Uitspraak · Materieel strafrecht

Rechtbank Noord-Nederland, 6 oktober 2026

ECLI:NL:RBNNE:2026:4331Zaaknummer 18-245206-25

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
6 oktober 2026
Publicatiedatum
23 oktober 2026
Zaaknummer
18-245206-25
Rechtsgebied
Strafrecht, Materieel strafrecht
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig, Op tegenspraak
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Vrijspraak poging verkrachting (art. 242 oud), veroordeling aanranding (art. 246 oud) tot een gevangenisstraf van 4 maanden waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren en oplegging van een taakstraf voor de duur van 180 uren.

De rechtbank

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte primair is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het subsidiair ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden.

Bepaalt dat van deze gevangenisstraf (een gedeelte, groot 3 maanden), niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd, die hierbij wordt vastgesteld op 3 jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

een taakstraf voor de duur van 180 uren.

Beveelt dat voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis voor de duur van 90 zal worden toegepast.

Benadeelde partijen

Ten aanzien van het subsidiaire feit:

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe tot het hierna te noemen bedrag en veroordeelt verdachte om aan [slachtoffer] te betalen:

  • het bedrag van 3.619,68 (zegge: drieduizend zeshonderd negentien euro en achtenzestig cent);
  • de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 8 juni 2024 tot de dag van algehele voldoening;
  • de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog zal maken, tot heden begroot op nihil.

Verklaart de vordering van [slachtoffer] voor het overige niet-ontvankelijk. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Legt aan verdachte de verplichting op om ten behoeve van [slachtoffer] aan de Staat te betalen een bedrag van 3.619,68 (zegge: drieduizend zeshonderd negentien euro en achtenzestig cent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 8 juni 2024 tot de dag van algehele voldoening. Dit bedrag bestaat uit 619,68 aan materiële schade en 3.000,00 aan immateriële schade.

Bepaalt dat bij gebreke van volledig verhaal van de betalingsverplichting aan de Staat gijzeling voor de duur van 36 dagen kan worden toegepast. De toepassing van gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat als verdachte voldoet aan de betalingsverplichting aan de benadeelde partij of aan de Staat, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd van de betalingsverplichting aan beiden.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.S. Van den Berg, voorzitter, mr. W.S. Sikkema en mr. H.P. Eckert, rechters, bijgestaan door mr. M.M. Klungel, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 6 oktober 2026.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. Tenlastelegging
  2. Beoordeling van het bewijs
  3. Juridisch kader zedenzaken
  4. Bewezenverklaring
  5. Strafbaarheid van het bewezen verklaarde
  6. Strafbaarheid van verdachte
  7. Strafmotivering
  8. Benadeelde partij
  9. Toepassing van wetsartikelen
  10. Uitspraak
  11. De rechtbank
  12. Benadeelde partijen

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Leeuwarden

parketnummer 18-245206-25

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken van 6 oktober 2026 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats], wonende te [adres].

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 22 september 2026.

Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. C.J.M. Jansen, advocaat te Tilburg. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. T. Pitstra.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 8 juni 2024 te Vlieland ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid [slachtoffer] te dwingen tot het ondergaan van een of meer handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer],

  • ongevraagd en onaangekondigd de hotelkamer van [slachtoffer] binnen is gegaan en/of
  • ( vervolgens) die [slachtoffer] onder haar oksels heeft vastgepakt en/of haar (vervolgens) door de kamer heeft gesleept en haar vervolgens op bed heeft gelegd en/of
  • ( vervolgens) met ontbloot geslachtsdeel op korte afstand van die [slachtoffer] is gaan staan en/of
  • ( vervolgens) tegen die [slachtoffer] heeft gezegd dat zij hem, verdachte, moest pijpen en/of
  • ( vervolgens) onverhoeds de borsten en/of billen van die [slachtoffer] heeft betast terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 8 juni 2024 te Vlieland, door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid, te weten door

  • ongevraagd en onaangekondigd de hotelkamer van [slachtoffer] binnen te gaan en/of
  • [slachtoffer] onder haar oksels vast te pakken en/of haar (vervolgens) door de kamer mee te slepen en op bed te leggen
  • de broek van [slachtoffer] naar beneden te trekken en/of
  • ( onverhoeds) met zijn, verdachtes, hand in de broek van [slachtoffer] te gaan en/of
  • ( onverhoeds) de borsten van [slachtoffer] aan te raken [slachtoffer] heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer ontuchtige handelingen, te weten het (onverhoeds) betasten van de borsten en/of vagina.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor het primair ten laste gelegde. Zij heeft daartoe het volgende aangevoerd. Gelet op de uiterlijke verschijningsvorm is er sprake van een begin van uitvoering van het voornemen om seksueel binnen te dringen bij aangeefster. Verdachte heeft immers geprobeerd de broek van aangeefster naar beneden te trekken en daarnaast wilde hij dat aangeefster hem zou pijpen. Voorts heeft verdachte aangeefster gedwongen zijn handelingen te ondergaan.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat verdachte integraal moet worden vrijgesproken van het ten laste gelegde. Hij heeft daartoe het volgende aangevoerd. Ten aanzien van het primair ten laste gelegde kan niet worden vastgesteld dat er sprake was van vaststaande feitelijkheden welke zien op geweld, bedreiging met geweld of met een andere feitelijkheid. Voorts was er geen sprake van een begin van uitvoering tot het seksueel binnendringen bij aangeefster. Ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde had verdachte geen opzet op het plegen van seksuele handelingen tegen de wil van aangeefster. Er was geen sprake van dwang en er was evenmin sprake van onverhoedse handelingen. Voorts is er ten aanzien van zowel het primair als het subsidiair ten laste gelegde niet voldaan aan het wettelijke bewijsminimum. De potentiële bewijsmiddelen in het dossier zijn grotendeels te herleiden naar één bron, namelijk de verklaring van

aangeefster. Er is onvoldoende steunbewijs van voldoende gewicht voor de aanwezigheid van geweld, bedreiging met geweld of dwang. Het primair en subsidiair ten laste gelegde kunnen derhalve niet wettig en overtuigend bewezen worden.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht het subsidiair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring.

De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.

1. De door verdachte ter zitting van 22 september 2026 afgelegde verklaring, voor zover inhoudend:

Op zaterdagnacht 8 juni 2024 was [slachtoffer] behoorlijk beschonken naar aanleiding van ons personeelsfeest op Vlieland. Hierdoor kon zij niet meer goed op haar benen staan en daarom hebben [naam] en ik [slachtoffer] naar haar hotelkamer gebracht. We hebben haar toen op bed gelegd en ik ben toen met mijn hand richting haar broek gegaan, zij wilde dit echter niet en daarom trok ik mijn hand weer weg. Toen [naam] en ik eenmaal weer bij onze kamer waren, kwam ik erachter dat ik het verkeerde pasje voor onze deur had. Ik heb toen besloten om terug te gaan naar de kamer van [slachtoffer] om het pasje met haar te verwisselen. Toen ik voor haar deur stond, heb ik een paar keer op de deur geklopt. Er kwam echter geen gehoor. Ik ben vervolgens met behulp van het pasje haar kamer binnengegaan en daar trof ik haar liggend op de grond aan. Ik heb haar toen opgepakt en haar op bed gelegd. Kort hierna heb ik geprobeerd haar broekje naar beneden te trekken, maar dit wilde zij niet. Omdat ik opgewonden was, heb ik mijn eigen broek uitgetrokken en heb ik aan haar gevraagd of ze me wilde pijpen. Dit wilde zij echter niet. Vrijwel gelijk hierna kwam [getuige] de kamer binnen. Ik schaamde mij heel erg toen ze mij zag staan met mijn broek naar beneden. Ik ben daarom snel de badkamer ingevlucht en ik ben daarna weer terug gegaan naar mijn eigen kamer. Het klopt dat ik bij het weggaan “Sorry, sorry, sorry” heb gezegd.

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van 11 juni 2024 opgenomen op pagina 8 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2024154026 van 16 september 2025, inhoudend als relaas van verbalisant [verbalisant]:

Ik hoorde de deur van mijn hotelkamer opengaan en ik dacht dat dat [getuige] al was. Maar het was [verdachte]. Hij kwam naar de badkamer. Hij pakte me vast onder mijn oksels en hij sleepte me van de wc naar het bed in de hotelkamer. Hij legde mij op bed en probeerde mijn broek uit te doen. Ik zei, nee nee nee dit wil ik niet! Ik probeerde mijn broek omhoog te houden. [verdachte] zei, ik weet dat je dit wil! Ik weet dat je dit wil! Hij zat aan mijn borsten. Hij ging met zijn hand in mijn onderbroek en zat aan mijn vagina. Hij is er niet echt in geweest. Ik bleef zeggen dat ik het niet wilde. Hij zei dat ik hem moest pijpen, dat heb ik niet gedaan. Hij heeft zijn eigen broek uitgedaan en is zichzelf gaan aftrekken. Ondertussen bleef hij aan mij zitten. Toen kwam [getuige] binnen. [verdachte] was heel erg geschrokken en die rende meteen naar de badkamer. Zijn broek lag nog bij het bed dus hij kwam weer terug en pakte zijn broek en hij zei, sorry, sorry, sorry. Toen is hij snel weg gegaan.

3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte van 13 juni 2024, opgenomen op pagina 10 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [slachtoffer]:

V: Wanneer heeft zich dat feit voorgedaan?

A: Vrijdag op zaterdag nacht. 7 op 8 juni 2024. V: Waar vond het feit plaats?

A: Vlieland.

V: Zei [verdachte] nog iets toen hij de badkamer binnenkwam?

A: Nee.

V: Hij sleepte jou vertelde je, wat moet ik mij bij slepen voorstellen? A: Hij pakte me onder mijn oksels, ik kon amper lopen.

A: Hij probeerde met zijn hand in mijn broek te zitten, hij bleef trekken maar ik probeerde met twee handen mijn broek omhoog te houden dus mijn broek zat net over mijn billen. Hij bleef maar met twee handen mijn broek naar beneden trekken, zo hard dat ik mezelf van het bed voelde afschuiven. Hij deed een hand in mijn broek via de bovenkant en ik trok zijn hand er uit en wilde mijn broek weer omhoog trekken. Hij ging ook met zijn hand of meerdere handen onder mijn shirt aan mijn borsten. Ik droeg een bh, ik voelde wel zijn blote handen op mijn borsten. Hij deed mijn borsten vastpakken en kneden. Terwijl ik op bed lag ging hij naast mij op zijn knieën op het bed zitten en zichzelf aftrekken. Terwijl hij dit deed zei hij tegen mij "Ik weet dat je het wil".

A: Ik voelde de hand van [verdachte] op mijn venusheuvel, ik voelde zijn hand op mijn blote huid. Ik droeg een string, een sportbroekje en een panterlegging. Hij is met zijn hand onder al die broekjes gegaan en heeft toen zijn hand op mijn venusheuvel. Op dat moment trok ik zijn hand weg.

A: Ik zag hem op zijn knieën op bed zitten en ik zag hem aftrekken terwijl hij naar mij keek, ik zag dat hij met een hand trek bewegingen maakte aan zijn penis.

Ik probeerde zijn handen van mij af te houden terwijl hij zich deed aftrekken zat hij ook aan mijn borsten. Ik was heel druk bezig met hem van me af te houden, met mijn broek omhoog houden. En ik bleef zeggen "Nee, dit wil ik niet ."

V: Hoe stopte het?

A: [getuige] kwam binnen.

4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor van 18 juni 2024, opgenomen op pagina 21 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [getuige]:

Ik doe de deur open en ik zie [verdachte] daar naakt staan. Ik weet niet of hij een shirt

aan had of niet, maar ik zag zijn blote geslachtsdeel. Ik zag dat hij van mij schrok. Ik zag hem toen naar het toilet op de kamer rennen. Ik liep naar binnen en toen ik verder liep, zag ik [slachtoffer] stokstijf met kleding aan op bed liggen. Dat was ongemakkelijk. [verdachte] was naar het toilet gerend en [slachtoffer] zei niets en lag stokstijf op bed. [verdachte] kwam van het toilet af, hij liep naar [slachtoffer] toe die nog op bed lag. Hij zei iets van drie of vier keer; "sorry, sorry, sorry". Hij is toen de kamer uit gerend. Ze zei toen nog een keer: "ik wilde dit niet!" Ik vroeg toen wat ze niet wilde. Ze begon toen te vertellen, wat er gebeurd was. Toen ben ik naast haar op bed gaan zitten. Ze vertelde het verhaal wat er gebeurd was. Ze vertelde wat er gebeurd was. Ze ging hyperventileren. Ik zei dat ze rustig moest blijven en ik zei adem in, adem uit, komt goed, ik blijf bij je. Ik probeerde haar gerust te stellen. Op een gegeven moment, kreeg ze geen adem meer en ademde ze niet meer door. Ik probeerde haar naar buiten te tillen, naar ons balkon/terras. Ik sloeg een arm om haar heen en nam haar mee naar buiten en zette haar op een stoel.

Ze plofte neer op die stoel. Ze kon zelf niet echt mee werken, zo in shock was ze.

Juridisch kader zedenzaken

Vooraf

De rechtbank overweegt dat zedenstrafzaken zich kenmerken door het feit dat er doorgaans slechts twee personen aanwezig zijn geweest bij de (veronderstelde) seksuele handelingen: het veronderstelde slachtoffer en de veronderstelde dader. Bewijs van schuld aan het verwijt of de verwijten is daarom vaak moeilijk vast te stellen.

Betrouwbaarheid verklaringen

Enkel een betrouwbare verklaring kan als uitgangspunt dienen voor de verdere beoordeling van het aan de verdachte ten laste gelegde. Bij de beoordeling van een verklaring op betrouwbaarheid gaat het onder andere om consistentie, authenticiteit, spontaniteit en waargenomen emoties.

Bewijsminimum

Op grond van artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) kan het bewijs dat de verdachte een ten laste gelegd feit heeft begaan, door de rechter niet uitsluitend worden aangenomen op de verklaring van één getuige, ook niet indien die verklaring betrouwbaar wordt geacht. De rechter mag daarom niet tot een bewezenverklaring komen als de door de aangever genoemde feiten en omstandigheden op zichzelf staan en onvoldoende worden ondersteund door ander bewijs.

Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad kan worden afgeleid dat niet is vereist dat het zedendelict als zodanig bevestiging vindt in ander bewijsmateriaal, maar dat het afdoende is als de verklaring van het slachtoffer op onderdelen voldoende steun vindt in andere bewijsmiddelen, afkomstig van een andere bron dan degene die de belastende verklaring heeft afgelegd. De vraag of aan het bewijsminimum is voldaan laat zich niet in algemene zin beantwoorden, maar vergt een beoordeling van het concrete geval.

Steunbewijs

In het geval geen getuigen aanwezig zijn geweest bij de (veronderstelde) seksuele handelingen, kan volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad het steunbewijs onder meer ook bestaan uit een verklaring over de eigen waarneming van een getuige van emotie(s) bij het (vermeende) slachtoffer na het ten laste gelegde feit. Zon verklaring kan steunbewijs opleveren als de emotionele toestand of eventuele gedragsverandering die de getuige (disclosure-getuige) bij het slachtoffer heeft waargenomen, niet anders kan worden opgevat dan als een bevestiging van de verklaringen van het slachtoffer. Het tijdsverloop tussen het ten laste gelegde feit en de waargenomen emoties is daarbij relevant. Meestal gaat het om bewijs waaruit emoties blijken die kort na het incident door een getuige zijn waargenomen. Wel is behoedzaamheid op zijn plaats bij het gebruik de waarneming van emoties als steunbewijs.

Tegen de achtergrond van de hiervoor genoemde maatstaven zal de rechtbank hierna de feiten beoordelen.

Betrouwbaarheid verklaring aangeefster

De rechtbank is van oordeel dat aangeefster steeds consistent en specifiek en authentiek heeft verklaard over de seksuele handelingen die de verdachte bij haar heeft verricht en de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden. Bovendien wordt haar verklaring op veel (belangrijke) onderdelen ondersteund door de verklaringen van getuige Kuijpers en verdachte zelf. Verdachte heeft immers bekend dat hij (half) naakt in de kamer stond toen getuige Kuijpers binnenkwam. Getuige Kuijpers verklaart ook dat aangeefster direct nadat verdachte de kamer verlaat tegen haar zegt dat zij dit niet wilde en dat aangeefster vertelde wat er gebeurd was. Ze verklaart ook dat aangeefster begon te hyperventileren en dat ze in shock was. Gelet op het voorgaande acht de rechtbank de verklaring van aangeefster betrouwbaar en neemt zij deze verklaring als uitgangspunt voor de bewijsvoering.

Omdat de verklaring van aangeefster op relevante onderdelen bevestiging vindt in de overige bewijsmiddelen, acht de rechtbank het vereiste steunbewijs ook aanwezig.

Tussenconclusie

Gelet op wat hiervoor is overwogen over de verklaring van aangeefster en over het steunbewijs, acht de rechtbank bewezen dat de verdachte de ten laste gelegde feitelijke handelingen heeft verricht. De vervolgvraag die de rechtbank dan moet beantwoorden, is of deze handelingen kunnen worden gekwalificeerd als een poging tot verkrachting, dan wel een feitelijke aanranding van de eerbaarheid door verdachte. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt.

Juridisch kader

De ten laste gelegde pleegdatum is 8 juni 2024. Dit is voor de inwerkingtreding van de nieuwe Wet seksuele misdrijven op 1 juli 2024. De tenlastegelegde feiten moeten gelet op de pleegdatum beoordeeld worden aan de hand van de juridische kaders onder de oude zedenwetgeving.

Voor een bewezenverklaring van verkrachting onder de oude bepaling van artikel 242 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) of een poging daartoe, is vereist dat het seksueel binnendringen of de poging daartoe heeft plaatsgevonden tegen de wil van het slachtoffer en dat het slachtoffer hiertoe is gedwongen door middel van geweld of een andere feitelijkheid, ofwel door bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid. Daarnaast moet worden bewezen dat de verdachte opzet had op die dwang en dat hij wist of moet hebben begrepen dat het slachtoffer geen instemming gaf.

Uit de voornoemde bewijsmiddelen leidt de rechtbank af dat verdachte en zijn collega [naam], aangeefster naar haar kamer hebben begeleid na afloop van het personeelsfeest omdat zij behoorlijk beschonken was. Vervolgens hebben zij aangeefster op haar bed neergelegd en heeft verdachte naar eigen zeggen met aangeefster gekust en zijn hand op haar broek gehad ter hoogte van haar riem. Aangeefster duwde daarop zijn hand weg. Verdachte begreep dat zij zijn hand daar niet wilde hebben en trok daarom zijn hand ook weg. Kort hierna zijn verdachte en zijn collega [naam] vertrokken. Op de hotelkamer komt verdachte erachter dat hij niet zijn eigen kamerpasje, maar het kamerpasje van aangeefster heeft meegenomen. Daarom is hij vervolgens weer alleen teruggegaan naar de kamer van aangeefster om de kamerpassen om te wisselen. Eenmaal bij haar kamer aangekomen, heeft verdachte meerdere keren op de deur geklopt, maar hier wordt geen gehoor aan gegeven. Verdachte heeft daarom besloten om met het pasje de deur van de hotelkamer van aangeefster te openen. Terwijl hij de kamer van aangeefster binnenkomt, treft hij aangeefster op de grond aan. Verdachte heeft hierop besloten om haar onder haar oksels vast te pakken en haar op het bed te leggen. Vervolgens is hij met zijn hand onder het shirt van aangeefster gegaan en heeft hij tegen haar wil haar borsten aangeraakt. Verdachte heeft daarbij, ondanks dat aangeefster zijn hand wegduwde en haar broek stevig vasthield, geprobeerd haar broek naar beneneden te trekken en is hij met zijn hand in haar broek gegaan waarbij hij de venusheuvel van aangeefster heeft aangeraakt. Vervolgens heeft verdachte zijn eigen broek naar beneden getrokken en heeft hij tegen aangeefster gezegd dat zij hem moet pijpen. Aangeefster wilde dit echter niet en daarom begon verdachte zichzelf te bevredigen terwijl hij wederom aan de borsten en het lichaam van aangeefster zat. Aangeefster heeft daarbij meerdere keren gezegd dat zij dit niet wil. Op dat moment is getuige [getuige] binnengekomen en ziet verdachte zonder onderbroek in de kamer staan. De getuige heeft gezien dat verdachte erg schrok omdat zij binnenkomt en hij daarna snel naar de badkamer rent. Nadat hij vervolgens weer uit de badkamer is gekomen, zegt hij “sorry, sorry, sorry,” en verlaat hij de kamer.

Vervolgens heeft de getuige aangeefster bewegingloos op het bed zien liggen en hoorde haar "ik wilde dit niet!" roepen. De getuige heeft vervolgens gezien dat aangeefster na het vertellen van haar verhaal helemaal overstuur is geraakt.

De rechtbank is op grond van de voornoemde vastgestelde feiten en omstandigheden van oordeel dat niet uit de uiterlijke verschijningsvormen blijkt van een begin van uitvoering van een voornemen tot seksueel binnendringen. Weliswaar heeft verdachte de broek van aangeefster naar beneden geprobeerd te trekken, maar hiermee is hij op een bepaald moment gestopt. Verdachte heeft vervolgens zijn eigen broek naar beneden getrokken en tegen aangeefster gezegd dat zij hem moest pijpen. Dit wilde zij echter niet en verdachte is hier ook niet op doorgegaan. Daarna begon verdachte zichzelf te bevredigen terwijl hij aangeefster betastte. Gelet hierop is naar het oordeel niet komen vast te staan dat het opzet van verdachte daadwerkelijk gericht was op het door geweld dwingen van aangeefster tot het ondergaan van het seksueel binnendringen van het lichaam. Om deze reden zal de rechtbank de verdachte van de primair ten laste gelegde poging tot verkrachting vrijspreken.

De rechtbank acht op grond van de bewijsmiddelen wel wettig en overtuigend bewezen dat verdachte aangeefster heeft gedwongen tot het ondergaan van ontuchtige handelingen door haar borsten en vagina onverhoeds te betasten terwijl hij zich aan het bevredigen was. Aangeefster was in zeer beschonken toestand en was alleen in haar hotelkamer. Verdachte is ongevraagd haar hotelkamer ingegaan. Ondanks dat zij hem eerder al duidelijk had gemaakt dat zij niet wilde dat hij met zijn hand aan haar broek zat, probeerde verdachte toch haar broek naar beneden te trekken en is hij met zijn hand in haar broek gegaan. Daarnaast heeft hij haar borsten betast terwijl hij wist dat zij dit niet wilde. Daarmee staat voor de rechtbank vast dat verdachte wist dat hij door zo te handelen onverhoeds de wil van aangeefster doorbrak en dat hij dit ook wilde.

Het enkele feit dat er geen DNA van verdachte is aangetroffen in de onderbroek van aangeefster en haar bh niet naar eventuele DNA-sporen is onderzocht, doet aan het voorgaande niks af.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het subsidiair ten laste gelegde op de wijze zoals hierna volgt uit de bewezenverklaring.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het subsidiair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

hij op 8 juni 2024 te Vlieland, door een andere feitelijkheid, te weten door

  • ongevraagd en onaangekondigd de hotelkamer van [slachtoffer] binnen te gaan, en
  • [slachtoffer] onder haar oksels vast te pakken en haar op bed te leggen, en
  • de broek van [slachtoffer] naar beneden te trekken, en
  • onverhoeds met zijn hand in de broek van [slachtoffer] te gaan, en
  • onverhoeds de borsten van [slachtoffer] aan te raken,

[slachtoffer] heeft gedwongen tot het dulden van ontuchtige handelingen, te weten het onverhoeds betasten van de borsten en vagina.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

feitelijke aanranding van de eerbaarheid.

Dit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

De feiten

Ten laste van verdachte is bewezen verklaard dat hij zich op 8 juni 2024 op Vlieland schuldig heeft gemaakt aan feitelijke aanranding van de eerbaarheid van het slachtoffer, op dat moment zijn collega. Verdachte heeft zichzelf na een personeelsfeest ongevraagd de toegang tot de hotelkamer van het slachtoffer verschaft. Vervolgens heeft hij het slachtoffer in beschonken toestand en in een weerloze en afhankelijke positie onverhoeds betast door haar borsten vast te pakken, met zijn hand in haar broek te gaan en haar vagina aan te raken. Zelfs nadat het slachtoffer duidelijk nee had gezegd, heeft verdachte zijn eigen broek naar beneden getrokken, gezegd dat het slachtoffer hem moest pijpen en toen zij dat weigerde heeft verdachte zichzelf afgetrokken terwijl hij naast het slachtoffer zat en naar haar keek en haar borsten betastte. Verdachte was kennelijk alleen uit op het bevredigen van zijn eigen seksuele behoefte en heeft daarbij geen enkel oog gehad voor aangeefster. De situatie is pas tot een einde gekomen toen een andere collega de hotelkamer binnenkwam. Het slachtoffer is in shock achtergebleven.

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het primair ten laste gelegde (poging tot verkrachting) zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden, waarvan 10 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren.

De officier van justitie heeft bij haar eis rekening gehouden met de ernst van het feit, de ernstige gevolgen voor het slachtoffer die uit de vordering benadeelde partij blijken en ter zitting naar voren zijn gebracht, de persoonlijke omstandigheden van verdachte, de over de verdachte opgemaakte rapportage door de reclassering en de documentatie van verdachte.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft primair vrijspraak bepleit voor alle feiten. Subsidiair heeft de verdediging verzocht om geen onvoorwaardelijke vrijheidsstraf op te leggen. Daarbij dient rekening te worden gehouden met de

persoonlijke omstandigheden van verdachte, waaronder het gegeven dat verdachte wegens de verdenking op staande voet is ontslagen en de impact van deze strafzaak op hem en zijn partner, en de context waarin de feiten zijn gepleegd. Daarnaast is er sprake van overschrijding van de redelijke termijn met enkele maanden, welke gecompenseerd dient te worden middels strafvermindering. Oplegging van bijzondere voorwaarden, zoals geadviseerd door de reclassering, is volgens de verdediging niet nodig of geboden.

Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting en de rapportage van de reclassering, het uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De ernst van het feit

Een hotelkamer hoort een besloten en veilige plek te zijn waar men zich ongestoord moet kunnen terugtrekken en zich beschermd moet weten in de persoonlijke levenssfeer. Door op voormelde wijze de hotelkamer van het slachtoffer binnen te dringen en haar fysiek en seksueel te overrompelen, heeft verdachte op grove en ingrijpende wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke en psychische integriteit van het slachtoffer. Slachtoffers van zedenmisdrijven die op een dergelijke intimiderende wijze in hun eigen besloten omgeving worden geconfronteerd met ongewenste seksuele handelingen, ondervinden daarvan dikwijls nog lange tijd ernstige psychische gevolgen, waaronder gevoelens van angst, onveiligheid en verlies van controle. Dat zulks voor het slachtoffer in deze zaak ook geldt is in de vordering benadeelde partij en ter terechtzitting duidelijk naar voren gebracht.

Uitgangspunt voor de op te leggen straf

Voor een feitelijke aanranding met intieme betastingen op de blote huid en in een besloten ruimte is als uitgangspunt een gevangenisstraf van meerdere maanden geïndiceerd, eventueel in combinatie met een werkstraf.

De persoon van verdachte

De rechtbank weegt in straf verminderende zin mee dat verdachte een gestructureerd leven leidt met een vaste baan, een vaste partner en een eigen woning. De rechtbank weegt ook in straf verminderende zin mee dat verdachte als gevolg van dit feit ontslagen is en in zoverre de gevolgen van zijn handelen (deels) al heeft ondervonden. Verdachte zou daarnaast reeds sterk zijn geminderd met het nuttigen van alcohol, (mede) om te voorkomen dat hij ooit weer in een vergelijkbare situatie belandt. Verdachte is niet eerder voor strafbare feiten veroordeeld.

Op te leggen straffen

De rechtbank rekent het verdachte zwaar aan dat hij louter heeft gehandeld ter bevrediging van zijn eigen seksuele behoeftes, waarbij hij de grenzen en de wil van het slachtoffer volstrekt heeft genegeerd. Ook neemt de rechtbank het verdachte kwalijk dat hij nooit eerder volledige openheid van zaken heeft

gegeven.

Onder alle voornoemde omstandigheden komt de rechtbank tot het oordeel dat gelet op de ernst van de inbreuk op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer en de beangstigende omstandigheden in haar hotelkamer op het feit niet anders gereageerd kan worden dan met een deels onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Gelet op de persoon van de verdachte zal de rechtbank deze beperken tot duur van een maand. Gelet op de ernst van het feit zal de rechtbank verdachte daarnaast veroordelen tot een taakstraf van 180 uren.

Om verdachte er van te weerhouden nieuwe strafbare feiten te plegen zal de rechtbank aan verdachte een voorwaardelijke gevangenisstraf van 3 maanden opleggen. Hieraan zal de rechtbank, anders dan de reclassering heeft geadviseerd, geen andere voorwaarden verbinden dan de algemene voorwaarde dat verdachte binnen de proeftijd geen strafbare feiten pleegt. De rechtbank acht dit voldoende om het gevaar op recidive in de toekomst te voorkomen.

Tijdsverloop

De rechtbank is van oordeel dat geen sprake is van schending van de redelijke termijn. De redelijke termijn van twee jaren begint te lopen vanaf het moment dat vanwege de Nederlandse Staat jegens de verdachte een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het openbaar ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld. Gesteld noch gebleken is dat in deze zaak sprake is geweest een dergelijke handeling die meer dan twee jaar geleden is.

Benadeelde partij

[slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Gevorderd wordt een bedrag van 619,68 ter vergoeding van materiële schade en 8.500,00 ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij volledig kan worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren omdat verdachte dient te worden vrijgesproken van het ten laste gelegde. Mocht de rechtbank wel tot een bewezen verklaring komen dan is het causale verband tussen de genoten behandelingen en de tenlastegelegde feiten in onvoldoende mate vast komen te staan zodat de gevorderde immateriële schade niet kan worden toegewezen

Oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van de materiële schade:

Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk dat de benadeelde partij de gestelde schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het bewezen verklaarde. De vordering, waarvan de hoogte niet door verdachte is betwist, zal daarom worden toegewezen, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 8 juni 2024.

Ten aanzien van de immateriële schade:

Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk dat de benadeelde partij immateriële schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde. De rechtbank ziet in het vastgestelde geestelijk letsel voldoende aanleiding om te komen tot het oordeel dat er bij de benadeelde partij sprake is geweest van aantasting in de persoon 'op andere wijze' als bedoeld in artikel 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW). De benadeelde partij heeft zich immers bij een psycholoog gemeld met ernstige psychische klachten welke passen bij PTSS. Hiervoor is zij behandeld middels EMDR-therapie.

De begroting van immateriële schade geschiedt naar billijkheid met inachtneming van alle omstandigheden van het geval, waaronder de aard van de aansprakelijkheid en de ernst van het aan de aansprakelijke te maken verwijt, alsmede de aard van de gevolgen daarvan voor de benadeelde partij, de ernst daarvan en de verwachting ten aanzien van het herstel. Verder dient de rechter bij de begroting, indien mogelijk, te letten op de bedragen die door Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend.

De rechtbank heeft voorts acht geslagen op de Rotterdamse Schaal, een ordening van smartengeldbedragen bij letsel en andere persoonsaantastingen, waarnaar al vaker door andere rechters in Nederland is verwezen bij de vaststelling en begroting van schade als hier aan de orde. De rechtbank neemt in deze zaak categorie 14.2 PTSS, onder d van de Rotterdamse schaal als uitgangspunt. In die categorie gaat het volgens de beschrijving om gevallen waarbij het slachtoffer binnen één tot twee jaar nagenoeg volledig is hersteld en er alleen geringe klachten voor langere tijd aanhouden. Uit de onderbouwing van de vordering volgt dat dit bij de benadeelde aan de orde is. Bij deze categorie is een bedrag aan schadevergoeding tussen de 2.675,00 en 5.500,00 passend. De benadeelde partij heeft in haar vordering weliswaar verwezen naar een hogere categorie van de Rotterdamse Schaal (categorie 14.2 PTSS, onder c), maar een duidelijke onderbouwing daarvoor alsook voor het concrete gevorderde bedrag binnen die bandbreedte ontbreekt.

Gelet op vergelijkbare gevallen in recente rechtspraak en de bedragen aan immateriële schadevergoeding die volgens de Rotterdamse Schaal in vergelijkbare gevallen doorgaans worden toegekend, acht de rechtbank de toewijzing van een bedrag van 3.000,00 billijk. Voor het overige deel van de gevorderde immateriële schadevergoeding is de rechtbank van oordeel dat feiten en omstandigheden die tot toewijzing van het gevorderde bedrag zouden kunnen leiden op dit moment niet voldoende vast staan.

Mede gelet op de (gemotiveerde) betwisting daarvan door de verdediging, is nader onderzoek aangewezen. Dat onderzoek levert naar het oordeel van de rechtbank een onevenredige belasting van het strafgeding op, zodat de benadeelde partij voor dat deel niet-ontvankelijk in haar vordering zal worden verklaard. Dat deel van de vordering kan eventueel bij de burgerlijke rechter worden ingesteld.

De rechtbank zal verdachte veroordelen tot betaling van het hiervoor genoemde schadebedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag, te rekenen vanaf 8 juni 2024 tot de dag der

algehele voldoening. De rechtbank verklaart de vordering voor het overige niet-ontvankelijk.

Nu de aansprakelijkheid van verdachte vaststaat, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat verdachte de schade zal vergoeden.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f en 246 (oud) van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte primair is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het subsidiair ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden.

Bepaalt dat van deze gevangenisstraf (een gedeelte, groot 3 maanden), niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd, die hierbij wordt vastgesteld op 3 jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

een taakstraf voor de duur van 180 uren.

Beveelt dat voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis voor de duur van 90 zal worden toegepast.

Benadeelde partijen

Ten aanzien van het subsidiaire feit:

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe tot het hierna te noemen bedrag en veroordeelt verdachte om aan [slachtoffer] te betalen:

  • het bedrag van 3.619,68 (zegge: drieduizend zeshonderd negentien euro en achtenzestig cent);
  • de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 8 juni 2024 tot de dag van algehele voldoening;
  • de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog zal maken, tot heden begroot op nihil.

Verklaart de vordering van [slachtoffer] voor het overige niet-ontvankelijk. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Legt aan verdachte de verplichting op om ten behoeve van [slachtoffer] aan de Staat te betalen een bedrag van 3.619,68 (zegge: drieduizend zeshonderd negentien euro en achtenzestig cent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 8 juni 2024 tot de dag van algehele voldoening. Dit bedrag bestaat uit 619,68 aan materiële schade en 3.000,00 aan immateriële schade.

Bepaalt dat bij gebreke van volledig verhaal van de betalingsverplichting aan de Staat gijzeling voor de duur van 36 dagen kan worden toegepast. De toepassing van gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat als verdachte voldoet aan de betalingsverplichting aan de benadeelde partij of aan de Staat, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd van de betalingsverplichting aan beiden.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.S. Van den Berg, voorzitter, mr. W.S. Sikkema en mr. H.P. Eckert, rechters, bijgestaan door mr. M.M. Klungel, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 6 oktober 2026.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.