Uitspraak · Bestuursprocesrecht

Rechtbank Oost-Brabant, 22 september 2026

ECLI:NL:RBOBR:2026:6805Zaaknummer 26/2658

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
22 september 2026
Publicatiedatum
22 oktober 2026
Zaaknummer
26/2658
Rechtsgebied
Bestuursrecht, Bestuursprocesrecht
Procedure
Voorlopige voorziening
Zittingsplaats
's-Hertogenbosch
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Afwijzing vovo. Nu het compensatiegebied van de steenmarter al is gerealiseerd en op korte termijn een uitspraak in de bodemzaak wordt verwacht weegt het belang van verzoekster minder zwaar dan het algemeen belang van vergunningverlening, het grote maatschappelijke belang van het COA bij realisering van het AZC en het belang van het college dat zij aan haar taakstelling ten aanzien van de opvang van asielzoekers moet voldoen. Voor zover het verzoek ziet op het voorkomen van het opzettelijk beschadigen of vernielen van voortplantings- of rustplaatsen van de steenmarter en het voorkomen van het weghalen van vegetatie op de locatie, mist het verzoek materiële connexiteit met het hier bestreden besluit.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R. Grimbergen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. S.H. Snoeij, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 22 september 2026.

griffiervoorzieningenrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. [verzoekster] , uit [vestigingsplaats] , verzoekster
  2. Samenvatting
  3. Feiten en omstandigheden
  4. Beoordeling door de voorzieningenrechter
  5. Conclusie en gevolgen
  6. Beslissing
  7. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: SHE 26/2658

uitspraak van de voorzieningenrechter van 22 september 2026 in de zaak tussen

[verzoekster] , uit [vestigingsplaats] , verzoekster

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente 's-Hertogenbosch, het college

(gemachtigden: mr. E.B.A.M. Gerritse en G. Arts)

Als derde-partij neemt aan de zaak deel: het Centraal Bureau COA uit ’s-Gravenhage(het COA)

(gemachtigden: mr. L. Van Els, [naam] en [naam])

Samenvatting

1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de aan het COA verleende tijdelijke omgevingsvergunning voor de duur van tien jaar, ten behoeve van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit voor een tijdelijk asielzoekerscentrum (AZC) op de locatie [adres] ongenummerd te ’ [vestigingsplaats], kadastraal bekend [nummer] sectie [cijfer], nummer [nummer] en [nummer] te ’ [vestigingsplaats]

1.1.

Verzoekster is het niet eens met de verleende omgevingsvergunning en de ongegrondverklaring van haar daartegen gerichte bezwaar. Zij heeft daarom beroep ingesteld.[_616df2c2-bd40-46dc-8bb0-c45170a6f2ce] Hangende het beroep heeft zij ook om een voorlopige voorziening verzocht.

1.2.

De voorzieningenrechter wijst in deze zaak het verzoek van verzoekster om vooruitlopend op de connexe bodemzaak een voorlopige voorziening te treffen, na afweging van de belangen van alle partijen, af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Feiten en omstandigheden

2. Het COA heeft op 16 januari 2025 een aanvraag ingediend voor een tijdelijke omgevingsvergunning voor de duur van tien jaar, ten behoeve van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit voor een tijdelijk AZC op de locatie [adres] ongenummerd te ’ [vestigingsplaats], kadastraal bekend [nummer] sectie [cijfer], nummer [nummer] en [nummer] te ’ [vestigingsplaats] (de locatie). In dit AZC, ‘AZC [naam] ’ genoemd, zal het COA tijdelijk maximaal 350 asielzoekers opvangen.

2.1.

Het tijdelijke AZC heeft een maatschappelijke functie die niet past binnen de op de locatie rustende bestemming 'Bedrijventerrein'. Ook past het AZC niet binnen de maximale bouwhoogte van 6 meter en ligt deze niet geheel binnen het bouwvlak. Het COA heeft met voormelde aanvraag het college verzocht om op deze drie punten van het omgevingsplan af te wijken.

2.2.

Bij de aanvraag heeft het COA vermeld dat de overige benodigde vergunningen apart zullen worden aangevraagd.

2.3.

Eén van de vergunningen die het COA apart heeft aangevraagd, is de vergunning voor de flora- en fauna activiteit: het opzettelijk beschadigen of vernielen van voortplantings- of rustplaatsen van de steenmarter. Die vergunning heeft het college van Gedeputeerde Staten van Noord Brabant op 12 augustus 2025 aan verzoekster verleend en maakt het mogelijk om de op de locatie bestaande opstallen, het hekwerk en de aanwezige vegetatie te verwijderen.

2.4.

Het college heeft na een uitgebreide voorbereidingsprocedure[_4623ed07-3632-437c-a78a-d2a995c8465b] met het besluit van 4 november 2025 (het bestreden besluit) de gevraagde omgevingsvergunning voor de buitenplanse omgevingsplanactiviteit verleend.

2.5.

Verzoekster heeft hiertegen op 19 december 2025 beroep ingesteld. Het beroep is geregistreerd onder nummer SHE 25/3658.

2.6.

Eerst op 4 september 2026 heeft verzoekster de voorzieningenrechter van deze rechtbank gevraagd om, hangende het beroep, een voorlopige voorziening te treffen. Verzoekster heeft verzocht de werkzaamheden op de locatie te stoppen die leiden tot verwijderen van vegetatie, beschadigen of vernielen van voortplantings- of rustplaatsen van de steenmarter, of aantasting of vernietiging van zijn leefgebied. Subsidiair heeft verzoekster verzocht een andere voorlopige voorziening te treffen om de bestaande feitelijke en ecologische situatie te behouden, totdat de rechtbank uitspraak heeft gedaan in de bodemprocedure SHE 25/3658 en de beroepsprocedure over de flora- en fauna activiteit.[_ca640a5b-9707-4540-b3fe-453287e33129]

2.7.

Op 7 september 2026 heeft het college in reactie op het verzoek aangeven dat gelet op de stand van de werkzaamheden op de locatie een ordemaatregel om de werkzaamheden stil te leggen ter bescherming van de steenmarter niet langer opportuun is.

2.8.

Daarop heeft de rechtbank verzoekster diezelfde dag verzocht aan te geven wat (nog) haar procesbelang is bij de gevraagde voorlopige voorziening.

2.9.

Verzoekster heeft de voorzieningenrechter[_711f4baf-a3c2-48a5-9337-606af5c34cf3] daarop verzocht de verdere uitvoering van de omgevingsvergunning te schorsen en te bepalen dat geen verdere werkzaamheden ter realisatie van het AZC [naam] plaatsvinden tot enkele dagen nadat de rechtbank uitspraak heeft gedaan in de bodemprocedure SHE 25/3658. Verzoekster wenst hiermee te bereiken dat de feitelijke situatie voordat de rechtbank uitspraak heeft gedaan[_393c3f87-1b18-4252-a240-b1cc0a3d725c] verder en ingrijpend verandert.

2.10.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 15 september 2026, gelijktijdig met de beroepszaak SHE 25/3658, op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [naam] namens verzoekster, de gemachtigden van het college en de gemachtigden van het COA.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

3. Verzoekster verzoekt de voorzieningenrechter om de verdere uitvoering van de omgevingsvergunning te schorsen en te bepalen dat geen verdere (bouw)werkzaamheden op de locatie plaatsvinden tot enkele dagen nadat de rechtbank uitspraak heeft gedaan in de bodemprocedure SHE 25/3658.[_e3c5cd37-d039-4760-9ebf-c4ea4678136d] Hiermee hoopt verzoekster te bereiken dat de aan de locatie grenzende leefomgeving van de steenmarter gespaard blijft en dat de steenmarter niet wordt verstoord.[_667bc820-ddc7-421b-bb30-8a3ea72a8bf0] Subsidiair verzoekt verzoekster in ieder geval de bouwwerkzaamheden direct rondom het aangrenzende leefgebied van de steenmarter stil te leggen of op te laten schuiven naar een latere datum.[_320d5ba0-e4e7-4442-a40a-2e12eee3a584] De locatie wordt verder bouwrijp en gebruiksgereed gemaakt, er vinden grond-, graaf- en leidingwerkzaamheden plaats en er wordt lawaai gemaakt. Volgens verzoekster is niet ondenkbaar dat de omvangrijke werkzaamheden op de locatie (het leefgebied van) de steenmarter in de naastgelegen groenstrook verstoren. Weliswaar is er voorafgaand aan de bouwwerkzaamheden al een compensatiegebied voor de steenmarter gerealiseerd, maar onduidelijk is of de steenmarter daar nu ook daadwerkelijk verblijft. Daarnaast houdt de steenmarter zich niet aan een bepaald gebied, maar beweegt hij zich vrij in de natuur, aldus verzoekster.

3.1.

Het college heeft aangevoerd dat het verder bouwen aan het AZC niet tot verstoring van de steenmarter op de locatie leidt. De vegetatie op de locatie is al tot 3 meter diep weggehaald en met zand aangevuld, en de bodem is ook al gesaneerd. Het leefgebied van de steenmarter op de locatie is dus al volledig verwijderd. In plaats daarvan is verderop een compensatiegebied voor de steenmarter gerealiseerd. Dit alles heeft plaatsgevonden onder toeziend oog van een ecoloog en conform de voorschriften van de omgevingsvergunning voor de flora- en fauna activiteit. Het aangrenzende leefgebied waar verzoekster het over heeft, betreft hooguit een heel klein groenstrookje aan één zijde van de locatie, verder niet.

3.2.

Het COA geeft aan dat het, gezien het gigantische tekort aan opvangplekken, een groot maatschappelijk belang heeft om de omgevingsvergunning van de buitenplanse omgevingsplanactiviteit, die nodig is voor de bouw van het AZC [naam], niet te schorsen. Het AZC [naam] zal – bij een ongewijzigde planning van de bouwwerkzaamheden – pas omstreeks juni 2027 in gebruik kunnen worden genomen. De komende weken worden kabels en leidingen in de grond geplaatst ten behoeve van het AZC en in week 45 begint de fundatie van het gebouw via heiwerkzaamheden. Om schrijnende situaties te voorkomen zijn dringend meer plekken nodig en dat kan niet wachten tot na juni 2027. Op dit moment verblijven 240 asielzoekers in de locatie [adres] te ’ [vestigingsplaats]. Zij moeten daar in juni 2027 weg. Het is de bedoeling dat deze mensen naar het nog te realiseren AZC verhuizen. Dat is belangrijk, omdat deze mensen in ’ [vestigingsplaats] naar school gaan, hier aan het werk zijn en hier ook contacten hebben opgebouwd.

3.3.

De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

3.4.

Op grond van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht kan, indien tegen een besluit bij de bestuursrechter beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de bestuursrechter, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de bestuursrechter die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

3.5.

De voorzieningenrechter neemt in deze procedure aan dat verzoekster voldoende spoed heeft bij het door haar ingediende verzoek om voorlopige voorziening, nu enerzijds vaststaat dat een deel van het leefgebied van de steenmarter direct naast de locatie is gelegen, en anderzijds vaststaat dat op de locatie de komende weken bouwwerkzaamheden zullen plaatsvinden.

3.6.

De voorzieningenrechter ziet, om de vraag of hier een voorlopige voorziening moet worden getroffen te beantwoorden, aanleiding om de verschillende belangen van partijen tegen elkaar af te wegen.

3.7.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat in dit geval het algemeen belang van vergunningverlening, het hiervoor weergegeven grote maatschappelijke belang van het COA,[_b81bd91b-701f-4f6b-a114-4361236d8b83] en het belang van het college dat zij aan haar taakstelling ten aanzien van de opvang van asielzoekers moet voldoen, zwaarder weegt dan het belang van verzoekster. Daarbij heeft de voorzieningenrechter tevens meegewogen dat het compensatiegebied van de steenmarter al is gerealiseerd en dat de aan deze voorlopige voorziening connexe beroepszaak al op zitting is behandeld,[_a790d599-06bc-439f-a565-e9b799f02aee] zodat op korte termijn een uitspraak van de rechtbank is te verwachten. De belangen van verzoekster om vooruitlopend op de bodemzaak een voorlopige voorziening te treffen wegen om die redenen minder zwaar dan voormelde maatschappelijke en algemene belangen.

3.8.

Dit betekent dat de voorzieningenrechter – na afweging van alle hiervoor genoemde belangen – geen aanleiding ziet om op dit moment, in afwachting van de uitspraak van de rechtbank in de bodemprocedure, een voorlopige voorziening te treffen. Het verzoek zal daarom worden afgewezen.

4. Voor zover het verzoek van verzoekster ziet op het voorkomen van het opzettelijk beschadigen of vernielen van voortplantings- of rustplaatsen van de steenmarter en het voorkomen van het weghalen van vegetatie op de locatie, mist het verzoek materiële connexiteit met het onderhavige bestreden besluit. Dat onderwerp betreft immers de door het college van Gedeputeerde Staten van Noord Brabant aan het COA verleende vergunning van 12 augustus 2025[_55dcf984-5061-4808-a6ec-cc3c999f24f8] en niet de hier door het college verleende vergunning. Ook om die reden dient het verzoek om een voorlopige voorziening te worden afgewezen.

Conclusie en gevolgen

5. Het verzoek om een voorlopige voorziening zal worden afgewezen. Dat betekent dat de voorzieningenrechter geen voorlopige voorziening zal treffen.

5.1.

Omdat het verzoek wordt afgewezen bestaat er geen aanleiding voor de vergoeding van de proceskosten van verzoekster, en evenmin voor restitutie van het griffierecht.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R. Grimbergen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. S.H. Snoeij, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 22 september 2026.

griffiervoorzieningenrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

  1. Zaaknummer 25/3658.
  2. De uniforme openbare voorbereidingsprocedure.
  3. Beroepsprocedure SHE 26/1680 met als verwerend orgaan Gedeputeerde Staten van Noord Brabant, betreffende de flora- en fauna-activiteit: het opzettelijk beschadigen of vernielen van voortplantings- of rustplaatsen van de steenmarter.
  4. E-mail van 10 september 2026, tevens per post op 11 september 2026 bevestigd.
  5. In de bodemprocedure, de beroepszaak SHE 25/3658.
  6. E-mail verzoekster van 10 september 2026.
  7. Verhandelde ter zitting van 15 september 2026 in samenhang met het verzoek om voorlopige voorziening van 4 september 2026.
  8. Verhandelde ter zitting van 15 september 2026.
  9. Zoals hiervoor weergegeven in rechtsoverweging 3.2.
  10. Namelijk op dezelfde zitting als deze voorlopige voorziening, de zitting van 15 september 2026, dit betreft de beroepszaak SHE 25/3658.
  11. Alsmede het daaropvolgende besluit op bezwaar van 22 april 2026, waartegen verzoekster ook beroep (onder nummer SHE 26/1680) en een voorlopige voorziening (onder nummer SHE 26/2659) heeft ingediend.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.