Uitspraak · Personen- en familierecht

Rechtbank Noord-Nederland, 28 oktober 2026

ECLI:NL:RBNNE:2026:4603Zaaknummer C/18/256747

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
28 oktober 2026
Publicatiedatum
29 oktober 2026
Zaaknummer
C/18/256747
Rechtsgebied
Civiel recht, Personen- en familierecht
Procedure
Beschikking
Zittingsplaats
Groningen
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Verzoek wijziging hoofdverblijf voor verblijf van veertienjarige jongen bij de vader in het buitenland. Verzoek wordt afgewezen gelet op de ex-partner strijd tussen de ouders die heeft geleid tot een complexe gezinssituatie. Wijziging hoofdverblijf leidt onder meer tot het risico dat het contact met moeder en zus definitief wordt verbroken. De wens van de jongen om in het buitenland bij zijn vader te wonen moet worden beschouwd in het licht van het vermoedelijke loyaliteitsconflict waaruit ontsnapping wordt gezocht.

De rechtbank:

3.1.

wijst alle verzoeken af.

3.2.

compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door mr. S. Dijkstra, voorzitter, en mr. L. Mulder en mr. N. Meesters-van Luijk (kinder)rechters, bijgestaan door de griffier en in het openbaar uitgesproken en door de rolrechter ondertekend op 28 oktober 2026.
Voor zover in deze beschikking een of meer eindbeslissingen zijn opgenomen, kan tegen deze beschikking hoger beroep worden ingesteld door een advocaat bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden: - door verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak; - door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

fn: BV

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. 1 Het procesverloop
  2. 2 De (verdere) beoordeling
  3. 3 De beslissing

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Privaatrecht

Locatie Groningen

zaak-/rekestnummers: C/18/256747 / FA RK 26-3337

beschikking van de meervoudige kamer van 28 oktober 2026

in de zaak van

[Naam van de vader],

wonende te [woonplaats 1], [land],

hierna ook te noemen: "de vader",

advocaat mr. S.J. Zeilstra, kantoorhoudende te Amsterdam,

en

[Naam van de moeder],

wonende te [woonplaats 2],

hierna ook te noemen: "de moeder",

advocaat mr. A. Muller, kantoorhoudende te Groningen,

die betrekking heeft op de minderjarige:

[Naam van de minderjarige],

geboren op [geboortedag] [geboortemaand] 2012 in [geboorteplaats],

hierna te noemen: " [de minderjarige] ".

De rechtbank merkt als belanghebbende aan:

De gecertificeerde instelling

Stichting Jeugdbescherming Noord en Veilig Thuis Groningen,

gevestigd in Groningen,

hierna ook te noemen: "de GI".

1 Het procesverloop

1.1.

De rechtbank heeft op 18 juni 2026 een uitspraak gedaan. Daarin heeft de rechtbank de verzoeken voor wat betreft de voorlopige voorziening afgewezen. In de bodemzaak is de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: "de Raad") verzocht een onderzoek in te stellen naar de vraag welke hoofdverblijfplaats het meest in het belang is van [de minderjarige] en op welke wijze de zorg- en opvoedingstaken tussen partijen moeten worden verdeeld. De rechtbank heeft de Raad verzocht in het bijzonder aandacht te besteden aan de impact die een eventuele verhuizing van [de minderjarige] naar [land] op hem zal hebben en de gevolgen van de grote fysieke afstand tussen de ouders voor de uitvoerbaarheid van de zorgregeling. Aan de Raad is verzocht hierover rapport en advies uit te brengen. Verder is de zaak verwezen naar de meervoudige kamer. Er is een nieuwe mondelinge behandeling bepaald op 7 september 2026.

1.2.

In de uitspraak van 18 juni 2026 heeft de rechtbank ook beslist dat [de minderjarige] voorlopig onder toezicht wordt gesteld van de GI, met ingang van 18 juni 2026 tot 18 september 2026.

1.3.

Op 12 augustus 2026 heeft de rechtbank een brief ontvangen van de vader.

1.4.

Op 19 augustus 2026 heeft de rechtbank het rapport van de Raad ontvangen.

1.5.

Op 27 augustus 2026 heeft de rechtbank een brief met bijlagen ontvangen van de moeder.

1.6.

Op 2 september 2026 heeft de rechtbank een brief met bijlagen ontvangen van de vader. In deze brief heeft de vader zijn verzoeken gewijzigd.

1.7.

Op 3 september 2026 heeft de rechtbank een brief ontvangen van de moeder.

1.8.

Op 4 september 2026 heeft de rechtbank een brief ontvangen van de vader.

1.9.

De rechtbank heeft de zaak mondeling behandeld op 7 september 2026. De zaak is gevoegd behandeld met de zaak over de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing, bij de rechtbank bekend onder zaak- en rekestnummer C/18/260466 / JE RK 26-1568. De rechtbank heeft tijdens de mondelinge behandeling gesproken met de vader, bijgestaan door zijn advocaat, de moeder, bijgestaan door haar advocaat, [naam 1] die de Raad vertegenwoordigt, en [naam 2] en [naam 3] die de GI vertegenwoordigen.

1.10.

[De minderjarige] is in de gelegenheid gesteld zijn mening te geven. Hij heeft de rechtbank twee brieven geschreven, die de rechtbank heeft ontvangen op 31 augustus 2026 en 2 september 2026. Daarnaast heeft [de minderjarige] op 2 september 2026 met de voorzitter van de meervoudige kamer gesproken.

1.11.

Na de mondelinge behandeling is bepaald dat de moeder de gelegenheid krijgt om schriftelijk te reageren op de producties 12 tot en met 20 die op 2 september 2026 zijn ingediend door de vader. Deze reactie van de moeder heeft de rechtbank ontvangen op 30 september 2026.

1.12.

Op 2 oktober 2026 heeft de rechtbank een brief ontvangen van de vader.

1.13.

Ten slotte is bepaald dat deze beschikking wordt gegeven.

2 De (verdere) beoordeling

Waar gaat het om in deze aangehouden zaak?

2.1.

De vader heeft bij brief van 2 september 2026 zijn verzoeken gewijzigd. Hij verzoekt de rechtbank om bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

Primair

I. te bepalen dat de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] met ingang van de datum beschikking wordt gewijzigd naar zijn vader in [plaats 1], [land];

II. vervangende toestemming te verlenen voor de inschrijving van [de minderjarige] op een passende school in [land], waaronder in ieder geval [schoolnaam 1], [schoolnaam 2] en [schoolnaam 3], afhankelijk van de beschikbaarheid, toelating en de concrete belangen van [de minderjarige] op het moment van plaatsing;

III. een zorg- en contactregeling tussen de moeder en [de minderjarige] vast te stellen zoals beschreven in alinea 56, dan wel zoals de rechtbank juist acht, waarbij rekening wordt gehouden met de internationale situatie en waarbij de band tussen moeder en zoon op structurele wijze wordt gewaarborgd;

IV. te bepalen dat de moeder gehouden is om binnen 24 uur na betekening van de beschikking alle reis- en identiteitsdocumenten van [de minderjarige], waaronder zijn paspoort en indien aanwezig identiteitskaart, zorgpas en overige voor hem benodigde officiële documenten, aan de vader af te geven, opdat de vader de beschikking heeft over deze documenten voor de verzorging, opvoeding, scholing en eventuele (internationale) reizen van [de minderjarige];

V. te bepalen dat de moeder, voor het geval zij niet meewerkt aan de onder IV. genoemde afgifte van de reis- en identiteitsdocumenten, aan de vader een dwangsom verbeurt van € 500,- voor iedere dag of gedeelte van een dag dat zij in gebreke blijft, met een maximum van € 25.000,-.;

VI. een bijzondere curator te benoemen voor [de minderjarige];

Subsidiair:

VII. in geval van voortgezette uithuisplaatsing bij de oudtante van [de minderjarige], vervangende toestemming te verlenen voor de inschrijving van [de minderjarige] op het [schoolnaam 4] te [plaats 2];

VIII. een bijzondere curator te benoemen voor [de minderjarige];

IX. vervangende toestemming voor vakantie gedurende kerst en oud en nieuw in [plaats 1], [land], van 19 december 2026 tot 3 januari 2027;

X. te bepalen dat de moeder gehouden is om binnen 24 uur na betekening van de beschikking alle reis- en identiteitsdocumenten van [de minderjarige], waaronder zijn paspoort en indien aanwezig identiteitskaart, zorgpas en overige voor hem benodigde officiële documenten, aan de pleegverzorger af te geven, opdat de pleegverzorger de beschikking heeft over deze documenten voor de verzorging, opvoeding, scholing en eventueel (internationale) reizen van [de minderjarige].

2.2.

De moeder voert verweer tegen de gewijzigde verzoeken van de vader en concludeert tot afwijzing van die verzoeken. Voor het overige persisteert zij in haar verzoeken, zoals zij die heeft gedaan in haar verweerschrift van 1 juni 2026. Daarin heeft zij verzocht te bepalen dat de vader gehouden is de zorg- en contactregeling, die door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden bij beschikking van 13 juni 2023 is vastgelegd, na te komen op straffe van een dwangsom. Daarnaast heeft de moeder verzocht de vader te veroordelen in de kosten van de procedure.

Wat volgt er uit het raadsrapport?

2.3.

De Raad is van mening dat een wijziging van de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] en een daarmee samenhangende verhuizing van [de minderjarige] naar [land], niet in zijn belang is. De Raad motiveert dit, samengevat weergegeven, als volgt.

2.4.

[De minderjarige] heeft op dit moment zijn moeder al een aantal maanden niet gezien. [De minderjarige] lijkt klem te zitten tussen zijn ouders. Volgens de Raad liggen de problemen met name in de complexe verstandhouding tussen de ouders en de spanningen die door de scheidingsproblematiek zijn ontstaan. Ook de verschillen in opvoedstijl tussen de ouders spelen een rol. [De minderjarige] is hierdoor in een loyaliteitsconflict geraakt.

2.5.

De Raad ziet geen reden waarom [de minderjarige] zijn hoofdverblijfplaats niet bij de moeder zou kunnen houden. Weliswaar is de relatie tussen de moeder en [de minderjarige] verstoord geraakt, maar de Raad ziet niet dusdanige onveiligheid in de opvoedomgeving dat wonen bij de moeder niet verantwoord is. De problemen die [de minderjarige] zegt te ervaren bij de moeder zijn volgens de Raad niet ongebruikelijk in de leeftijdsfase van [de minderjarige] en lijken te worden gevoed door de complexe verstandhoudingen in het gezin. Voor [de minderjarige] is het belangrijk dat de relatie met de moeder en ook met zijn zus weer wordt hersteld.

2.6.

Tijdens de mondelinge behandeling heeft de Raad aangegeven dat de situatie voor [de minderjarige] de afgelopen periode niet is verbeterd. Contactherstel met de moeder is nog niet van de grond gekomen. Als [de minderjarige] nu in [land] gaat wonen, wordt werken aan contactherstel met zijn moeder en zus erg moeilijk. De huidige hulpverlening, die naar de mening van de Raad nog moet worden aangevuld met systeemgerichte hulp, wordt dan onderbroken en het is maar de vraag of hulp op dezelfde wijze kan worden ingezet in [land]. De Raad vindt het aannemelijk dat een verhuizing van [de minderjarige] naar [land] zorgt voor nog meer verwijdering tussen [de minderjarige] en moeder en ook tussen [de minderjarige] en zijn zus. Er bestaat een risico dat de verwijdering uiteindelijk uitgroeit tot een definitieve breuk. Dit moet worden voorkomen. Zolang de relatie met de moeder en de zus nog kan worden hersteld, moet hierop actief worden ingezet.

2.7.

De Raad vindt [de minderjarige], gezien zijn leeftijd, onvoldoende in staat om de volledige gevolgen van een verhuizing naar [land] te overzien. De wens van [de minderjarige] moet serieus worden genomen, maar er moet ook worden gekeken naar de complexe scheidingsdynamiek en de benarde positie waarin [de minderjarige] zich bevindt.

2.8.

Voor nu vindt de Raad het voor [de minderjarige] het minst schadelijk dat hij bij oudtante vz blijft. Voorwaarde hierbij is wel dat de oudtante vz de komende tijd in Nederland blijft en niet verhuist naar [plaats 1]. Het moet nog blijken hoe de situatie zich verder ontwikkelt en of er ruimte komt voor contactherstel met de moeder. De Raad vindt het belangrijk dat er een herstelgesprek gaat plaatsvinden. Van daaruit moet verder worden bekeken wat nodig is om het contact tussen de moeder en [de minderjarige] weer goed te laten verlopen. Het is de vraag of [de minderjarige] bij de oudtante vz voldoende ruimte ervaart om weer positief contact aan te gaan met de moeder. Als dit niet het geval is, zal moeten worden gekeken naar een neutrale plek voor [de minderjarige].

2.9.

De Raad staat niet achter een schoolwijziging van [de minderjarige]. Het is nog niet duidelijk hoe de situatie zich de komende tijd zal ontwikkelen. School is op dit moment het enige dat stabiel is voor [de minderjarige]. Het is belangrijk dat dit zo blijft.

2.10.

Samenvattend adviseert de Raad de verzoeken van de vader af te wijzen en [de minderjarige] voorlopige bij oudtante vz te laten verblijven. Van daaruit moet, met inzet van hulpverlening, worden gewerkt aan contactherstel tussen de moeder en [de minderjarige].

Wat wil de vader?

2.11.

De vader is teleurgesteld in het advies van de Raad. Hij vindt het onbegrijpelijk dat een neutraal pleeggezin of een jeugdinstelling als optie wordt gezien voor [de minderjarige], terwijl [de minderjarige] ook bij de vader kan wonen. Sinds [de minderjarige] bij de oudtante vz (en de vader) verblijft, gaat het een stuk beter met [de minderjarige]. Hij ervaart meer rust en slaapt beter. Daarnaast is hij begonnen met sport en gitaarles.

2.12.

De Raad lijkt niet te zien dat [de minderjarige] emotioneel gebroken is en dat hij is bezweken onder de druk van de moeder. De Raad doet het voorkomen alsof sprake is van puberproblematiek die hoort bij de leeftijd. Dit doet echter op geen enkele manier recht aan de ervaringen en gevoelens van [de minderjarige]. De vader vindt dit kwalijk.

2.13.

De vader vindt het verder teleurstellend dat er na vier maanden ondertoezichtstelling niets van de grond is gekomen in de hulpverlening. Ondanks alle gebeurtenissen vindt de vader het belangrijk dat [de minderjarige] weer contact krijgt met de moeder. De vader heeft dit onder de aandacht gebracht van de GI, maar de GI vindt dat de vader met verkeerde intenties wil inzetten op contactherstel. Vervolgens is er op dit punt geen actie meer ondernomen.

2.14.

[De minderjarige] heeft zich in de gesprekken met de GI niet gehoord gevoeld. Hij heeft duidelijk aangegeven waar hij tegenaan loopt en waar hij last van heeft, maar hierin wordt hij niet serieus genomen. Tijdens de gesprekken had [de minderjarige] het gevoel dat hij een kant werd opgeduwd die hij niet wilde. Hierdoor heeft [de minderjarige] geen vertrouwen meer in de GI. Daarom vindt de vader het belangrijk dat voor [de minderjarige] een bijzondere curator of een kindbehartiger wordt benoemd, die [de minderjarige] kan begeleiden in het contact met de GI.

2.15.

De vader vindt het voor [de minderjarige] belangrijk dat hij rust, liefde en stabiliteit krijgt en dat hij met de juiste begeleiding alle gebeurtenissen kan verwerken. Ook moet er met de hulpverlening worden ingezet op contactherstel met de moeder. De vader vindt het niet nodig dat [de minderjarige] hiervoor in Nederland blijft. De noodzakelijke hulp en begeleiding is ook in [land] beschikbaar.

2.16.

Als de rechtbank van oordeel is dat [de minderjarige] op dit moment niet bij de vader kan wonen, dan wil de vader dat de beslissing over het hoofdverblijf wordt aangehouden. [De minderjarige] kan immers ook niet terug naar de moeder. Er is onvoldoende zicht op de opvoedsituatie bij de moeder en bovendien wil [de minderjarige] absoluut niet terug naar de moeder.

2.17.

Als [de minderjarige] de komende tijd bij de oudtante vz blijft, wil de vader graag dat [de minderjarige] wordt ingeschreven op een school in [plaats 2]. De reisafstand [plaats 2] - [plaats 3] is voor [de minderjarige] en de oudtante vz ingewikkeld. Als [de minderjarige] in [plaats 2] naar school gaat, kan hij lopend naar school. Daar komt bij dat [de minderjarige] zich op de school in [plaats 3] niet op zijn plek voelt. Hij wil graag in [plaats 2] een nieuwe start maken.

2.18.

Tot slot wil de vader graag toestemming om met [de minderjarige] kerst te vieren in [land]. Kerst is voor de vader en zijn partner erg belangrijk en de vader wil dit graag samen met [de minderjarige], zijn partner en de dochter van zijn partner vieren. Voor [de minderjarige] is het fijn om er even uit te zijn.

Wat wil de moeder?

2.19.

De moeder wil dat de verzoeken van de vader worden afgewezen. De moeder vindt het niet in het belang van [de minderjarige] dat hij in [plaats 1] gaat wonen. Zij vindt dat hij niet kan overzien wat een verhuizing naar [land] werkelijk zal betekenen. De moeder is bang dat als [de minderjarige] in [land] gaat wonen, zij geen onderdeel meer zal kunnen uitmaken van het leven van [de minderjarige].

2.20.

De ouders zijn inmiddels aangemeld bij KOEN voor het volgen van systeemgesprekken. De intake heeft onlangs plaatsgevonden. Nu de hulpverlening is opgestart, ziet de moeder niet de meerwaarde van een bijzondere curator of kindbehartiger voor [de minderjarige]. De moeder vindt het belangrijk dat de komende periode actief wordt gewerkt aan contactherstel. De moeder vraagt zich af of [de minderjarige] bij de oudtante vz voldoende ruimte krijgt om zich weer op een gezonde manier jegens de moeder te gaan verhouden. De vader en oudtante vz denken zeer negatief over de moeder en hierdoor krijgt [de minderjarige] niet de ruimte om uit zijn loyaliteitsconflict te komen. Daarom vindt de moeder het beter dat [de minderjarige] naar een neutrale plek gaat, zodat hij in alle rust de gebeurtenissen kan verwerken, zich een eigen mening kan vormen en van daaruit weer een band kan gaan opbouwen met zijn moeder en zus. De moeder heeft er wel grote moeite mee dat dit nodig is. Het liefst heeft zij [de minderjarige] weer bij zich thuis.

2.21.

De moeder maakt zich nog steeds grote zorgen over [de minderjarige]. De vader zegt dat het een stuk beter gaat met [de minderjarige], maar dit blijkt nergens uit. De moeder krijgt signalen dat [de minderjarige] al twee keer is ziekgemeld op school, dat hij uit de klas wordt gestuurd en dat hij zijn huiswerk niet maakt. De moeder vindt een schoolwijziging op dit moment voorbarig. Het is nog niet duidelijk hoe de situatie zich zal ontwikkelen en waar [de minderjarige] uiteindelijk terecht zal komen. [De minderjarige] heeft al de nodige wijzigingen voor de kiezen gekregen en er komt nog het nodige aan. Daar moet niet ook nog een schoolwijziging bij komen.

2.22.

De moeder staat niet achter een vakantie van [de minderjarige] naar [plaats 1] in december 2026. De moeder is er niet op tegen dat [de minderjarige] met de vader op vakantie gaat, maar zij wil niet dat hij naar [land] gaat. [land] is een land in oorlog en de moeder vindt dit niet veilig. Bovendien heeft de moeder er onvoldoende vertrouwen in dat [de minderjarige] na de vakantie weer terugkomt naar Nederland.

Wat wil [de minderjarige] ?

2.23.

[De minderjarige] wil bij de vader in [land] wonen. Hij heeft veel nare dingen meegemaakt bij de moeder. Zo mocht hij van de moeder geen vrij contact hebben met de vader. Er werd bij de moeder thuis negatief gesproken over de vader en [de minderjarige] werd ingezet in de strijd tegen de vader. De moeder geeft [de minderjarige] voortdurend het gevoel dat hij niet goed genoeg is. Hij wordt door de moeder en haar familie bestempeld als probleemkind. [De minderjarige] voelt zich door de moeder niet geliefd en krijgt voor zijn gevoel overal de schuld van. Volgens [de minderjarige] manipuleert en liegt zijn moeder voortdurend. [De minderjarige] werd eerder gedwongen medicatie voor ADHD in te nemen, terwijl hij dit niet wilde. De situatie bij de moeder was zodanig, dat [de minderjarige] suïcidale gedachten kreeg.

2.24.

Nu [de minderjarige] bij de vader verblijft, voelt hij zich veel beter. Hij is tot rust gekomen en heeft geen suïcidale gedachten meer. Door zijn vader en oudtante vz voelt hij zich gewaardeerd en geliefd. Daarom wil hij bij zijn vader wonen. Dat zijn vader in [plaats 1] woont, vindt [de minderjarige] geen probleem. [de minderjarige] heeft tot zijn zevende jaar in [land] gewoond en voelde zich daar thuis. [De minderjarige] meent dat hij zich in [land] gelukkiger zal voelen dan in Nederland. In Nederland wordt hij niet geaccepteerd zoals hij is. In [plaats 1] heeft hij dat gevoel nooit ervaren. Zolang [de minderjarige] nog bij de oudtante vz verblijft, wil hij graag wisselen van school. Hij wil naar [schoolnaam 4] in [plaats 2]. Hij kan dan lopend naar school en daar nieuwe vrienden maken.

Wat vindt de GI?

2.25.

De GI heeft goede gesprekken gehad met [de minderjarige]. De vader heeft nadien aangegeven dat [de minderjarige] zich niet gehoord en zelfs bedreigd zou hebben gevoeld tijdens de gesprekken. De GI herkent dit niet. De GI heeft de indruk dat [de minderjarige] klem zit tussen twee werelden. De ouders en de kinderen zijn aangemeld bij KOEN, voor systeemgesprekken. De GI hoopt dat zo spoedig mogelijk kan worden gestart met contactherstel tussen [de minderjarige] en de moeder.

Wat beslist de rechtbank?

2.26.

De rechtbank wijst de verzoeken van de ouders af. De rechtbank legt hierna uit waarom deze beslissing wordt genomen.

De wijziging van het hoofdverblijf

2.27.

Het rapport van de Raad bevestigt dat sprake is van een complexe gezinssituatie van gescheiden ouders die al jaren op gespannen voet met elkaar staan. De situatie is ontstaan dat [de minderjarige] al maanden geen contact meer heeft met zijn moeder, waarbij zijn houding naar haar toe steeds verder lijkt te verharden. Ook zijn verstandhouding met zijn zus is verder verslechterd. Uit het rapport komt het beeld naar voren dat sprake is van een voortdurende ouderlijke strijd waarbij de ouders tegenstrijdige verklaringen geven over wat er is gebeurd en naar elkaar wijzen als de oorzaak van de problemen. Beide ouders trekken daarbij aan [de minderjarige] vanuit de oprechte overtuiging dat zij weten wat in zijn belang is. De ouders staan recht tegenover elkaar waarbij [de minderjarige] zich nu in de beïnvloedingssfeer van zijn vader bevindt. Het is ten zeerste de vraag hoe vrij [de minderjarige] in deze situatie is om zich een eigen mening te vormen over de andere gezinsleden en om zijn verhouding met hen vorm te geven. Dat geldt ook voor een verhuizing naar [plaats 1].

2.28.

Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat een wijziging van het hoofdverblijf niet in [de minderjarige zijn] belang is. Dat verzoek wordt daarom afgewezen. De afwijzing van dit verzoek brengt met zich dat ook de overige primaire verzoeken van de vader omtrent de schoolinschrijving van [de minderjarige] in [plaats 1], de zorgregeling en de afgifte van reis- en identiteitsdocumenten worden afgewezen.

2.29.

Er wordt voorbij gegaan aan het verzoek van de vader om de beslissing op het verzoek aan te houden. Het is in het belang van [de minderjarige] dat er duidelijkheid komt over de verhuizing naar [plaats 1], zodat [de minderjarige] en de andere gezinsleden zich kunnen richten op het herstel van de onderlinge contacten.

2.30.

Feit is wel dat [de minderjarige] op dit moment niet terug kan naar de moeder. Alle betrokkenen zijn het erover eens dat dit niet in zijn belang is. [De minderjarige] zelf wil dit ook beslist niet. Het lijkt het meeste in het belang van [de minderjarige] dat hij voorlopig bij zijn oudtante vz verblijft en dat vanuit daar wordt gewerkt aan contactherstel. [De minderjarige] heeft ook aangegeven dat hij het bij haar naar zijn zin heeft. In de beschikking die vandaag over de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing wordt gegeven, (C/18/260466 / JE RK 26-1568) is een machtiging tot uithuisplaatsing in een netwerkpleeggezin verleend tot 18 september 2027. Hiermee wordt een verblijf van [de minderjarige] bij de oudtante vz mogelijk gemaakt.

2.31.

De rechtbank heeft bij deze beoordeling oog voor de leeftijd van [de minderjarige] en de door hem geuite wensen. De wensen worden echter slechts deels gevolgd, omdat die mening, zoals gezegd, onvoldoende vrij tot stand lijkt te zijn gekomen.

2.32.

Gelet op de huidige situatie, waarin [de minderjarige] bij de oudtante vz verblijft en hij (nog) niet terug kan naar de moeder, kan geen uitvoering worden gegeven aan de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken zoals vastgelegd in de beschikking van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 13 juni 2023. Het verzoek van de vrouw wordt op dit punt afgewezen.

De benoeming van een bijzondere curator

2.33.

De rechtbank is verder van oordeel dat, nu er hulpverlening is opgestart, er geen noodzaak bestaat voor het benoemen van een bijzondere curator of een kindbehartiger voor [de minderjarige]. Mocht het nodig zijn dat voor [de minderjarige] nadere individuele hulpverlening wordt ingezet, dan kan de GI dit in gang zetten.

De schoolwijziging

2.34.

De rechtbank vindt een schoolwijziging op dit moment niet in het belang van [de minderjarige]. [De minderjarige] verblijft tijdelijk bij zijn oudtante vz en er zou te sterk worden vooruitgelopen als de school nu zou worden gewijzigd, mede gelet op het feit dat is verklaard dat de oudtante vz dit jaar naar [plaats 1] wil verhuizen. Bovendien is de school van [de minderjarige] een van de weinige stabiele factoren in zijn leven. Het is belangrijk dat dit voorlopig zo blijft.

De vakantie naar [plaats 1] en afgifte van de reisdocumenten

2.35.

De rechtbank is tot slot van oordeel dat het niet in het belang is van [de minderjarige] om nu al te beslissen over een vakantie naar [plaats 1] in december 2026. Het is nu nog niet te voorspellen hoe de situatie, zowel die van [de minderjarige] als die in [land], in december 2026 zal zijn. Daarom wijst de rechtbank dit verzoek ook af. Dit brengt met zich dat ook het verzoek van de vader omtrent de afgifte van de reisdocumenten van [de minderjarige] wordt afgewezen.

De proceskosten

2.36.

De rechtbank zal de proceskosten tussen partijen compenseren in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. De rechtbank ziet geen aanleiding van dit uitgangspunt af te wijken.

2.37.

Een en ander brengt met zich dat de volgende beslissing wordt genomen.

3 De beslissing

De rechtbank:

3.1.

wijst alle verzoeken af.

3.2.

compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door mr. S. Dijkstra, voorzitter, en mr. L. Mulder en mr. N. Meesters-van Luijk (kinder)rechters, bijgestaan door de griffier en in het openbaar uitgesproken en door de rolrechter ondertekend op 28 oktober 2026.
Voor zover in deze beschikking een of meer eindbeslissingen zijn opgenomen, kan tegen deze beschikking hoger beroep worden ingesteld door een advocaat bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden: - door verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak; - door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

fn: BV

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.