Uitspraak · Bestuursrecht

Rechtbank Noord-Nederland, 7 augustus 2026

ECLI:NL:RBNNE:2026:3449Zaaknummer 25.1795

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
7 augustus 2026
Publicatiedatum
13 augustus 2026
Zaaknummer
25.1795
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats
Groningen
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Eiser vroeg in september 2024 op grond van de Woo openbaarmaking van documenten. De Raad besliste in november 2024. Eiser maakte in december bezwaar, omdat niet alle documenten waren verstrekt en de weigering onvoldoende was gemotiveerd. De bezwaarcommissie behandelde het bezwaar in maart 2025. In april 2025 herzag de Raad het besluit, verklaarde het bezwaar gegrond, herroept het oorspronkelijke besluit en kondigde een nieuw besluit aan. Eiser stelde in mei 2025 pro-forma beroep in en diende later zijn beroepsgronden in. De Raad nam het nieuwe besluit in september 2025. Eiser handhaafde zijn beroep. De rechtbank behandelde de zaak in juli 2026; eiser was afwezig. De rechtbank oordeelde dat het beroep tijdig en gegrond is omdat het besluit op bezwaar onvolledig was door de late nieuwe beslissing. De inhoudelijke beroepsgronden faalden vanwege onvoldoende onderbouwing. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond en bepaalde dat de Raad het griffierecht moet vergoeden.

De rechtbank:

  • verklaart het beroep gegrond;
  • bepaalt dat de Raad het griffierecht van € 194,- aan eiser moet vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.D. Overmars, rechter, in aanwezigheid van A.W. Landman, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 7 augustus 2026.

griffierrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. Raad voor rechtsbijstand, de Raad(gemachtigden: J.A.M. Dankers en H.J. Spiegelenberg).
  2. Procesverloop
  3. Beoordeling door de rechtbank
  4. Conclusie en gevolgen
  5. Beslissing
  6. Informatie over hoger beroep

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummers: LEE 25/1795

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 augustus 2026 in de zaak tussen

[naam], uit [woonplaats], eiser,

en

Raad voor rechtsbijstand, de Raad(gemachtigden: J.A.M. Dankers en H.J. Spiegelenberg).

Procesverloop

  • Eiser heeft op 22 september 2024 een verzoek ingediend op grond van de Wet open overheid (Woo) om openbaarmaking en verstrekking van documenten. Op 29 november 2024 is door de Raad op dit verzoek een besluit genomen.
  • Eiser heeft op 10 december 2024 bezwaar gemaakt tegen dit besluit, waarbij onder meer is aangevoerd dat niet alle documenten zijn geïnventariseerd, de motivering van de weigering van openbaarmaking onvoldoende is en ten onrechte een beroep is gedaan op uitzonderingsgronden.
  • Het bezwaar is op 10 maart 2025 behandeld door de Commissie voor Bezwaar, waarbij de gemachtigde van eiser, mr. J-A.J. Brahm, telefonisch is gehoord.
  • Bij besluit van 7 april 2025 heeft de Raad het bezwaar gegrond verklaard, het besluit van 29 november 2024 herroepen, een proceskostenvergoeding in bezwaar toegekend en aangekondigd dat opnieuw op het Woo-verzoek zal worden beslist.

5. Eiser heeft op 7 mei 2025 pro-forma beroep ingesteld. De gronden van beroep zijn op 25 mei 2025 ingediend. 6. Bij besluit van 1 september 2025 heeft de Raad, zoals aangekondigd in het besluit op bezwaar van 7 april 2025, een nieuw besluit genomen op eisers Woo-verzoek van 22 september 2024. 7. Eiser heeft in reactie op dit besluit aangegeven zijn beroep te handhaven.8. De rechtbank heeft het beroep behandeld op de zitting van 7 juli 2026. Daarbij waren de gemachtigden van de Raad aanwezig. Eiser is niet verschenen. Het onderzoek is ter zitting gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

9. De rechtbank oordeelt dat de Raad op 7 april 2025 een onvolledig besluit op bezwaar genomen heeft. In het besluit werd het bezwaar gegrond verklaard, het bestreden besluit van 29 november 2024 herroepen en een nieuw besluit op eisers Woo-verzoek aangekondigd. De Raad koppelde de start van de beroepstermijn aan het besluit op bezwaar en niet aan het nieuw te nemen besluit in primo. Dat nieuwe besluit werd echter pas op 1 september 2025 genomen. De termijn om in rechte op te komen tegen het besluit van 7 april 2025 was toen al ruimschoots verstreken. Om zijn rechten veilig te stellen had eiser dan ook geen andere keuze dan tijdig, binnen zes weken na 7 april 2025, beroep in te stellen. Het beroep is dan ook terecht ingediend en reeds om die reden gegrond.

10. In het kader van de finale geschillenbeslechting zal de rechtbank ook oordelen over de overige beroepsgronden.

11. Eiser stelt dat geen sprake is van algehele openbaarmaking, omdat er nog altijd stukken ontbreken waar specifiek om is verzocht, (interne) communicatie niet geheel is geopenbaard en door de Raad veel te breed is gelakt waardoor de weigeringsgronden niet juist zijn toegepast.

12. De rechtbank oordeelt dat de gronden van eiser eerder stellingen zijn dan een gemotiveerde weerlegging van het standpunt van de Raad. Bij gebrek aan motivering en onderbouwing blijft onduidelijk wat eiser precies bedoelt. De beroepsgrond kan om die reden niet slagen.

13. Eiser heeft in reactie op het besluit van 1 september 2025 aangegeven dat hij zijn beroep handhaaft.

14. Voor zover eiser heeft beoogd met het onderhavige beroep ook op te komen tegen het besluit van 1 september 2025 oordeelt de rechtbank dat artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht daaraan in de weg staat. Genoemd artikel stelt dat het beroep mede betrekking heeft op een besluit tot intrekking, wijziging of vervanging van het bestreden besluit. Dat is echter hier niet aan de orde, nu het besluit van 1 september 2025 een (nieuw) besluit in primo betreft en niet het besluit op bezwaar (het in het onderhavig beroep bestreden besluit) vervangt of wijzigt.

Conclusie en gevolgen

15. Het beroep is gegrond omdat de Raad een onvolledig besluit op bezwaar heeft genomen door bij de vernietiging van het besluit in primo niet gelijktijdig of kort daarna een nieuw besluit in primo te nemen, waardoor eiser geen andere keuze had dan tijdig op te komen in beroep. Dat betekent dat eiser gelijk krijgt. Omdat eiser gelijk krijgt moet de Raad de door eiser betaalde griffierechten vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:

  • verklaart het beroep gegrond;
  • bepaalt dat de Raad het griffierecht van € 194,- aan eiser moet vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.D. Overmars, rechter, in aanwezigheid van A.W. Landman, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 7 augustus 2026.

griffierrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.