Uitspraak · Civiel recht

Rechtbank Oost-Brabant, 9 juli 2026

ECLI:NL:RBOBR:2026:5061Zaaknummer 10776507_T09072026

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
9 juli 2026
Publicatiedatum
14 augustus 2026
Zaaknummer
10776507_T09072026
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig, Tussenuitspraak
Zittingsplaats
Eindhoven
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Vierde tussenvonnis in omvangrijke huurzaak (vochtoverlast en lekkages in gehuurde bedrijfsruimte en woonruimte): verzoek aanvullend voorschot deskundige. Vervolg op: ECLI:NL:RBOBR:2025:3583, ECLI:NL:RBOBR:2025:6764 en ECLI:NL:RBOBR:2026:859.

3 De beslissing

De kantonrechter:

het aanvullend voorschot

3.1.

stelt de hoogte van het aanvullend voorschot op de kosten van de deskundige vast op € 2.000,00 (inclusief btw),

3.2.

bepaalt dat partijen ieder de helft van het aanvullend voorschot moeten overmaken binnen twee weken na de datum van de nog te ontvangen nota met betaalinstructies van het Landelijk Dienstencentrum voor de Rechtspraak,

3.3.

draagt de griffier op om de deskundige onmiddellijk in kennis te stellen van de betaling van het voorschot,

het schriftelijk rapport

3.4.

draagt de deskundige op om uiterlijk drie maanden na het schriftelijk bericht van de griffier over de betaling van het voorschot een schriftelijk en ondertekend rapport in drievoud ter griffie van de kantonrechter in te leveren, met een gespecificeerde declaratie,

overige bepalingen

3.5.

bepaalt dat de zaak op de rol zal komen van donderdag 1 oktober 2026,

3.6.

draagt de griffier op om de zaak op een eerdere rol te plaatsen:

- als het voorschot niet binnen de daarvoor bepaalde (eventueel verlengde) termijn is ontvangen: voor akte uitlating voortprocederen van beide partijen op een termijn van twee weken of

- na ontvangst ter griffie van het rapport: voor conclusie na deskundigenbericht van [eiser] op een termijn van vier weken,

3.7.

verwijst voor het overige naar de beslissingen in de tussenvonnissen in deze zaak van 19 juni 2025, 16 oktober 2025 en 22 januari 2026,

3.8.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. B.C.W. Geurtsen-van Eeden, en ondertekend en in het openbaar uitgesproken door mr. J.J.A. Donkersloot op 9 juli 2026.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. 1 Het vervolg van de procedure
  2. 2 De verdere beoordeling in conventie en reconventie
  3. 3 De beslissing

RECHTBANK OOST-BRABANT

Civiel recht, kantonrechter, zittingsplaats Eindhoven

Vonnis van 9 juli 2026

in de (gevoegde) zaak met zaaknummer 10776507 CV EXPL 23-6614: [_4e4047b5-763c-4609-9a2b-59d4e5fdc844]

[eiser],

wonende in [plaats],

eisende partij in conventie,

verwerende partij in reconventie,

gemachtigde: mr. T.F.M. Wijgergans,

tegen

[gedaagde],

wonende in [plaats],

gedaagde partij in conventie,

eisende partij in reconventie,

gemachtigde: mr. F.P.G.F. de Moel.

[eiser] wordt hierna genoemd: verhuurder.

[gedaagde] wordt verder aangeduid als: huurder.

1 Het vervolg van de procedure

1.1.

Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:

  • het tussenvonnis van 22 januari 2026 en de daarin genoemde processtukken,
  • de e-mail van 13 april 2026 van de deskundige, waarin de deskundige om een aanvullend voorschot vraagt,
  • de e-mails van 28 april 2026 van de gemachtigden van verhuurder en huurder, waarin zij verzoeken om de zaak (eerst) vier weken aan te houden zodat onderzocht kan worden of alsnog een minnelijke regeling kan worden bereikt,
  • e e-mail van 28 mei 2026 van de gemachtigde van verhuurder, waarin is vermeld dat het niet is gelukt om een oplossing te bereiken voor dit geschil en waarin staat dat beide partijen bezwaar maken tegen de gevraagde verhoging van het voorschot,
  • de e-mail van 25 juni 2026 van de griffier aan de deskundige, waarin een nadere specificatie en toelichting is gevraagd over het aanvullend voorschot,
  • de e-mail van 1 juli 2026 van de deskundige aan de griffier, waarin is gereageerd op de hiervoor genoemde e-mail.
1.2

Daarna is bepaald dat vonnis wordt gewezen.

2 De verdere beoordeling in conventie en reconventie

Inleiding

2.1.

In het (derde) tussenvonnis van 22 januari 2026 is D. Griek, verbonden aan Humida, benoemd tot deskundige. Verder is toen de hoogte van het voorschot van de kosten van de deskundige vastgesteld op € 2.450,25 (inclusief btw).

2.2.

In dit (vierde) tussenvonnis van 9 juli 2026 wordt een beslissing gegeven over het door de deskundige gevraagde aanvullend voorschot van de kosten.

Verzoek aanvullend voorschot

2.3.

Op 13 april 2026 is namens de deskundige de volgende e-mail aan de rechtbank gestuurd:

“Beste

Mijn collega is vorige week [toevoeging kantonrechter: 3 april 2026] ter plaatse geweest en heeft het nodige vastgesteld.

Gezien de ernst, hoeveelheid en grootte van de problematiek, en gezien de enorme hoeveelheid aangeleverde stukken, wens ik een budgetverhoging aan te vragen.

Wij verwachten ook een uitgebreide reactie op het conceptrapport van de partijen.

Een verhoging van 25 uur aan € 125 per uur (= € 3.125,00 excl. 21% btw) is benodigd.

Ook een uitstel van 3 maanden is aangewezen.

Dit verlegt de deadline naar 22 juli 2026.”

2.4.

Naar aanleiding van deze e-mail hebben de gemachtigden van verhuurder en huurder (gezamenlijk) bezwaar gemaakt tegen het gevraagde aanvullend voorschot. Eén van de bezwaren is dat de deskundige in de optiek van de gemachtigden van partijen niet het volledige procesdossier hoeft te lezen, maar kan volstaan met het lezen van de vonnissen.

2.5.

Vervolgens heeft de griffier aan de deskundige gevraagd om een nadere specificatie van het verzochte aanvullende voorschot, en dan met name qua benodigde uren. Hierop heeft de deskundige een (korte) toelichting per mail gegeven.

2.6.

De kantonrechter overweegt als volgt.

2.7.

Uit het verzoek tot het aanvullende voorschot en de daarna gegeven (beknopte) nadere toelichting, die neerkomt op een herhaling van de in de e-mail van 13 april 2026 opgenomen redenen, kunnen in de kern genomen drie redenen worden afgeleid waarom de deskundige heeft verzocht om vaststelling van een aanvullend, en dus hoger, voorschot.

2.8.

De eerste reden ziet op de aard en omvang van de bij de bezichtiging waargenomen problematiek, die (zo begrijpt de kantonrechter) een nauwkeurigere inschatting mogelijk maakt van de werkzaamheden voor de deskundige. De kantonrechter kan de deskundige volgen op dit punt en ziet daarin een reden om over te gaan tot een (gedeeltelijke) verhoging van het voorschot. Hierbij heeft de kantonrechter in aanmerking genomen dat het aanvankelijk gevraagde voorschot van € 2.450,25 haar vrij bescheiden voorkwam. Aannemelijk is dat de deskundige zijn aanvankelijke begroting van de kosten heeft gebaseerd op een te rooskleurige inschatting van de problematiek. Inmiddels is er een bezichtiging geweest, waarbij de deskundige zich een reëler beeld heeft kunnen vormen van de problematiek.

2.9.

De tweede reden die is genoemd ter onderbouwing van een kostenverhoging is het omvangrijke procesdossier dat inmiddels is ontstaan. De kantonrechter ziet hierin geen reden om het voorschot te verhogen. Voor het beantwoorden van de vragen die aan de deskundige zijn voorgelegd, is het lezen van het volledige procesdossier niet noodzakelijk. Het is voldoende als de deskundige de vrij uitvoerige (tussen)vonnissen bestudeert.

2.10.

De derde reden om te vragen om een verhoging van het voorschot is gelegen in de veronderstelling dat de gemachtigden van partijen een uitgebreide reactie op het conceptrapport van de deskundige zullen geven. Deze veronderstelling is kennelijk mede ingegeven door de houding van de gemachtigden tijdens het deskundigenonderzoek op 3 april 2026. De kantonrechter ziet geen aanleiding om op voorhand al tot een budgetverhoging over te gaan op basis van louter aannames van de deskundige over omstandigheden die zich nog niet hebben voorgedaan en waarvan onzeker is of deze zich überhaupt gaan voordoen en in welke mate. Mocht de veronderstelling zich te zijner tijd verwezenlijken, dan staat het de deskundige uiteraard vrij om zich opnieuw tot de kantonrechter te wenden en te vragen om een aanvullend voorschot (voorzien van een deugdelijke urenspecificatie met toelichting).

2.11.

De conclusie is dat het verzoek van de deskundige deels toewijsbaar is. Al met al is de kantonrechter van oordeel dat een aanvullend voorschot van € 2.000,00 inclusief btw (16 uur x € 125 per uur) op zijn plaats is, gelet op de aard en de omvang van de voorliggende vochtproblematiek. Dat maakt dat het totale voorschot van de kosten van de deskundige op dit moment uitkomt op € 4.450,25 (€ 2.450,25 + € 2.000,00). In het (tweede) tussenvonnis van 16 oktober 2025 is al bepaald dat het voorschot van de deskundige gelijk moet worden verdeeld, dus dat 50% voor rekening komt van verhuurder en 50% voor rekening van huurder. Omdat partijen elk al de helft van het aanvankelijke voorschot van € 2.450,25 hebben voldaan, moeten zij nu alleen de helft van het aanvullende voorschot betalen, dus ieder € 1.000,00.

En verder

2.12.

Partijen zullen, nadat het (definitieve) schriftelijk rapport van het deskundigenonderzoek is ingeleverd, zich over het deskundigenonderzoek mogen uitlaten.

2.13.

Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

3 De beslissing

De kantonrechter:

het aanvullend voorschot

3.1.

stelt de hoogte van het aanvullend voorschot op de kosten van de deskundige vast op € 2.000,00 (inclusief btw),

3.2.

bepaalt dat partijen ieder de helft van het aanvullend voorschot moeten overmaken binnen twee weken na de datum van de nog te ontvangen nota met betaalinstructies van het Landelijk Dienstencentrum voor de Rechtspraak,

3.3.

draagt de griffier op om de deskundige onmiddellijk in kennis te stellen van de betaling van het voorschot,

het schriftelijk rapport

3.4.

draagt de deskundige op om uiterlijk drie maanden na het schriftelijk bericht van de griffier over de betaling van het voorschot een schriftelijk en ondertekend rapport in drievoud ter griffie van de kantonrechter in te leveren, met een gespecificeerde declaratie,

overige bepalingen

3.5.

bepaalt dat de zaak op de rol zal komen van donderdag 1 oktober 2026,

3.6.

draagt de griffier op om de zaak op een eerdere rol te plaatsen:

- als het voorschot niet binnen de daarvoor bepaalde (eventueel verlengde) termijn is ontvangen: voor akte uitlating voortprocederen van beide partijen op een termijn van twee weken of

- na ontvangst ter griffie van het rapport: voor conclusie na deskundigenbericht van [eiser] op een termijn van vier weken,

3.7.

verwijst voor het overige naar de beslissingen in de tussenvonnissen in deze zaak van 19 juni 2025, 16 oktober 2025 en 22 januari 2026,

3.8.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. B.C.W. Geurtsen-van Eeden, en ondertekend en in het openbaar uitgesproken door mr. J.J.A. Donkersloot op 9 juli 2026.

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.