Uitspraak · Materieel strafrecht
Rechtbank Noord-Nederland, 30 september 2026
ECLI:NL:RBNNE:2026:4375Zaaknummer 18-130624-25
- Instantie
- Rechtbank Noord-Nederland
- Datum uitspraak
- 30 september 2026
- Publicatiedatum
- 12 oktober 2026
- Zaaknummer
- 18-130624-25
- Rechtsgebied
- Strafrecht, Materieel strafrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - meervoudig, Op tegenspraak
- Zittingsplaats
- Groningen
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Ovar t.a.v. primair verkrachting van een minderjarige in de leeftijdscategorie van twaalf tot zestien jaren gelet op uitzondering 248 lid 3 Sr en vrijspraak t.a.v. subsidiair schuldverkrachting.
De rechtbank
Verklaart het primair ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.
Verklaart verdachte niet strafbaar voor het bewezenverklaarde en ontslaat verdachte van alle rechtsvervolging.
Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte subsidiair is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.
Bepaalt dat de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] niet-ontvankelijk is en dat deze slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.
Bepaalt dat [slachtoffer] haar eigen proceskosten draagt.
Dit vonnis is gewezen door mr. H.H. Kielman, voorzitter, mr. M.S. van der Kuijl en mr. H. de Ruijter, rechters, bijgestaan door mr. L.N. Dijkstra, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 30 september 2026.
Mr. L.N. Dijkstra is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Afdeling strafrecht
Locatie Groningen
parketnummer 18/130624-25
Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken
d.d. 30 september 2026 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 2006 te [geboorteplaats], wonende te [adres].
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 16 september 2026. Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. G.W. van der Zee, advocaat te Groningen.
Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. A.J. Kemkers.
Tenlastelegging
Aan verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:
hij in of omstreeks 8 augustus 2024 tot en met 9 augustus 2024, te Groningen, in ieder geval in Nederland,
met een kind in de leeftijd van twaalf tot zestien jaren, te weten [slachtoffer]
, een of meer seksuele handelingen die
bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam heeft verricht, te weten
het inbrengen en/of te houden van zijn, verdachtes, penis en/of vingers in de vagina van die [slachtoffer];
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 8 augustus 2024 tot en met 9 augustus 2024 te Groningen, in ieder geval in Nederland,
met een persoon, te weten [slachtoffer],
een of meer seksuele handelingen, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam, heeft verricht, te weten het inbrengen en/of te houden van zijn, verdachtes, penis en/of vingers in de vagina van die [slachtoffer]
terwijl hij, verdachte, wist, althans ernstige reden had om te vermoeden dat bij die [slachtoffer] daartoe de wil ontbrak.
Beoordeling van het bewijs
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor het primair ten laste gelegde.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw stelt zich op het standpunt dat het primair ten laste gelegde weliswaar wettig en overtuigend kan worden bewezen, maar dat verdachte niet strafbaar is omdat er sprake was van een gelijkwaardige verhouding tussen verdachte en [slachtoffer]. Volgens de raadsvrouw wordt daarmee reeds voorzien in de beoordeling van de vrijwilligheid, zodat aan het subsidiair ten laste gelegde niet wordt toegekomen.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank acht het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. Nu verdachte dit feit duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend (met uitzondering van zijn strafbaarheid), volstaat de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering.
Deze opgave luidt als volgt:
- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 16 september 2026;
- een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 22 augustus 2024, opgenomen op pagina 14 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2024216184 d.d. 23 april 2025, inhoudende de verklaring van [slachtoffer].
Met betrekking tot de hiervoor weergegeven standpunten overweegt de rechtbank het volgende.
De feiten en omstandigheden
De rechtbank stelt vast dat verdachte op 9 augustus 2024 in Groningen seks heeft gehad met aangeefster. Verdachte was op dat moment achttien jaar oud en aangeefster vijftien jaar oud. De seks vond plaats in de slaapkamer van verdachte in de woning van zijn ouders.
Verdachte heeft zowel bij de politie als ter zitting verklaard dat de seks vrijwillig plaatsvond. Hij heeft verklaard dat hij aan aangeefster heeft gevraagd of zij dit wilde, dat zij daarmee instemde en actief aan de seks deelnam.
Aangeefster heeft op 22 augustus 2024 aangifte gedaan van verkrachting. Zij heeft verklaard dat zij wilde slapen en dit tegen verdachte heeft gezegd. Vervolgens heeft verdachte seks met haar gehad. Aangeefster heeft daarbij aangegeven dat zij dit niet wilde en dat het pijn deed. Volgens haar is verdachte doorgegaan en in haar klaargekomen.
Overwegingen en oordeel
De rechtbank stelt op basis van de bewijsmiddelen vast dat verdachte op 9 augustus 2024 in Groningen seksuele handelingen met aangeefster heeft verricht, waarbij hij zijn penis in haar vagina heeft gebracht. Daarmee acht de rechtbank het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.
Het primair ten laste gelegde leidt echter niet tot een veroordeling. De rechtbank komt hieronder, bij de beoordeling of verdachte ook strafbaar is voor dit feit (zie kopje strafbaarheid verdachte), tot het oordeel dat zij niet buiten redelijke twijfel kan vaststellen dat de bewezenverklaarde seksuele handelingen tegen de wil van aangeefster hebben plaatsgevonden. De rechtbank zal daarom verdachte van het subsidiair ten laste gelegde vrijspreken.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:
hij op 9 augustus 2024, te Groningen, met een kind in de leeftijd van twaalf tot zestien jaren, te weten [slachtoffer], een of meer seksuele handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam heeft verricht, te weten het inbrengen en houden van zijn, verdachtes, penis in de vagina van die [slachtoffer].
Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in artikel 248 van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het bewezen verklaarde levert op:
primair. verkrachting in de leeftijdscategorie van twaalf tot zestien jaren
Strafbaarheid van verdachte
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de uitzonderingssituatie van artikel 248, derde lid, Sr van toepassing is. Daartoe heeft zij aangevoerd dat verdachte en aangeefster beiden instemden met de seks en dat sprake was van een gelijkwaardige situatie. Zij heeft daarbij gewezen op het beperkte leeftijdsverschil tussen verdachte en aangeefster, hun vergelijkbare opleidingsniveau en het feit dat beiden reeds seksuele ervaring hadden. Volgens de raadsvrouw is verdachte daarom niet strafbaar.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte strafbaar is. Volgens haar is de uitzonderingssituatie van artikel 248, derde lid, Sr niet van toepassing. Aangeefster heeft niet ingestemd met het seksuele contact. Daarom was geen sprake van een gelijkwaardige situatie. De officier van justitie gaat daarbij uit van de verklaring van aangeefster. Deze vindt volgens haar steun in de overige verklaringen in het dossier en de Snapchat-berichten tussen aangeefster en verdachte. De officier van justitie heeft daarbij gewezen op de verklaringen van de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] over de emotionele toestand van aangeefster. Getuige [getuige 1] heeft daarnaast verklaard dat verdachte die ochtend gespannen op haar overkwam. Uit de Snapchat-berichten tussen verdachte en aangeefster blijkt bovendien dat verdachte daarin aangeefster niet weerspreekt als ze hem verwijt zich te hebben
opgedrongen en niets zegt over actieve deelname van aangeefster aan de seks.
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 24 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren.
Oordeel van de rechtbank
De uitzonderingssituatie van artikel 248, derde lid, Sr is van toepassing indien seksuele handelingen tussen leeftijdsgenoten plaatsvinden in het kader van een gelijkwaardige situatie. In dat geval is de verdachte niet strafbaar. Of sprake is van een gelijkwaardige situatie, moet worden beoordeeld aan de hand van de specifieke omstandigheden van het geval. Daarbij kunnen onder meer het leeftijdsverschil, de vrijwilligheid van het seksuele contact, het al dan niet bestaan van een (seksuele) relatie en de aard van de seksuele handelingen een rol spelen. Bij de beoordeling van het leeftijdsverschil zijn ook het cognitieve en seksuele ontwikkelingsniveau en de levensfase van belang (Kamerstukken II 2022/23, 36 222, nr. 3, p. 96).
Verdachte was ten tijde van de seksuele handelingen net achttien jaar oud en net geslaagd voor zijn VWO eindexamen. Aangeefster was bijna zestien en zou beginnen aan het examenjaar van de HAVO. Het leeftijdsverschil van iets meer dan twee jaar is naar het oordeel van de rechtbank gering te noemen.
Verdachte en aangeefster bevonden zich in dezelfde levensfase, hadden een vergelijkbaar ontwikkelingsniveau en waren in vergelijkbare mate seksueel ervaren.
Verdachte en aangeefster kenden elkaar uit een gezamenlijke vriendenkring. Zij kwamen elkaar die avond in een uitgaansgelegenheid tegen en hebben daar met instemming gezoend. Uit de verklaring van getuige [getuige 1] volgt dat aangeefster die avond veelvuldig in de nabijheid van verdachte was. Zij is vervolgens vrijwillig met verdachte meegegaan naar zijn slaapkamer en bij hem in bed gaan liggen, terwijl zij ook in de logeerkamer had kunnen slapen.
Ten aanzien van de vrijwilligheid van de seksuele handelingen staan de verklaringen van verdachte en aangeefster lijnrecht tegenover elkaar. Aangeefster heeft verklaard dat zij geen seks wilde en dit aan verdachte kenbaar heeft gemaakt. Zij heeft verklaard dat zij vervolgens verstijfde en daarom niet is weggegaan. Verdachte heeft verklaard dat sprake was van wederzijdse instemming en dat aangeefster actief aan de seksuele handelingen deelnam en daarin zelfs de leiding nam.
De rechtbank ziet, anders dan de officier van justitie, in het dossier onvoldoende steunbewijs voor het onvrijwillige karakter van de seksuele handelingen, zoals beschreven in de aangifte. Aangeefster heeft kort na het incident aan de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] verteld dat zij was verkracht en was daarbij emotioneel. De bij aangeefster waargenomen emoties zouden enerzijds kunnen passen bij haar lezing van het gebeurde, maar anderzijds ook bij het scenario dat ze spijt had van haar eerder die nacht gemaakte keuzes. Zij bieden daarom op zichzelf onvoldoende steun voor haar verklaring dat de seks met verdachte onvrijwillig was. Ook de verklaring van getuige [getuige 1] dat verdachte die ochtend gespannen op haar overkwam, biedt daarvoor onvoldoende steun.
De Snapchat-berichten die aangeefster en verdachte elkaar later op dezelfde ochtend hebben gestuurd bieden evenmin voldoende steun voor de verklaring van aangeefster. De inhoud van deze berichten kan zowel passen bij haar verklaring als bij die van verdachte. Verdachte heeft verklaard dat hij met zijn berichten een escalatie wilde voorkomen en lief voor aangeefster wilde zijn. Hij wilde haar alleen geruststellen en daarom heeft hij haar niet direct willen tegenspreken toen ze aangaf dat ze duidelijk was
geweest dat ze geen seks wilde. Die berichten kunnen daarom niet zomaar worden opgevat als een bekentenis van verdachte dat hij tegen haar zin seks met verdachte heeft gehad.
Gelet op het voorgaande, kan de rechtbank niet buiten redelijke twijfel vaststellen dat de bewezenverklaarde seksuele handelingen tegen de wil van aangeefster hebben plaatsgevonden. Gelet op het geringe leeftijdsverschil, de vergelijkbare levensfase en ontwikkeling, de seksuele ervaring van beiden en de omstandigheden waaronder zij die avond met elkaar in contact zijn gekomen, is de rechtbank van oordeel dat de seksuele handelingen hebben plaatsgevonden in het kader van een gelijkwaardige situatie tussen leeftijdsgenoten. Daarmee is voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van de uitzonderingssituatie van artikel 248, derde lid, Sr. Verdachte is daarom niet strafbaar en wordt ontslagen van alle rechtsvervolging.
Benadeelde partij
[slachtoffer] heeft zich -daartoe vertegenwoordigd door mr. M. de Vries- als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Gevorderd wordt een bedrag van 6.044,25 ter vergoeding van de schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan. Dit bedrag bestaat uit 44,25 aan materiële schade en 6.000,00 aan immateriële schade.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd de vordering geheel toe te wijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft betoogd dat de benadeelde partij, gelet op het bepleite ontslag van alle rechtsvervolging ten aanzien van het primaire feit, niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in haar vordering.
Oordeel van de rechtbank
De benadeelde partij zal niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering, nu verdachte wordt ontslagen van alle rechtsvervolging ten aanzien van het primaire feit en wordt vrijgesproken van het subsidiair ten laste gelegde.
Uitspraak
De rechtbank
Verklaart het primair ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.
Verklaart verdachte niet strafbaar voor het bewezenverklaarde en ontslaat verdachte van alle rechtsvervolging.
Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte subsidiair is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.
Bepaalt dat de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] niet-ontvankelijk is en dat deze slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.
Bepaalt dat [slachtoffer] haar eigen proceskosten draagt.
Dit vonnis is gewezen door mr. H.H. Kielman, voorzitter, mr. M.S. van der Kuijl en mr. H. de Ruijter, rechters, bijgestaan door mr. L.N. Dijkstra, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 30 september 2026.
Mr. L.N. Dijkstra is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.