Uitspraak · Materieel strafrecht
Rechtbank Noord-Nederland, 20 augustus 2026
ECLI:NL:RBNNE:2026:3529Zaaknummer 18.041664.25 ontneming
- Instantie
- Rechtbank Noord-Nederland
- Datum uitspraak
- 20 augustus 2026
- Publicatiedatum
- 20 augustus 2026
- Zaaknummer
- 18.041664.25 ontneming
- Rechtsgebied
- Strafrecht, Materieel strafrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - meervoudig, Op tegenspraak
- Zittingsplaats
- Leeuwarden
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Vordering is afgewezen.
Beslissing
Wijst de vordering van de officier van justitie af.
Deze uitspraak is gegeven door mr. A. van den Oever, voorzitter, mr. J.G.W. Lootsma-Oude Nijeweme en mr. H.C.L. Vreugdenhil, rechters, bijgestaan door G.T. Zandstra-Alkema, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 20 augustus 2026.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Afdeling strafrecht
Locatie Leeuwarden
parketnummer 18.041664.25
beslissing van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 20 augustus 2026 op een vordering van de officier van justitie tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel
in de zaak tegen veroordeelde
[veroordeelde],
geboren op [geboortedatum] 1990 te [geboorteplaats], ingeschreven op het adres [adres],
thans verblijvende op het adres [adres].
Procesverloop
De officier van justitie heeft op 10 april 2025 schriftelijk gevorderd dat de rechtbank het bedrag vast zal stellen waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e, vijfde lid, van het Wetboek van Strafrecht, wordt geschat en dat de rechtbank aan voornoemde veroordeelde de verplichting zal opleggen tot betaling aan de staat van een bedrag van 54.085,20 ter ontneming van het uit de zaak met parketnummer 18.041664.25 voortvloeiende, wederrechtelijk verkregen voordeel.
De behandeling heeft plaatsgevonden ter terechtzitting van 6 augustus 2026. Hierbij was de officier van justitie mr. D.P. Menting aanwezig. Veroordeelde was niet aanwezig.
Beoordeling
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft ter zitting gevorderd dat de vordering ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel wordt afgewezen, omdat in de voordeelsberekening niet duidelijk is wat de productie van PMK-olie heeft opgeleverd noch hoe hoog de kosten zijn die daarop in mindering moeten worden gebracht, waardoor de hoogte van het voordeel niet kan worden vastgesteld.
Oordeel rechtbank
De rechtbank heeft veroordeelde bij vonnis van 20 augustus 2026 in de zaak met parketnummer 18.041664.25 veroordeeld ter zake van het medeplegen van een feit als bedoeld in het vierde lid van artikel 10, te weten het vervaardigen van MDMA voorbereiden door voorwerpen en stoffen voorhanden te hebben, waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit. De rechtbank heeft in het vonnis bewezenverklaard dat veroordeelde betrokken is geweest bij de eerste fase van het proces om MDMA te vervaardigen, te weten de conversiefase. Hierbij wordt het preprecursor (PMK-Glycidaat) omgezet naar een precursor (PMK-olie).
Door de politie is een berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel gemaakt waarbij als uitgangspunt is genomen twee lege preprecursor zakken van elk 25 kilo Ethylester van PMK-glycidezuur. Hier zou vermoedelijk 30 liter PMK-olie mee zijn vervaardigd en hieruit kan circa 36 kilo MDMA-HCL, oftewel een aantal van 360.000 pillen met MDMA-HCL worden verkregen. De voordeelsberekening gaat uit van de opbrengst van deze hoeveelheid MDMA-HCL. Bij de kosten wordt bij de zogenaamde hardware uitgegaan van de kosten voor het vervaardigen van PMK-olie en niet voor MDMA-HCL.
De rechtbank overweegt dat in de berekening is uitgegaan van de opbrengst van MDMA-HCL, terwijl vaststaat dat veroordeelde betrokken was bij een voorfase van de productie daarvan en er geen aanwijzingen zijn voor zijn betrokkenheid bij de latere fase waarin daadwerkelijk MDMA-HCL werd geproduceerd. Het is daarom onwaarschijnlijk dat hem de opbrengst van MDMA-HCL zou toekomen, die naar verwachting hoger is dan die van PMK-olie. De rechtbank ziet overigens ook geen aanknopingspunten om op basis van artikel 36e Sr, tweede of derde lid, het voordeel van MDMA-HCL toch aan veroordeelde toe te rekenen.
De rechtbank kan daarnaast in de voordeelsberekening niet volgen dat op de opbrengst van MDMA-HCL alleen de kosten van de PMK-olieproductie in mindering zijn gebracht, en niet de waarschijnlijk hogere kosten van MDMA-HCL.
De rechtbank is om bovengenoemde redenen van oordeel dat de hoogte van het wederrechtelijk verkregen voordeel op basis van het procesdossier en de voordeelsberekening niet kan worden vastgesteld.
De rechtbank zal de vordering daarom afwijzen.
Beslissing
Wijst de vordering van de officier van justitie af.
Deze uitspraak is gegeven door mr. A. van den Oever, voorzitter, mr. J.G.W. Lootsma-Oude Nijeweme en mr. H.C.L. Vreugdenhil, rechters, bijgestaan door G.T. Zandstra-Alkema, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 20 augustus 2026.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Samenhangende uitspraken
- ECLI:NL:RBNNE:2026:3528 http://psi.rechtspraak.nl/tussenuitspraak
Aangehaald in
- ECLI:NL:RBNNE:2026:3528 Rechtbank Noord-Nederland, 20 augustus 2026 (materieel strafrecht)
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.