Uitspraak · Bestuursrecht

Rechtbank Noord-Nederland, 17 april 2026

ECLI:NL:RBNNE:2026:3273Zaaknummer LEE 25/2081

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
17 april 2026
Publicatiedatum
7 augustus 2026
Zaaknummer
LEE 25/2081
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats
Groningen
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000). Niet-ontvankelijkverklaring van een bezwaar tegen de vaststelling van een aanvullende beurs wegens een zeer ruime termijnoverschrijding. Geen sprake van een verschoonbare termijnoverschrijding. Beroep ongegrond.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.S. Broere, rechter, in aanwezigheid van mr. K. Lenting, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 17 april 2026.

griffierrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. [eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres
  2. Samenvatting
  3. Procesverloop
  4. Beoordeling door de rechtbank
  5. Conclusie en gevolgen
  6. Beslissing
  7. Informatie over hoger beroep

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: LEE 25/2081

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 april 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres

en

de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, Dienst Uitvoering Onderwijs,

de minister

(gemachtigde: mr. E. van den Berg).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar van eiseres tegen een besluit over de hoogte van haar aanvullende beurs. De minister heeft het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard omdat eiseres achttien jaar te laat is het met maken van bezwaar. Eiseres is het niet eens met dat besluit. Zij geeft aan dat zij destijds niet de informatie had die zij nu heeft en toen niet wist hoe zij voor haarzelf moest opkomen. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of de minister het bezwaar van eiseres terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.

1.1.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister het bezwaar niet-ontvankelijk heeft mogen verklaren. Eiseres krijgt geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Met het primaire besluit van 6 juni 2007 heeft de minister de hoogte van eiseres haar aanvullende beurs vastgesteld. Eiseres heeft tegen dit besluit op 24 januari 2025 bezwaar gemaakt.

2.1.

Met het bestreden besluit van 22 mei 2025 heeft de minister het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

2.2.

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.

2.3.

De rechtbank heeft het beroep op 24 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Is sprake van een verschoonbare termijnoverschrijding?

3. Eiseres stelt zich op het standpunt dat de hoogte van de aanvullende beurs onjuist is vastgesteld, omdat daarbij het inkomen van haar moeder is meegenomen. Als het inkomen van haar moeder niet meegenomen zou zijn, dan had zij een hogere aanvullende beurs gekregen en haar studie af kunnen maken. Dit is nu niet gelukt, omdat zij naast haar studie veel moest werken. Pas later is gebleken dat haar moeder niet haar echte (biologische) moeder was. Eiseres voert aan dat zij te laat bezwaar heeft gemaakt omdat zij ten tijde van de bezwaartermijn alleen een vermoeden had dat de door de minister aangemerkte moeder niet haar echte (biologische) moeder was. Zij wist dit niet zeker.

4. De rechtbank overweegt als volgt. Uit de Algemene wet bestuursrecht (Awb) volgt dat de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift zes weken bedraagt en het bezwaarschrift tijdig is ingediend als het voor het einde van die termijn is ontvangen.[_faa47391-f14d-48ed-aeff-3b31f190cb17] Als het bezwaarschrift na afloop van de termijn is ingediend is het gevolg daarvan, in beginsel, dat het bezwaar niet-ontvankelijk wordt verklaard. Dat is alleen anders als de indiener een goede reden had voor de termijnoverschrijding.[_86281d24-9bd1-428f-9ba1-92084b4fa086] Dit heet een verschoonbare reden.

4.1.

Het staat vast dat eiseres haar bezwaar achttien jaar te laat heeft ingediend. De rechtbank is van oordeel dat er geen sprake is van een verschoonbare reden voor die termijnoverschrijding. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij een goede reden had om het bezwaarschrift achttien jaar te laat in te dienen. Eiseres heeft namelijk op zitting toegelicht dat zij altijd al een vermoeden had dat de vrouw die de minister heeft aangemerkt als haar moeder voor de vaststelling van de hoogte van de aanvullende beurs, niet haar echte moeder was. De rechtbank is van oordeel dat eiseres onvoldoende heeft onderbouwd waarom zij niet eerder tegen het primaire besluit bezwaar heeft kunnen maken. Dat betekent dat er geen sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding. De minister heeft het bezwaar van eiseres terecht niet-ontvankelijk verklaard.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiseres krijgt het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.S. Broere, rechter, in aanwezigheid van mr. K. Lenting, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 17 april 2026.

griffierrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.