Uitspraak · Bestuursrecht

Rechtbank Noord-Nederland, 9 april 2026

ECLI:NL:RBNNE:2026:3260Zaaknummer LEE 24/3782

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
9 april 2026
Publicatiedatum
7 augustus 2026
Zaaknummer
LEE 24/3782
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Wet inburgering 2021. Geschil over de startdatum van de inburgering in een Persoonlijk Plan Inburgering en Participatie (PIP). Het college heeft de startdatum op goede gronden vastgesteld. Beroep ongegrond.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.H. de Groot, rechter, in aanwezigheid van mr. K. Lenting, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 9 april 2026.

griffierrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Wet inburgering 2021

Artikel 111. De inburgeringsplichtige voldoet binnen drie jaar aan de inburgeringsplicht. 2. De termijn vangt aan op de dag na die van dagtekening van het persoonlijk plan inburgering en participatie, bedoeld in artikel 15, derde lid. 3. Het moment van aanvang wijzigt niet, indien het persoonlijk plan inburgering en participatie: a. al dan niet gedeeltelijk herroepen of vernietigd wordt, en er in de plaats daarvan een gewijzigd plan wordt vastgesteld; of b. opnieuw wordt vastgesteld.

Artikel 121. Onze Minister verlengt telkens de termijn, bedoeld in artikel 11, eerste lid, als de inburgeringsplichtige aannemelijk maakt dat:a. het overschrijden van die termijn hem niet te verwijten valt; ofb. na aanzienlijke inspanningen van de inburgeringsplichtige, verlenging leidt tot het voldoen aan de inburgeringsplicht conform de op grond van artikel 15 vastgestelde leerroute. 2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over:a. de toepassing van het eerste lid; enb. de verdere verlenging van de termijn.

Artikel 131. Het college voorziet in de maatschappelijke begeleiding van de inburgeringsplichtige die rechtmatig verblijf heeft op grond van een:

Artikel 151. Het college stelt op basis van de brede intake vast:a. de door de inburgeringsplichtige te volgen leerroute;b. de daarvoor nodige ondersteuning en begeleiding;c. de intensiteit van het participatieverklaringstraject en de module Arbeidsmarkt en Participatie; end. voor zover van toepassing, welke afspraken er zijn gemaakt met de inburgeringsplichtige over het deelnemen van diens kind aan de voorschoolse educatie, bedoeld in artikel 1.1 van de Wet kinderopvang, of de vroegschoolse educatie, bedoeld in artikel 1 van de Wet op het primair onderwijs.2. Het college stelt voor een inburgeringsplichtige als bedoeld in artikel 13, eerste lid, de intensiteit van de leerroute vast.3. Voor zover van toepassing voegt het college bij de beschikking, bedoeld in het eerste lid en tweede lid, beschikkingen op grond van de Participatiewet waarin rechten zijn toegekend of plichten zijn opgelegd met het oog op de bevordering van participatie en waarin de verplichting, bedoeld in artikel 56a van die wet, is vastgesteld, wat tezamen het persoonlijk plan inburgering en participatie vormt.4. Als de inburgeringsplichtige, voor wie de leerroute is vastgesteld, zijn woonplaats verplaatst naar een andere gemeente, stelt het college van de andere gemeente in afwijking van artikel 14, derde lid, tweede zin, aanhef en onderdelen a en b de leerroute vast conform de eerder vastgestelde leerroute.

5. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur wordt bepaald binnen welke termijn het persoonlijk plan inburgering en participatie wordt opgesteld.6. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over het vaststellen door het college en het persoonlijk plan inburgering en participatie.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. [eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres
  2. Samenvatting
  3. Procesverloop
  4. Beoordeling door de rechtbank
  5. Conclusie en gevolgen
  6. Beslissing
  7. Informatie over hoger beroep
  8. Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: LEE 24/3782

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 april 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Emmen, het college

(gemachtigden: E. Bosch-Kiers en B. Ferati).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het beroep van eiseres tegen het besluit van het college over haar Persoonlijk Plan Inburgering en Participatie (PIP). Eiseres haar bezwaren zijn gericht tegen de startdatum van de inburgering. Zij wil pas beginnen met inburgeren als haar zoon meerderjarig is. Aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of het college de startdatum in het PIP op goede gronden heeft vastgesteld.

1.1.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiseres komt uit Honduras en verblijft sinds november 2022 bij haar partner in Emmen.

2.1.

Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) heeft bij besluit van 5 december 2022 eiseres bericht dat zij inburgeringsplichtig is. Eiseres heeft hiertegen geen bezwaar gemaakt, omdat in het besluit een rechtsmiddelenclausule ontbrak.

2.2.

Op 12 april 2023 heeft het college voor eiseres het PIP vastgesteld. In dit plan is de leerroute vastgelegd die eiseres moet volgen in het kader van haar inburgering in Nederland. Volgens het PIP volgt eiseres de zogenaamde B1-leerroute. Daarbij gaat eiseres gedurende een cursus volgen bij Vluchtelingenwerk Noord-Nederland en deelnemen aan de Module Arbeidsmarkt en Participatie. De startdatum is 13 april 2023, een dag na de vaststelling van het PIP.

2.3.

Vanwege het ontbreken van een bezwaarclausule in het besluit van DUO, heeft het college het bezwaar breder onderzocht en ook gekeken of eiseres inburgeringsplichtig is.

2.4.

Met het bestreden besluit van 25 juli 2024 op het bezwaar van eiseres is het college bij het primaire besluit gebleven.

2.5.

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.

2.6.

De rechtbank heeft het beroep op 12 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres vergezeld door haar partner en de gemachtigden van het college.

Beoordeling door de rechtbank

Heeft het college de startdatum in het PIP op goede gronden vastgesteld?

3. Eiseres is het oneens met de startdatum van de inburgering en zij wil pas beginnen met inburgeren zodra haar zoon meerderjarig is. Zij stelt dat de huidige verplichting strijdig is met het gelijkheidsbeginsel. Daartoe voert eiseres aan dat personen met de Spaanse nationaliteit met een Spaans of Nederlands minderjarig kind, en personen met de Hondurese nationaliteit met een Nederlands minderjarig kind niet inburgeringsplichtig zijn, waardoor sprake is van ongelijke behandeling. Haar zoon is EU-burger en eiseres wordt niet gelijk behandeld ten opzichte van andere moeders van een EU-burgerkind. Daarnaast heeft eiseres de dagelijkse zorg voor haar minderjarige zoon. De verplichting tot inburgering is daarom in strijd met haar recht op gezinsleven. Zij is bereid de inburgeringsplicht te vervullen zodra haar zoon meerderjarig is. De PIP moet daarom pas op dat moment van start gaan.

4. Het college voert aan dat zij niet zelfstandig beslist over de inburgeringsplicht. Dit wordt bepaald door DUO op basis van de verblijfsvergunning. DUO heeft vastgesteld dat eiseres inburgeringsplichtig is. Het college heeft daarna op juiste gronden het PIP vastgesteld. Een ieder die op grond van eenzelfde verblijfsvergunning als eiseres in Nederland verblijft is inburgeringsplichtig. Het feit dat eiseres Spaans spreekt maakt dit niet anders. De situatie van eiseres, waaronder het hebben van een minderjarige zoon, is besproken en meegenomen in de praktische invulling van het PIP. De wet laat geen ruimte om af te wijken van de startdatum van de inburgering. Het college wijst erop dat het PIP flexibel kan worden gevolgd waarbij rekening wordt gehouden met de zorgplicht van eiseres.

5. De rechtbank overweegt als volgt. Niet in geschil is dat eiseres verplicht is om in te burgeren.[_74d9d879-a36c-4de1-a3f5-5422afdd1e33] Deze verplichting omvat onder andere het behalen van het inburgeringsexamen.[_3d37dd70-1735-4c0a-a710-20d8fa7fcd12] Het college stelt op basis van een brede intake en in overleg met de inburgeringsplichtige de voor de inburgering te volgen leerroute vast in het PIP.[_d0ebf05d-345d-4fe2-b245-6f88b794de78] Voor de inburgeringsplichtige zijn drie verschillende leerroutes ontworpen die rekening houden met de persoonlijke omstandigheden en capaciteiten van de inburgeringsplichtige. Elke inburgeringsplichtige volgt de route die het beste aansluit bij zijn of haar capaciteiten en mogelijkheden.[_9dcbbbd5-c2f7-40d7-95fb-a4d69c54b740]

5.1.

De rechtbank oordeelt dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat de voor haar vastgestelde leerroute niet aansluit bij haar capaciteiten en mogelijkheden. Dat zij voor haar zoon moet zorgen, betekent niet dat eiseres niet kan voldoen aan de verplichtingen uit het PIP. Eiseres heeft dit niet onderbouwd. Bovendien heeft eiseres drie jaar de tijd om aan haar inburgeringsverplichtingen uit het PIP te voldoen. Eiseres kan zelf invulling geven aan het programma dat zij volgt. De rechtbank is van oordeel dat de impact van de aan eiseres opgelegde verplichtingen hiermee beperkt is.

5.2.

De rechtbank is verder van oordeel dat in het onderhavige geval geen sprake is van strijdigheid met het gelijkheidsbeginsel. Er is alleen sprake van strijd met het gelijkheidsbeginsel als wordt afgeweken van het beginsel dat gelijke gevallen gelijk worden behandeld wanneer daarvoor geen rechtvaardiging te vinden is. Een ieder die op grond van eenzelfde verblijfsvergunning als eiseres in Nederland verblijft is inburgeringsplichtig. Het feit dat eiseres Spaans spreekt maakt dit niet anders.

5.3.

De rechtbank stelt vast dat DUO op 5 december 2022 heeft bepaald dat eiseres inburgeringsplichtig is. Het college is niet bevoegd om hier van af te wijken.[_f6111eb1-c95f-4876-bc96-52b6c50a466f] Dit geldt ook ten aanzien van de feitelijke startdatum van 13 april 2023 in het PIP.[_c8823dc9-3b96-43a8-9ef3-755efa656f15]

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.H. de Groot, rechter, in aanwezigheid van mr. K. Lenting, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 9 april 2026.

griffierrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Wet inburgering 2021

Artikel 111. De inburgeringsplichtige voldoet binnen drie jaar aan de inburgeringsplicht. 2. De termijn vangt aan op de dag na die van dagtekening van het persoonlijk plan inburgering en participatie, bedoeld in artikel 15, derde lid. 3. Het moment van aanvang wijzigt niet, indien het persoonlijk plan inburgering en participatie: a. al dan niet gedeeltelijk herroepen of vernietigd wordt, en er in de plaats daarvan een gewijzigd plan wordt vastgesteld; of b. opnieuw wordt vastgesteld.

Artikel 121. Onze Minister verlengt telkens de termijn, bedoeld in artikel 11, eerste lid, als de inburgeringsplichtige aannemelijk maakt dat:a. het overschrijden van die termijn hem niet te verwijten valt; ofb. na aanzienlijke inspanningen van de inburgeringsplichtige, verlenging leidt tot het voldoen aan de inburgeringsplicht conform de op grond van artikel 15 vastgestelde leerroute. 2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over:a. de toepassing van het eerste lid; enb. de verdere verlenging van de termijn.

Artikel 131. Het college voorziet in de maatschappelijke begeleiding van de inburgeringsplichtige die rechtmatig verblijf heeft op grond van een:

Artikel 151. Het college stelt op basis van de brede intake vast:a. de door de inburgeringsplichtige te volgen leerroute;b. de daarvoor nodige ondersteuning en begeleiding;c. de intensiteit van het participatieverklaringstraject en de module Arbeidsmarkt en Participatie; end. voor zover van toepassing, welke afspraken er zijn gemaakt met de inburgeringsplichtige over het deelnemen van diens kind aan de voorschoolse educatie, bedoeld in artikel 1.1 van de Wet kinderopvang, of de vroegschoolse educatie, bedoeld in artikel 1 van de Wet op het primair onderwijs.2. Het college stelt voor een inburgeringsplichtige als bedoeld in artikel 13, eerste lid, de intensiteit van de leerroute vast.3. Voor zover van toepassing voegt het college bij de beschikking, bedoeld in het eerste lid en tweede lid, beschikkingen op grond van de Participatiewet waarin rechten zijn toegekend of plichten zijn opgelegd met het oog op de bevordering van participatie en waarin de verplichting, bedoeld in artikel 56a van die wet, is vastgesteld, wat tezamen het persoonlijk plan inburgering en participatie vormt.4. Als de inburgeringsplichtige, voor wie de leerroute is vastgesteld, zijn woonplaats verplaatst naar een andere gemeente, stelt het college van de andere gemeente in afwijking van artikel 14, derde lid, tweede zin, aanhef en onderdelen a en b de leerroute vast conform de eerder vastgestelde leerroute.

5. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur wordt bepaald binnen welke termijn het persoonlijk plan inburgering en participatie wordt opgesteld.6. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over het vaststellen door het college en het persoonlijk plan inburgering en participatie.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.