Uitspraak · Bestuursrecht

Rechtbank Noord-Nederland, 26 juni 2026

ECLI:NL:RBNNE:2026:3281Zaaknummer LEE 25/334

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
26 juni 2026
Publicatiedatum
7 augustus 2026
Zaaknummer
LEE 25/334
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats
Groningen
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Woo. Gedeeltelijke afwijzing van een verzoek om openbaarmaking. Het college hoefde in het kader van de zoekslag geen informatie op te vragen bij een externe adviescommissie, omdat daarvoor geen wettelijke verplichting bestaat. Beroep ongegrond.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B. Veenema, rechter, in aanwezigheid van

mr. K. Lenting, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 26 juni 2026.

griffierrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. [eiser] , uit [woonplaats] , eiser
  2. Samenvatting
  3. Procesverloop
  4. Beoordeling door de rechtbank
  5. Conclusie en gevolgen
  6. Beslissing
  7. Informatie over hoger beroep

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: LEE 25/334

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 juni 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Oldambt, het college

(gemachtigde: mr. A.H. Hulshof).

Samenvatting

Deze uitspraak gaat over het verzoek van eiser tot het verstrekken van informatie op grond van de Wet open overheid (Woo) door het college. Volgens eiser heeft het college – door geen navraag te doen bij een adviescommissie – niet voldaan aan de verplichting tot het verrichten van een deugdelijke en controleerbare zoekslag en kan het besluit van het college daarom niet in stand blijven.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college niet gehouden was om navraag te doen bij de adviescommissie. Het beroep van eiser slaagt daarom niet. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. In de bijlage staan de wetsartikelen die van belang zijn.

Procesverloop

1. Eiser heeft op 30 mei 2024 het volgende verzoek ingediend bij het college op grond van de Woo:

“Hiermee doe ik een beroep op de Wet open overheid ter verkrijging van documenten die ten grondslag liggen aan de aangevraagde en verleende omgevingsvergunning, respectievelijk gepubliceerd in de gemeentebladen van 27 maart 2024 onder nummer 124749 en 23 mei 2024, onder nummer 222283.

Ik verwijs voor een nadere specificatie van he verzoek naar de informatieverzoeken die ik op 16 april 2024, 23 mei 2024 en 29 mei 2023 aan uw adres info@gemeente-oldambt richtte, welke helaas niet het gewenste, complete, resultaat hebben opgeleverd.

Ik merk op, dat in de publicatie van 23 mei 2024, nummer 222283 geen verwijzing is gemaakt naar een eventuele ter inzagelegging van stukken. De verondersteld ter inzage gelegde stukken bij de publicatie van 27 maart 2024, nummer 134749, waren bij navraag niet aanwezig.

Graag zie ik in uw besluit ook de zoekslag vermeld die u bij de tracering van de documenten heeft gemaakt.”

1.1.

Met het primaire besluit van 27 september 2024 heeft het college een deel van de gevraagde informatie aan eiser verstrekt.

1.2.

Met het bestreden besluit van 13 december 2024 heeft het college het bezwaar van eiser tegen de gedeeltelijke verstrekking van de gevraagde informatie ongegrond verklaard.

1.3.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft een verweerschrift ingediend.

1.4.

De rechtbank heeft het beroep op 23 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van het college deelgenomen. Eiser heeft zich afgemeld voor de zitting.

Beoordeling door de rechtbank

2. De aanleiding voor het Woo-verzoek van eiser is dat op het dak van de [woning] zonnepanelen zijn geplaatst, waarvoor een omgevingsvergunning is verleend. Voorafgaand aan het verlenen van deze vergunning heeft Libau, de adviescommissie voor omgevingskwaliteit voor gemeenten in de provincies Groningen en Drenthe, het college geadviseerd over de vergunningsaanvraag.

2.1.

Eiser heeft met zijn Woo-verzoek informatie opgevraagd bij het college over deze omgevingsvergunning. Het college heeft met het primaire besluit een aantal stukken aan eiser verstrekt. Eiser wil – naast de verstrekte stukken – ook de beschikking krijgen over de adviesaanvraag van het college aan Libau. Tussen partijen is niet in geschil dat het college niet de beschikking heeft over de adviesaanvraag. Partijen verschillen van mening over de vraag of het college navraag had moeten doen bij Libau om langs die weg (mogelijk) alsnog de beschikking te krijgen over de adviesaanvraag.

2.2.

Volgens eiser is dit het geval en heeft het college ten onrechte alleen in haar eigen systemen gezocht naar informatie over de adviesaanvraag aan Libau. Door geen navraag te doen bij Libau heeft het college volgens eiser geen deugdelijke zoekslag verricht en kan het bestreden besluit niet in stand blijven. Het college is het niet eens met dit standpunt van eiser.

2.3.

Naar het oordeel van de rechtbank was er voor het college geen verplichting om navraag te doen bij Libau, omdat een wettelijke grondslag hiervoor ontbreekt. Op grond van artikel 4.2, tweede lid, van de Woo moet een bestuursorgaan informatie die het ‘op grond van enig wettelijk voorschrift’ had behoren te hebben vorderen van degene die over deze informatie beschikt. Het is echter gesteld noch gebleken dat het college op grond van enig wettelijk voorschrift de beschikking had moeten hebben over de schriftelijke adviesaanvraag aan Libau. Deze bepaling legt het college in deze zaak dus geen verplichting op.

2.4.

Van belang is verder dat ook niet gebleken is dat de schriftelijke adviesaanvraag daadwerkelijk bestaat. Het college heeft hierover toegelicht dat het een adviesaanvraag doet door diverse gegevens in te vullen in het online portaal van Libau en dat er na de afronding van de aanvraag in dit portaal geen document wordt samengesteld waarop de aanvraag zichtbaar is. Het portaal maakt – met andere woorden – geen uitdraai van de aanvraag voor het college. Eiser heeft niet toegelicht waarom dit voor Libau anders zou zijn en waarom Libau wel de beschikking zou hebben over een schriftelijke uitdraai van de adviesaanvraag. Van het college kan ook daarom niet verwacht worden dat zij informatie vordert van Libau.

2.5.

Het standpunt van eiser dat het college geen deugdelijke en controleerbare zoekslag heeft verricht door geen navraag te doen bij Libau, slaagt dus niet. Dat de zoekslag van het college om andere redenen niet deugdelijk of controleerbaar is, is door eiser niet gesteld. Zijn beroep slaagt daarom niet.

Conclusie en gevolgen

3. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B. Veenema, rechter, in aanwezigheid van

mr. K. Lenting, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 26 juni 2026.

griffierrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.