Uitspraak · Bestuursrecht

Rechtbank Noord-Nederland, 17 april 2026

ECLI:NL:RBNNE:2026:3271Zaaknummer LEE 25/1340

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
17 april 2026
Publicatiedatum
7 augustus 2026
Zaaknummer
LEE 25/1340
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats
Groningen
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000). Afwijzing van een verzoek om met terugwerkende kracht een draagkrachtmeting vast te stellen. De minister heeft de hardheidsclausule niet hoeven toepassen. Onvoldoende onderbouwd dat eiseres door medische omstandigheden niet in staat was tijdig een draagkrachtmeting aan te vragen. Beroep ongegrond.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.S. Broere, rechter, in aanwezigheid van mr. K. Lenting, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 17 april 2026.

griffierrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Wet studiefinanciering 2000

Artikel 6.71. De aflosfase volgt op de aanloopfase en beslaat behoudens toepassing van artikel 6.9, derde lid:a. 15 kalenderjaren voor de terugbetaling van een lening beroepsonderwijs; b. 35 kalenderjaren voor de terugbetaling van een lening hoger onderwijs.

Deze periode wordt verlengd met het aantal maanden dat gebruik is gemaakt van de aflosvrije periode op grond van het tweede lid.2. Op aanvraag van de debiteur wordt de terugbetaling voor ten hoogste 5 kalenderjaren opgeschort.3. Bij ministeriële regeling kunnen voorschriften worden vastgesteld met betrekking tot de opschorting, bedoeld in het tweede lid.

Artikel 10a.71. Indien de debiteur niet in staat is de vastgestelde termijnbetaling te voldoen, kan hij gedurende de aflosfase bij Onze Minister een aanvraag indienen om zijn draagkracht vast te stellen voor de resterende aflosfase.2. De draagkracht van de debiteur is zijn draagkracht uit inkomen.3. Bij ministeriële regeling kunnen voorschriften worden vastgesteld met betrekking tot de in het eerste lid bedoelde aanvraag.4. Indien het bedrag van de draagkracht hoger is dan het bedrag van de vastgestelde termijnbetaling, betaalt de debiteur het bedrag van de vastgestelde termijnbetaling.

Artikel 11.5Onze Minister kan voor bepaalde gevallen de wet en de daarop berustende bepalingen buiten toepassing laten of daarvan afwijken voor zover toepassing gelet op het belang dat deze wet beoogt te beschermen, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. [eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres
  2. Samenvatting
  3. Procesverloop
  4. Beoordeling door de rechtbank
  5. Conclusie en gevolgen
  6. Beslissing
  7. Informatie over hoger beroep
  8. Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: LEE 25/1340

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 april 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres

en

de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, de minister

(gemachtigde: mr. E. van den Berg).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van het verzoek van eiseres om een draagkrachtmeting over de periode april 2015 tot en met juni 2019. Eiseres is het oneens met de afwijzing. Eiseres heeft eerder over de periode april 2015 tot en met juni 2019 een aflosvrije periode aangevraagd en toegekend gekregen. Eiseres stelt dat zij in plaats daarvan beter een draagkrachtmeting had kunnen aanvragen, omdat haar draagkracht dan op € 0,00 was vastgesteld. Eiseres stelt dat zij op medische gronden buiten staat was haar financiële belangen te behartigen en zij wil dat met terugwerkende kracht de draagkracht over de betreffende periode alsnog wordt vastgesteld. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of de minister het verzoek op goede gronden heeft afgewezen.

1.1.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Met het primaire besluit van 24 oktober 2024 heeft de minister het verzoek om een draagkrachtmeting afgewezen. Eiseres heeft hiertegen bezwaar gemaakt.

2.1.

Met het bestreden besluit van 20 februari 2025 op het bezwaar van eiseres is de minister bij de afwijzing gebleven.

2.2.

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.

2.3.

De rechtbank heeft het beroep op 24 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

3. Eiseres wil dat haar draagkracht in de periode van april 2015 tot en met juni 2019 alsnog wordt vastgesteld op € 0,00. Eiseres stelt dat zij destijds, als gevolg van haar medische situatie, niet in staat was de gevolgen van haar keuzes goed te overzien. Zij was zich er niet van bewust dat het aanvragen van een aflosvrije periode niet de meest passende optie was en dat er alternatieven bestonden. In dit verband wijst zij op haar psychische klachten, waaronder ADHD en een angst- en stressstoornis. Eiseres verzoekt om toepassing van coulance en correctie van de door haar gemaakte keuze. Zij benadrukt dat zij, gelet op haar inkomen in de betreffende periode, feitelijk geen aflossingscapaciteit had en daarom geen voordeel heeft gehad van de door haar gekozen regeling. Eiseres heeft een overzicht van haar schulden in die periode overlegd.

4. De minister stelt zich op het standpunt dat uit de overgelegde medische verklaring alleen blijkt van een medische omstandigheid in de periode januari 2011 tot en met september 2013. Daaruit volgt niet dat eiseres in de periode 2015 tot en met 2019 wegens medische redenen niet in staat was haar financiële belangen te behartigen of een draagkrachtmeting aan te vragen. Daarnaast stelt de minister dat eiseres in het bericht van 6 januari 2015 is gewezen op de mogelijkheid van aflossen naar inkomen. Volgens de minister had het op eiseres haar weg gelegen om zich hierover te informeren, door bijvoorbeeld contact op te nemen met DUO. De minister benadrukt dat DUO niet kan beoordelen of een aflosvrije periode in een individueel geval de meest geschikte keuze is.

5. De rechtbank overweegt als volgt. In wat eiseres heeft aangevoerd heeft de minister geen aanleiding hoeven zien om onder toepassing van de hardheidsclausule de draagkracht van eiseres met terugwerkende kracht vast te stellen over de aflosvrije maanden in de jaren 2015 tot en met 2019.

5.1.

Artikel 10a.7, eerste lid, van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000) bepaalt dat indien de debiteur niet in staat is de vastgestelde termijnbetaling te voldoen, hij gedurende de aflosfase een aanvraag kan indienen om zijn draagkracht vast te stellen voor de resterende aflosfase. Deze regeling voorkomt dat debiteuren worden geconfronteerd met betalingsverplichtingen waaraan zij niet kunnen voldoen. Op grond van dit artikel kan draagkracht alleen voor de resterende aflosfase worden vastgesteld en dus niet met terugwerkende kracht.[_d3938c85-ae93-41ab-bada-c9d8e09703b3]

5.2.

De onbekendheid van eiseres met de mogelijkheid tot een draagkrachtmeting leidt er niet toe dat de minister de hardheidsclausule had moeten toepassen.[_5ee82cc0-a834-44d6-87b3-faa9ced448cc]De minister heeft in het verweerschrift toegelicht dat de mogelijkheid bestaat om telefonisch contact op te nemen met DUO om een draagkrachtberekening te laten uitvoeren om te bepalen of eiseres de aflosvrije periode kon stopzetten. De rechtbank ziet geen aanleiding om dit standpunt van de minister niet te volgen. Eiseres had een informatievraag aan de minister kunnen stellen.

5.3.

Eiseres haar stelling dat zij hiertoe niet in staat was, heeft zij niet voldoende onderbouwd. In de medische verklaring staat dat bij eiseres in de periode januari 2011 tot en met september 2013 sprake was van een medische omstandigheid. Hieruit blijkt niet dat eiseres in 2015 tot en met 2019 op grond van een medische omstandigheid buiten staat was om haar financiële belangen – eventueel met hulp van derden – goed te kunnen behartigen waardoor zij ten onrechte geen draagkrachtmeting heeft aangevraagd. Ook hierin ziet de rechtbank geen aanleiding voor het toepassen van de hardheidsclausule.

5.4.

Gelet op het bovenstaande heeft de minister naar het oordeel van de rechtbank zich terecht op het standpunt gesteld dat het bezwaar van eiseres tegen de afwijzing van het verzoek om een draagkrachmeting voor de periode 2015 tot en met 2019 niet kan slagen.

6. Tot slot merkt de rechtbank op dat de minister op zitting heeft toegelicht dat eiseres op dit moment in een oude, ongunstige betalingsregeling zit. De minister gaat er voor zorgen dat eiseres vanaf 1 april 2026 de overstap maakt naar een gunstigere betalingsregeling.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.S. Broere, rechter, in aanwezigheid van mr. K. Lenting, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 17 april 2026.

griffierrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Wet studiefinanciering 2000

Artikel 6.71. De aflosfase volgt op de aanloopfase en beslaat behoudens toepassing van artikel 6.9, derde lid:a. 15 kalenderjaren voor de terugbetaling van een lening beroepsonderwijs; b. 35 kalenderjaren voor de terugbetaling van een lening hoger onderwijs.

Deze periode wordt verlengd met het aantal maanden dat gebruik is gemaakt van de aflosvrije periode op grond van het tweede lid.2. Op aanvraag van de debiteur wordt de terugbetaling voor ten hoogste 5 kalenderjaren opgeschort.3. Bij ministeriële regeling kunnen voorschriften worden vastgesteld met betrekking tot de opschorting, bedoeld in het tweede lid.

Artikel 10a.71. Indien de debiteur niet in staat is de vastgestelde termijnbetaling te voldoen, kan hij gedurende de aflosfase bij Onze Minister een aanvraag indienen om zijn draagkracht vast te stellen voor de resterende aflosfase.2. De draagkracht van de debiteur is zijn draagkracht uit inkomen.3. Bij ministeriële regeling kunnen voorschriften worden vastgesteld met betrekking tot de in het eerste lid bedoelde aanvraag.4. Indien het bedrag van de draagkracht hoger is dan het bedrag van de vastgestelde termijnbetaling, betaalt de debiteur het bedrag van de vastgestelde termijnbetaling.

Artikel 11.5Onze Minister kan voor bepaalde gevallen de wet en de daarop berustende bepalingen buiten toepassing laten of daarvan afwijken voor zover toepassing gelet op het belang dat deze wet beoogt te beschermen, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.