Uitspraak · Socialezekerheidsrecht

Rechtbank Oost-Brabant, 18 september 2026

ECLI:NL:RBOBR:2026:6735Zaaknummer 25/2454

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
18 september 2026
Publicatiedatum
7 oktober 2026
Zaaknummer
25/2454
Rechtsgebied
Bestuursrecht, Socialezekerheidsrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats
's-Hertogenbosch
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Moet de Ziektewetuitkering van eiseres eerder ingaan vanwege het vertrouwensbeginsel? Stappenplan en belangenafweging.

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Woestenburg, rechter, in aanwezigheid van

mr. A. Bijleveld, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 18 september 2026.

griffierrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. [eiseres], uit [woonplaats], eiseres
  2. Samenvatting
  3. Procesverloop
  4. Beoordeling door de rechtbank
  5. Conclusie en gevolgen
  6. Beslissing
  7. Informatie over hoger beroep

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: SHE 25/2454

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 september 2026 in de zaak tussen

[eiseres], uit [woonplaats], eiseres

(gemachtigde: mr. N.J. Brouwer),

en

de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV

(gemachtigde: [gemachtigde]).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de ingangsdatum van de Ziektewetuitkering van eiseres. Eiseres vindt dat de Ziektewetuitkering op een eerdere datum moet ingaan, omdat het UWV dat heeft toegezegd. Omdat het UWV deze toezegging niet is nagekomen, vindt zij dat het UWV het vertrouwensbeginsel heeft geschonden.

1.1.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het UWV het vertrouwensbeginsel niet heeft geschonden. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

1.2.

Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. Onder 3 staan de van belang zijnde feiten en omstandigheden. De standpunten van partijen staan onder 4. Vanaf 5 gaat de rechtbank in op de vraag of het UWV het vertrouwensbeginsel heeft geschonden. De rechtbank sluit af met de conclusie, de gevolgen daarvan en de beslissing.

Procesverloop

2. Met het besluit van 23 oktober 2024 heeft het UWV beslist dat eiseres geen recht heeft op een Ziektewetuitkering. Eiseres heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.

2.1.

Met het besluit van 15 september 2025 (het bestreden besluit) heeft het UWV het bezwaar van eiseres gedeeltelijk gegrond verklaard en beslist dat zij per 5 september 2022 recht heeft op een Ziektewetuitkering.

2.2.

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

2.3.

Het UWV heeft op het beroepschrift gereageerd met een verweerschrift.

2.4.

Partijen hebben nadere stukken ingediend.

2.5.

De rechtbank heeft het beroep op 8 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van het UWV. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst.

2.6.

Partijen hebben nadere stukken ingediend.

2.7.

De rechtbank heeft de wettige erfgenamen van [naam 1], de moeder van eiseres, in de Staatscourant van [datum] (nr. [nummer]) in de gelegenheid gesteld om als belanghebbenden aan de beroepsprocedure deel te nemen. Hierop is geen reactie gekomen.

2.8.

De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting op 18 augustus 2026 voortgezet. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres (bijgestaan door haar echtgenoot), de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van het UWV (middels een videoverbinding).

Beoordeling door de rechtbank

Feiten en omstandigheden

3. Eiseres heeft op 29 april 2020 met haar moeder een zorgovereenkomst voor onbepaalde tijd gesloten. Op basis van deze overeenkomst verleende eiseres zorg aan haar moeder en ontving zij daarvoor een vergoeding, die uit een persoonsgebonden budget (pgb) werd betaald. De Sociale Verzekeringsbank (SVB) betaalde deze vergoeding uit. Eiseres heeft de zorg tot 20 augustus 2021 verleend.

3.1.

De moeder van eiseres is op 4 september 2022 overleden.

3.2.

Eiseres heeft zich bij het UWV op 17 oktober 2024 ziekgemeld per 20 augustus 2021.

3.3.

Het UWV heeft met het besluit van 23 oktober 2024 beslist dat eiseres geen Ziektewetuitkering kan krijgen, omdat zij als pgb’er werkte voor een familielid. Zij was daarom niet verzekerd voor de Ziektewet.

3.4.

Naar aanleiding van het bezwaar van eiseres tegen dit besluit heeft het UWV een onderzoek ingesteld naar de verzekeringsplicht van eiseres. In dit onderzoek is geconcludeerd dat sprake was van een privaatrechtelijke dienstbetrekking tussen eiseres en haar moeder en dat zij daarom verzekerd was voor (onder andere) de Ziektewet. Een verzekeringsarts van het UWV heeft vervolgens na onderzoek in zijn rapport van 16 juni 2025 vastgesteld dat eiseres per 20 augustus 2021 doorlopend arbeidsongeschikt voor haar eigen arbeid was.

3.5.

Op 30 juni 2025 heeft de gemachtigde van eiseres met het UWV gebeld om de stand van zaken van de bezwaarprocedure op te vragen. Hij heeft gesproken met [naam 2]. De inhoud van dit gesprek is bij het UWV als volgt geregistreerd: ‘vroeg naar de status: ZW is klaar: recht op ZW gedurende de hele wachttijd. Ze zijn blijkbaar B&B vergeten in te lichten. Meteen 1 week uitstel gevraagd en gekregen”.

3.6.

Vervolgens heeft het UWV eiseres verzocht om ontbrekende informatie over te leggen. De gemachtigde van eiseres heeft hierop (onder andere) gereageerd met de brief van 28 augustus 2025. Daarbij heeft hij een brief van de SVB ingediend, waarin staat dat de zorgovereenkomst tussen eiseres en haar moeder is geëindigd op 4 september 2022.

3.7.

Op 2 september 2025 heeft [naam 3] van het UWV de gemachtigde van eiseres gebeld. De inhoud van dit gesprek is bij het UWV als volgt geregistreerd: ‘Gemachtigde gebeld om aan te geven dat in overleg er is besloten om wel per EZD uit te betalen. Wij hadden in dit geval ruimte om af te wijken. In de BOB wordt dit verder gemotiveerd.’

3.8.

Op 4 september 2025 heeft [naam 3] de gemachtigde van eiseres nogmaals gebeld. Zij gaf daarbij aan dat de Ziektewetuitkering toch niet zal worden uitbetaald per 20 augustus 2021 omdat dit juridisch niet mag.

Standpunten van partijen

4. Eiseres beroept zich op het vertrouwensbeginsel. Zij wijst er op dat medewerkers van het UWV tot tweemaal toe een heldere, ondubbelzinnige en ongeclausuleerde toezegging hebben gedaan. Deze toezegging hield in dat eiseres vanaf de eerste ziektedag (20 augustus 2021) recht had op een Ziektewetuitkering. Op deze toezegging mocht eiseres vertrouwen en aan deze toezegging moet het UWV ook worden gehouden. De belangen die het UWV noemt bij het niet nakomen van de toezegging wegen niet op tegen haar belang bij nakoming van de toezegging.

4.1.

Het UWV stelt zich op het standpunt dat eiseres per 5 september 2022 recht heeft op een Ziektewetuitkering, omdat de dienstbetrekking met haar moeder op 4 september 2022 is geëindigd. Dit volgt dwingend uit artikel 29, tweede lid, onder c, van de Ziektewet.

4.2.

Het UWV stelt zich op het standpunt dat het telefoongesprek van 30 juni 2025 tussen de gemachtigde van eiseres en [naam 2] niet kan leiden tot gerechtvaardigd vertrouwen aan de kant van eiseres. De mededeling dat er per eerste ziektedag een Ziektewetuitkering zou worden toegekend was gebaseerd op onjuiste informatie met betrekking tot het einde van de zorgovereenkomst. Gelet op de gegevens in de polisadministratie was het UWV in de veronderstelling dat het dienstverband op 19 augustus 2021 was geëindigd. De zorgovereenkomst eindigde echter per 4 september 2022 en de gemachtigde van eiseres had uit hoofde van zijn deskundigheid zelf redelijkerwijs moeten weten dat eiseres pas vanaf dat moment recht had op een uitkering. De toezegging op 2 september 2025 is volgens het UWV anders van aard. De medewerker wist dat de zorgovereenkomst op 4 september 2022 was geëindigd en heeft toen alsnog laten weten dat er uitbetaald zou worden vanaf de eerste ziektedag en dat het UWV ruimte had om van de regels af te wijken. Het UWV kan alleen niet aan deze toezegging worden gehouden omdat er belangen zijn die zwaarder wegen dan het belang van eiseres bij de nakoming van de toezegging.

4.3.

De rechtbank zal de hier genoemde standpunten hierna verder benoemen en bespreken.

Het vertrouwensbeginsel

5. Bij uitspraak van 29 mei 2019[_6f1a12ec-9b4d-44b8-bf5c-6b75b7ccaa1e] heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State voor een beoordeling van het beroep op het vertrouwensbeginsel een stappenplan uiteengezet. Ook de Centrale Raad van Beroep, de hoogste rechter in zaken als deze, volgt het stappenplan[_d6f6d385-c3d4-4368-bdaa-da7b20ec7ef9].

5.1.

Stap 1. Om aan te nemen dat een toezegging is gedaan, dient degene die zich beroept op het vertrouwensbeginsel aannemelijk te maken dat sprake is van uitlatingen en/of gedragingen van ambtenaren die bij de betrokkene redelijkerwijs de indruk wekken van een welbewuste standpuntbepaling van het bestuur over de manier waarop in zijn geval een bevoegdheid al dan niet zal worden uitgeoefend. Daarbij volgt de Afdeling de staatsraad advocaat-generaal waar hij opmerkt, dat het van belang is dat de betrokkene te goeder trouw is, wat betekent dat de betrokkene alleen een beroep kan doen op het vertrouwensbeginsel indien hij de in het kader van een toezegging relevante feiten en omstandigheden correct heeft weergegeven. De betrokkene komt geen geslaagd beroep toe op het vertrouwensbeginsel indien hij besefte of had moeten beseffen dat de uitlating van de ambtenaar ging over een beslissing die buiten de bevoegdheid van het bestuursorgaan lag, of anderszins in strijd was met de toepasselijke rechtsregels. Hierbij is van belang dat op degene die een beroep op het vertrouwensbeginsel doet een onderzoeksplicht rust. De welbewuste standpuntbepaling zal doorgaans in een schriftelijk stuk zijn vastgelegd. Ook zonder schriftelijk stuk kan de uitlating en/of gedraging aannemelijk zijn, waarbij van belang kan zijn of het bestuursorgaan de gestelde uitlating en/of gedraging niet of onvoldoende betwist. Bij de vraag of een toezegging is gedaan, speelt ook de deskundigheid van de betrokkene een rol.

5.2.

Stap 2. Een toezegging kan worden toegerekend aan het bevoegde orgaan, indien de betrokkene op goede gronden mocht veronderstellen dat degene die de toezegging heeft gedaan de opvatting van het bevoegde orgaan vertolkte.

5.3.

Stap 3. Het vertrouwensbeginsel brengt niet met zich dat gerechtvaardigde verwachtingen altijd moeten worden gehonoreerd. Daartoe is vereist dat bij afweging van de betrokken belangen, waarbij het belang van degene bij wie de gerechtvaardigde verwachtingen zijn gewekt zwaar weegt, geen zwaarder wegende belangen aan het honoreren van de verwachtingen in de weg staan. Die zwaarder wegende belangen kunnen zijn gelegen in strijd met de wet, het algemeen belang en meer specifiek, belangen van derden. Indien er zwaarder wegende belangen in de weg staan aan honorering van het gewekte vertrouwen kan voor het bestuursorgaan de verplichting ontstaan om de schade die er zonder het vertrouwen niet geweest zou zijn te vergoeden als onderdeel van diezelfde besluitvorming.

5.4.

Het is, kort samengevat, volgens dit stappenplan dus niet zo dat een bestuursorgaan als het UWV zijn toezeggingen altijd moet nakomen.

Over het telefoongesprek van 30 juni 2025

6. De rechtbank is het met het UWV eens dat de gemachtigde van eiseres wist of zelf redelijkerwijs behoorde te weten dat eiseres pas vanaf 5 september 2022 recht had op een Ziektewetuitkering. Tussen partijen is niet in geschil dat de zorgovereenkomst, en daarmee de dienstbetrekking tussen eiseres en haar moeder, pas op 4 september 2022 eindigde. Het bepaalde in artikel 29, tweede lid, onder c, van de Ziektewet staat in de weg aan een eerdere ingangsdatum. Eiseres stelt zich op het standpunt dat het UWV, als het niet van alle feiten op de hoogte is, ook geen toezegging moet doen. De rechtbank is het in zoverre met haar eens dat een bestuursorgaan onjuiste mededelingen zo veel mogelijk moet voorkomen. Maar daar staat tegenover dat niet iedere toezegging een gerechtvaardigde verwachting oplevert, zoals dat hier ook niet het geval is.

6.1.

Gelet op het voorgaande is een bespreking van stap 2 en 3 niet aan de orde bij de toezegging van 30 juni 2025.

Over het telefoongesprek van 2 september 2025

7. Tussen partijen is niet in geschil dat bij het telefoongesprek van 2 september 2025 wel wordt voldaan aan de voorwaarden in stap 1 en stap 2. Partijen verschillen van mening over de toepassing van stap 3, de belangenafweging.

Wat weegt niet mee bij de belangenafweging?

8. Voor eiseres is belangrijk dat het UWV al vóór het telefoongesprek van 2 september 2025 een afweging heeft gemaakt over de toepassing van de wet en dat het daarbij op de hoogte was van alle feiten en omstandigheden. Zij stelt zich op het standpunt dat het UWV dan niet opnieuw alles mag afwegen en dan mag terugkomen op een toezegging. De rechtbank volgt haar hierin niet. Duidelijk is dat sprake was van een welbewust standpunt bij de medewerker van het UWV toen zij de toezegging deed. Dat heeft er toe geleid dat de toezegging tot een gerechtvaardigde verwachting heeft geleid en dat de toezegging aan het UWV kon worden toegerekend. Met andere woorden: aan de voorwaarden in stap 1 en 2 is voldaan. Bij de beoordeling van stap 3 speelt dit naar het oordeel van de rechtbank echter geen rol: bij de daar te verrichten belangenafweging gaat het veelal juist om de gevolgen van het al dan niet nakomen van een toezegging voor partijen of derden, en niet om de omstandigheden waaronder een toezegging tot stand komt.

8.1.

Het UWV stelt zich op het standpunt dat in de belangenafweging moet meespelen dat eiseres pas in oktober 2024 een Ziektewetuitkering heeft aangevraagd. Als zij zich al in augustus 2021 ziek had gemeld, dan was deze situatie mogelijk niet ontstaan. De rechtbank volgt het UWV hierin niet. Dit gaat niet over de gevolgen van het al dan niet nakomen van een toezegging. De rechtbank kan overigens ook niet vaststellen of een gelijke situatie dan wel of niet was ontstaan. Het valt in ieder geval niet uit te sluiten dat het UWV ook dan een toezegging zou hebben gedaan. Wat het UWV hier aanvoert, valt buiten de belangenafweging.

8.2.

Dit geldt ook voor de stelling van het UWV dat eiseres in de periode van 20 augustus 2021 tot 5 september 2022 mogelijk recht op loon heeft. Eiseres heeft hier tegen in gebracht dat zij de SVB al zonder succes heeft verzocht om uitbetaling van loon. De SVB heeft eiseres doorverwezen naar de (toenmalige) gemachtigde van de moeder van eiseres, [naam 4] (haar zus). Eiseres heeft haar zus benaderd, maar deze heeft meegedeeld dat zij de SVB niet zal verzoeken om loonbetaling. Het UWV wijst op de mogelijkheid van het instellen van een loonvordering. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het UWV echter niet aannemelijk gemaakt dat deze een redelijke kans op succes zou hebben of zou hebben gehad. Op de zitting is namens het UWV ook erkend dat dit gelet op het tijdsverloop niet realistisch is.

En wat weegt wel mee?

9. De rechtbank is niet gebleken dat de belangen van derden kunnen worden geschaad als het UWV uitvoering zou geven aan de toezegging. Het UWV stelt dat de kans bestaat dat de erfgenamen van de moeder van eiseres worden geconfronteerd met een naheffing door de Belastingdienst. De enkele kans daarop is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende om te kunnen spreken van een concreet te schaden belang.

9.1.

Het UWV brengt wel terecht naar voren dat het vrij snel na de toezegging van 2 september 2025 op 4 september 2025 contact heeft opgenomen met de gemachtigde van eiseres en op de toezegging is teruggekomen. Vast staat dat de gemachtigde eiseres op dat moment nog niet op de hoogte heeft gesteld van de toezegging. In het verlengde hiervan heeft eiseres in de tussentijd (uiteraard) geen handelingen verricht die schade hebben doen ontstaan.

9.2.

Het UWV brengt ook terecht naar voren dat eiseres op grond van de Ziektewet in de periode van 20 september 2021 tot 5 september 2022 geen recht op een uitkering heeft. De betreffende bepaling in de Ziektewet is dwingend en biedt daarvoor geen enkele ruimte.

9.3.

Verder brengt het UWV terecht naar voren dat de periode als genoemd onder 9.2 niet kort is en dat daarmee ook geen klein bedrag aan uitkering gemoeid is, integendeel juist. Op de tweede zitting heeft de gemachtigde van eiseres meegedeeld dat het om een bedrag van ongeveer € 25.000 bruto gaat. Dit is naar het oordeel van de rechtbank een aanzienlijk bedrag aan gemeenschapsgeld.

9.4.

Vast staat dat eiseres over een ruime periode geen Ziektewetuitkering ontvangt als de toezegging niet wordt nagekomen. Anderzijds is de rechtbank ook niet gebleken dat dit tot onaanvaardbare gevolgen voor haar heeft geleid of nog zou kunnen leiden. Op de eerste zitting is gebleken dat zij in de periode van 20 augustus 2021 tot 5 september 2022 werd onderhouden door haar echtgenoot. Al met al weegt het nadeel van eiseres naar het oordeel van de rechtbank niet op tegen de onder 9.1 tot en met 9.3 genoemde belangen van het UWV.

Tot slot

10. De gang van zaken vóór het bestreden besluit verdient naar het oordeel van de rechtbank geen schoonheidsprijs. Het UWV heeft daarvoor terecht zijn excuses aangeboden. Eiseres is begrijpelijkerwijs ook teleurgesteld dat de toezeggingen niet worden nagekomen. Dit neemt echter niet weg dat er ook andere belangen zijn, die moeten worden meegewogen. Deze belangenafweging leidt tot de conclusie dat het vertrouwensbeginsel niet geschonden is.

Conclusie en gevolgen

11. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt en dat eiseres pas vanaf 5 september 2022 recht op een Ziektewetuitkering heeft. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten. Ook is er geen aanleiding om het UWV te veroordelen tot vergoeding van schade in de vorm van wettelijke rente.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Woestenburg, rechter, in aanwezigheid van

mr. A. Bijleveld, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 18 september 2026.

griffierrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.