuldig of in strijd met een rechtsregel. Ook verzet artikel 3:46 van de Awb zich er niet tegen dat zienswijzen samengevat weergegeven worden. Voor een voldoende motivering in de zin van voormeld artikel is het niet nodig dat op elk argument afzonderlijk wordt ingegaan.[_9263c945-cb68-4987-b39b-6092a98c98be]

3.3.

Zowel in haar aanvullend beroepschrift van 22 januari 2026[_c1e8875d-06b9-4b06-9cca-3dc1482d730b] als op zitting heeft eiseres geen redenen aangevoerd waarom de weerlegging door het college van de door haar ingediende zienswijze onjuist of onvolledig zou zijn.[_a4be6554-8026-41d5-af5a-c02fa7364b4b] Op zitting heeft eiseres namelijk, nadat de rechtbank haar daartoe in de gelegenheid heeft gesteld, ten aanzien van de inhoud volstaan met het kort herhalen of voorlezen van onderdelen uit haar zienswijze. Ook heeft eiseres, ondanks dat zij hier blijkens het procesverloop geruime tijd de mogelijkheid toe had, geen aanvullende beroepsgronden ingediend die duidelijk maken waarom de reactie van het bestuursorgaan in het bestreden besluit onjuist of onvolledig zou zijn.

3.4.

Gelet hierop bestaat er naar het oordeel van de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat de beantwoording van de zienswijzen door het bestuursorgaan in het bestreden besluit onvoldoende zou zijn gemotiveerd[_cce0bd0d-9b0e-4b83-9871-dbb9966438a4] of onvoldoende zorgvuldig zou zijn voorbereid.

3.5.

Het door eiseres niet nader onderbouwde betoog “Het beroep richt zich op de aard, omvang en ruimtelijke inpassing van het project, de gevolgen voor de directe leefomgeving en natuurwaarden, en de zorgvuldigheid van de gevolgde besluitvormingsprocedure” is naar het oordeel van de rechtbank ook niet voldoende om te kunnen aanmerken als een door eiseres ingediende beroepsgrond die aangeeft waarom de weerlegging van de door haar ingediende zienswijze in het bestreden besluit onjuist of onvolledig zou zijn.

3.6.

Nu er geen beroepsgronden zijn aangevoerd die tot gehele of gedeeltelijke vernietiging van het hier bestreden besluit van 4 november 2025 zouden kunnen leiden, wordt het beroep ongegrond verklaard.

Conclusie en gevolgen

4. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de aan het COA verleende omgevingsvergunning in rechte stand houdt en dat het COA daarvan gebruik mag maken.

5. Omdat het beroep ongegrond is krijgt eiseres het door haar in deze procedure betaalde griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R. Grimbergen, rechter, in aanwezigheid van mr. S.H. Snoeij, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 1 oktober 2026.

griffierrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

  1. Nota zienswijzen ontwerpbesluit omgevingsvergunning “Tijdelijk AZC [naam] [adres] [nummer] .”
  2. Via afgifte van het beroepschrift bij de Centrale Informatiebalie.
  3. Door de Omgevingsdienst Brabant Noord namens Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant.
  4. Het beroep van eiseres tegen de flora-en fauna activiteit is geregistreerd onder nummer SHE 26/1680.
  5. Dit is diezelfde dag ook telefonisch door de zittingsgriffier aan [naam], voorzitter/bestuurder van eiseres, medegedeeld (zie de zittingsaantekeningen van de zitting van 15 september 2026).
  6. Zienswijze van 23 juni 2025 welke eiseres aan de brief van 22 januari 2026 heeft gehecht.
  7. Voluit: Nota zienswijzen ontwerpbesluit omgevingsvergunning "Tijdelijk AZC [naam] [adres] [nummer] ".
  8. De omgevingsvergunning van 4 november 2025.
  9. Op pagina’s 4 tot en met 9 van de Nota Zienswijzen.
  10. Bekend als ‘ZW020’, zienswijze 020.
  11. ECLI:NL:RVS:2025:5075
  12. ECLI:NL:RVS:2025:5075
  13. In het aanvullend beroepschrift van 22 januari 2026.
  14. Vergelijk ECLI:NL:RVS:2026:5002, r.o. 49.1 en ECLI:NL:RVS:2014:3387 r.o. 31.1.
  15. Vergelijk ECLI:NL:RVS:2026:3934, r.o. 16.1.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Deze uitspraak verwijst naar

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.