Uitspraak · Omgevingsrecht
Rechtbank Oost-Brabant, 7 augustus 2026
ECLI:NL:RBOBR:2026:5602Zaaknummer 26/1138 en 26/1453
- Instantie
- Rechtbank Oost-Brabant
- Datum uitspraak
- 7 augustus 2026
- Publicatiedatum
- 7 augustus 2026
- Zaaknummer
- 26/1138 en 26/1453
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht, Omgevingsrecht
- Procedure
- Voorlopige voorziening
- Zittingsplaats
- 's-Hertogenbosch
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Afwijzing voorlopige voorziening hangende beroep omdat al in hoofdzaak is beslist (zie ECLI:NL:RBOBR:2026:5624). Wel proceskostenveroordeling.
Beslissing
De voorzieningenrechter:
- wijst de verzoeken om voorlopige voorzieningen af;
- bepaalt dat het college en de burgemeester het griffierecht van € 200,- aan de buren moeten vergoeden.
- bepaalt dat het college en de burgemeester het griffierecht van € 397,- aan de vergunninghoudster moeten vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. O.Y. Ifzaren, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. I.M.C. van Og, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 7 augustus 2026.
| de griffier is verhinderd om deze uitspraak te ondertekenen | voorzieningenrechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK OOST-BRABANT
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummers: SHE 26/1138 en SHE 26/1453
uitspraak van de voorzieningenrechter van 7 augustus 2026 in de zaken tussen
[verzoekers], uit [plaatsnaam], verzoekers in de zaak SHE 26/1138, derde partij in de zaak SHE 26/1453 (de buren),
(gemachtigde: mr. H.A. Pasveer),
en
[naam hotel] v.o.f. te [plaatsnaam], derde partij in de zaak SHE 26/1138, verzoekster in de zaak SHE 26/1453 (de vergunninghoudster),
(gemachtigde: mr. H.G.M. van der Westen)
en
1. het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Meierijstad, het college
2. de burgemeester van de gemeente Meierijstad, de burgemeester
(gemachtigden: drs. W. Vermeulen en mr. D. Kara).
Waar gaat deze zaak over?
1. De vergunninghoudster exploiteert een hotel in [plaatsnaam]. De buren wonen naast het hotel. De achtertuinen van het hotel en de buren zijn naast elkaar gelegen op een binnenplaats die volledig is omsloten door gevels.
Omdat de vergunninghoudster niet-hotelbezoekers gebruik wilde laten maken van het restaurant en dit nog niet was toegestaan, heeft zij hiertoe strekkende aanvragen ingediend bij het college en bij de burgemeester. Met het besluit van 28 augustus 2024 heeft het college een omgevingsvergunning voor het verruimen van gebruiksmogelijkheden verleend. Op 3 oktober 2024 heeft de burgemeester de geldende exploitatievergunning van 31 mei 2023 gewijzigd om het voorgenomen gebruik te faciliteren.
De buren hebben bezwaar gemaakt tegen deze besluiten. Het college en de burgemeester hebben samen één beslissing op bezwaar genomen op 23 februari 2026, dat is hersteld op 12 maart 2026. In dit besluit hebben het college en de burgemeester de besluiten van 28 augustus 2024 (omgevingsvergunning) en 3 oktober 2024 (exploitatievergunning) gewijzigd door er voorschriften aan toe te voegen. Voor het overige hebben het college en de burgemeester de besluiten gehandhaafd.
De buren en de vergunninghoudster hebben beroep ingesteld tegen de beslissing op bezwaar. Zij hebben ook de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening verzocht.
De verzoeken zijn gelijktijdig op 24 juli 2026 op zitting behandeld. Op deze zitting zijn ook de bodemzaken behandeld. Dit zijn de zaken SHE 26/789 en 26/995. In deze zaken wordt vandaag ook uitspraak gedaan.
Verder heeft de rechtbank op deze zitting de zaak SHE 26/1851 behandeld. In deze zaak hebben de buren verzocht om een voorlopige voorziening hangende hun bezwaar tegen een omgevingsvergunning ten behoeve van de verhoging van de erfafscheiding tussen de tuinen. Ook in deze zaak wordt vandaag uitspraak gedaan.
Aan de zitting hebben deelgenomen: de buren met hun gemachtigde, [naam] (vennoot van de vergunninghoudster) met haar gemachtigde, de gemachtigden van het college en A. van den Meerendonk (akoestisch deskundige van de Omgevingsdienst Brabant-Noord).
Beoordeling door de voorzieningenrechter
2. De punten die door de buren en de vergunninghoudster in deze zaken worden opgeworpen, komen inhoudelijk volledig overeen met de punten die in de bodemzaken aan de orde zijn geweest. In de bodemzaken heeft de rechtbank uitspraak gedaan. In deze uitspraak vernietigt de rechtbank het bestreden besluit en treft de rechtbank een voorziening met betrekking tot het gebruik van het buitenterras van het hotel. De rechtbank beslist in deze uitspraak dus ten gronde op de geschilpunten die door de buren en de vergunninghoudster in deze voorlopige voorziening-procedures zijn opgeworpen. Daarom hoeft de voorzieningenrechter niet langer op de verzoeken van de buren en de vergunninghoudster te beslissen.
Conclusie en gevolgen
3. De voorzieningenrechter wijst de verzoeken dus af. De voorzieningenrechter ziet wel aanleiding te bepalen dat het college en de burgemeester het griffierecht aan de buren en de vergunninghoudster moeten vergoeden. Uit de uitspraak in de bodemzaken volgt namelijk dat de beroepen van beide partijen gegrond zijn en dus dat zij in redelijkheid hebben kunnen verzoeken om een voorlopige voorziening. Dat hun verzoeken nu worden afgewezen, komt alleen omdat de rechtbank al uitspraak heeft gedaan in de bodemzaken.
Omdat de beroepsgronden in de bodemzaken geheel overlappen met de gronden die zijn aangevoerd in deze voorlopige voorziening-procedure en in de bodemzaken reeds proceskostenveroordelingen zijn uitgesproken, ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om ook ten aanzien van de voorlopige voorziening-procedures een proceskostenveroordeling uit te spreken.
Beslissing
De voorzieningenrechter:
- wijst de verzoeken om voorlopige voorzieningen af;
- bepaalt dat het college en de burgemeester het griffierecht van € 200,- aan de buren moeten vergoeden.
- bepaalt dat het college en de burgemeester het griffierecht van € 397,- aan de vergunninghoudster moeten vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. O.Y. Ifzaren, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. I.M.C. van Og, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 7 augustus 2026.
| de griffier is verhinderd om deze uitspraak te ondertekenen | voorzieningenrechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.