Uitspraak · Bestuursrecht
Rechtbank Noord-Nederland, 30 juli 2026
ECLI:NL:RBNNE:2026:3242Zaaknummer LEE 26/2337 en LEE 26/2412
- Instantie
- Rechtbank Noord-Nederland
- Datum uitspraak
- 30 juli 2026
- Publicatiedatum
- 6 augustus 2026
- Zaaknummer
- LEE 26/2337 en LEE 26/2412
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht
- Procedure
- Voorlopige voorziening
- Zittingsplaats
- Groningen
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Evenementenvergunning voor organiseren dorpsfeest Artikel 3 en artikel 5 van de Beleidsregels concurrerende vergunningaanvragen voor evenementen in de gemeente Westerkwartier Heeft de burgemeester in redelijkheid de vergunning verleend aan Deli Park en geweigerd verzoekster een vergunning te verlenen? Vraag wordt met ja beantwoord
Beslissing
De voorzieningenrechter:
- wijst de verzoeken om een voorlopige voorziening af;
- draagt de burgemeester op het door verzoekster betaalde griffierecht van € 397,- aan haar
te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.G. Wijtsma, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. J.A. van Loo, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 30 juli 2026.
| de griffier is verhinderd om de uitspraak te tekenen. | voorzieningenrechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
- Stichting Zevenhuister Entertainment Group (ZEG), uit Zevenhuizen, verzoekster
- Als derde-partij neemt aan de zaken deel: Stichting Deli Park (Deli Park).
- Samenvatting
- Procesverloop
- Beoordeling door de voorzieningenrechter
- Conclusie en gevolgen
- Beslissing
- Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummers: LEE 26/2337 en LEE 26/2412
uitspraak van de voorzieningenrechter van 30 juli 2026 in de zaken tussen
Stichting Zevenhuister Entertainment Group (ZEG), uit Zevenhuizen, verzoekster
(gemachtigde: [naam] ),
en
de burgemeester van Westerkwartier
(gemachtigden: mr. A. Veenstra en J. de Graaf).
Als derde-partij neemt aan de zaken deel: Stichting Deli Park (Deli Park).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over het besluit van de burgemeester om de aanvraag van verzoekster voor een evenementenvergunning te weigeren (zaak LEE 26/2337) en het besluit om aan Deli Park een evenementenvergunning te verlenen (zaak LEE 26/2412). Verzoekster is het met beide besluiten niet eens. Zij verzoekt daarom om voorlopige voorzieningen en voert daartoe een aantal gronden aan. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of hij een voorlopige voorziening zal treffen of de bezwaren tegen de besluiten een redelijke kans van slagen hebben. Dat kan een reden zijn om de bestreden besluiten te schorsen. Deze vraag beantwoordt hij aan de hand van de gronden van verzoekster.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak de verzoeken af. Hierna legt hij uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Procesverloop
2. Verzoekster heeft op 29 januari 2026 een aanvraag ingediend voor een evenementenvergunning. Zij heeft daarbij aangegeven op 14 en 15 augustus 2026 een evenement te willen organiseren op de Oudestreek 8a in Zevenhuizen. De burgemeester heeft deze aanvraag met het besluit van 16 juli 2026 geweigerd, omdat gelijktijdig een ander evenement op deze locatie wordt georganiseerd waarvoor een evenementenvergunning is verleend. Verzoekster heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen. Deze zaak is bij de rechtbank geregistreerd onder nummer LEE 26/2337.
Deli Park heeft op 20 maart 2026 ook een evenementenvergunning aangevraagd. Zij is van plan om op 14 en 15 augustus 2026 op dezelfde locatie, Oudestreek 8a in Zevenhuizen, een festival te organiseren. De burgemeester heeft Deli Park bij besluit van 16 juli 2026 de gevraagde vergunning verleend. Verzoekster heeft ook tegen dit besluit bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Deze zaak is bij de rechtbank geregistreerd onder nummer LEE 26/2412.
De voorzieningenrechter heeft de verzoeken op 29 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben de gemachtigde van verzoekster en de gemachtigden van de burgemeester deelgenomen.
Op 30 juli 2026 heeft de voorzieningenrechter partijen telefonisch laten weten dat hij de verzoeken heeft afgewezen. Hieronder volgt de motivering van zijn uitspraak.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
Spoedeisend belang
3. Indien tegen een besluit bij de bestuursrechter bezwaar is gemaakt kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
Tussen partijen is niet in geschil, en ook voor de voorzieningenrechter staat vast, dat verzoekster een spoedeisend belang heeft bij haar verzoeken om een voorlopige voorziening.
Standpunt verzoekster
4. Verzoekster is van mening dat de burgemeester de Beleidsregels concurrerende vergunningaanvragen voor evenementen in de gemeente Westerkwartier (de Beleidsregels), op basis waarvan haar vergunning is afgewezen en de vergunning aan Deli Park is verleend, niet op juiste wijze heeft uitgelegd en toegepast. De burgemeester heeft onvoldoende gemotiveerd waarom artikel 3 van de Beleidsregels buiten toepassing zou moeten blijven en waarom artikel 5 van de Beleidsregels volgens de burgemeester wél van toepassing is. Ook zijn naar haar mening meerdere algemene beginselen van behoorlijk bestuur geschonden.
Standpunt burgemeester
5. De burgemeester stelt zich op het standpunt dat concurrerende aanvragen in de Beleidsregels worden gedefinieerd aan de hand van de feitelijke situatie (zelfde locatie en datum) en niet aan de hand van het moment van indiening. In een situatie waarin aanvragen elkaar wederzijds uitsluiten, is de in artikel 3, tweede lid, van de Beleidsregels opgenomen regeling van ‘in de wacht zetten’ daarom niet passend. Om die reden is aangesloten bij het beoordelingskader van artikel 5 van de Beleidsregels. De vergunning is, gelet op de historie, verleend aan Deli Park, omdat het evenement dat Deli Park organiseert al meerdere jaren (minimaal vijf jaar) plaatsvindt in de gemeente. Zo zijn de besluiten volgens de burgemeester in overeenstemming met de bedoeling van de Beleidsregels.
Het toetsingskader
6. In artikel 2:25 van de Algemene plaatselijke verordening gemeente Westerkwartier 2021 (de APV) is bepaald dat het verboden is zonder of in afwijking van een vergunning van de burgemeester een evenement te organiseren. Als sprake is van concurrerende vergunningaanvragen, zijn van toepassing de Beleidsregels.
Op grond van het bepaalde in artikel 3, eerste lid, van de Beleidsregels, geldt voor de aanvragen die zijn ingediend zes maanden of eerder vóór de datum waarop de aanvrager de vergunning nodig heeft, de regeling zoals opgenomen in artikel 5 van de Beleidsregels.
In het tweede lid van artikel 3 van de Beleidsregels staat dat voor aanvragen die minder dan zes maanden voor de datum waarop de aanvrager de vergunning nodig heeft zijn ingediend, geldt dat deze op volgorde van binnenkomst worden behandeld volgens het principe ‘wie het eerst komt, wie het eerst maalt’.
Als sprake is van concurrerende aanvragen, worden op grond van het bepaalde in het eerste lid van artikel 5 van de Beleidsregels, de organisatoren met elkaar in contact gebracht om te kijken of er een gezamenlijke oplossing gevonden kan worden. Als dat niet lukt, dan bepaalt de burgemeester aan welke organisatie de vergunning wordt verleend. Dat staat in het tweede lid van artikel 5 van de Beleidsregels. De criteria waaraan hij dan toetst, staan genoemd onder artikel 5, tweede 2, onder a, b en c, van de Beleidsregels.
De beleidsregels
7. Uitgangspunt bij het formuleren van beleidsregels is dat zulke regels kenbaar en duidelijk moeten zijn. De voorzieningenrechter is echter van oordeel dat de Beleidsregels niet op alle punten duidelijk zijn. Uit het verzoekschrift maakt hij op dat verzoekster zich, mede door de bij haar ontstane onduidelijkheid over de uitleg van de Beleidsregels, genoodzaakt voelde om de voorlopige voorzieningen aan te vragen. Het gaat dan met name over de uitleg van artikel 3 van de Beleidsregels. Dit artikel voorziet in de situatie waarin er meerdere aanvragen langer dan zes maanden vóór het evenement zijn ingediend (eerste lid) en aanvragen die na die termijn zijn ingediend (tweede lid). Het voorziet echter niet in de situatie, zoals in dit geval, dat er één aanvraag is ingediend langer dan zes maanden vóór het evenement en één aanvraag daarna. Op grond van de Beleidsregels moet de aanvraag die valt onder het eerste lid, zoals de aanvraag van verzoekster, worden beoordeeld aan de hand van het bepaalde in artikel 5 van de Beleidsregels. Echter, in dat artikel wordt ervan uitgegaan dat er sprake is van één of meerdere concurrerende aanvragen die met elkaar worden vergeleken. Het heeft geen betrekking op de beoordeling van een enkele aanvraag. Dit betekent dat artikel 5 van de Beleidsregels niet kan worden toegepast als er sprake is van één enkele aanvraag. De voorzieningenrechter adviseert de burgemeester daarom om het beleid op dit punt aan te passen en daarin een regeling op te nemen voor het geval dat sprake is van één aanvraag die valt onder het eerste lid van artikel 3 en één of meerdere aanvragen die valt/vallen onder het tweede lid ervan. Dit heft de onduidelijkheid van de Beleidsregels op en kan problemen in de toekomst voorkomen.
Dit neemt echter niet weg dat duidelijk is dat in dit geval sprake is van twee concurrerende aanvragen en dat het de bedoeling van de burgemeester is om in gevallen als deze aan de hand van het bepaalde in artikel 5 van de Beleidsregels de aanvragen te beoordelen. Dat dit ook de bedoeling van de Beleidsregels is, heeft de burgemeester in zijn beslissing, in zijn verweerschrift en op de zitting benadrukt. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de burgemeester in dat licht bezien deze beoordeling op juiste wijze heeft verricht en in redelijkheid tot zijn besluit heeft kunnen komen om de aanvraag van verzoekster af te wijzen en de aanvraag van Deli Park toe te wijzen. In navolging van het eerste lid van artikel 5 van de Beleidsregels, zijn verzoekster en Deli Park uitgenodigd voor een overleg, maar dat heeft niet tot het gewenste resultaat geleid. Vervolgens is de burgemeester de criteria van het tweede lid van artikel 5 langsgelopen en heeft hij geconcludeerd dat op basis van de historie (de b-grond) de vergunning aan Deli Park dient te worden toegekend. Voor beide evenementen is voor wat betreft de historie dezelfde beoordelingsmaatstaf gehanteerd, namelijk de vraag of sprake is van een bestendig en terugkerend evenement of van een herkenbare evenementenreeks. Gebleken is dat Deli Park of een voorganger daarvan, gedurende een langere periode dan verzoekster, een evenement in de gemeente Westerkwartier heeft georganiseerd. De burgemeester heeft zijn standpunt voldoende gemotiveerd. Dat hij hierbij gehandeld zou hebben in strijd met het motiveringsbeginsel dan wel het zorgvuldigheidsbeginsel, zoals door verzoekster heeft aangevoerd, is niet gebleken.
De voorzieningenrechter merkt over de Beleidsregels tot slot nog op dat een andere interpretatie dan hiervoor aangegeven ertoe zou leiden dat de Beleidsregels niet kunnen worden toegepast en beide besluiten moeten worden geschorst, waardoor de kans bestaat dat géén van beide evenementen op 14 en 15 augustus 2026 kan doorgaan. Dit acht hij niet in het belang van verzoekster, Deli Park en de inwoners van Zevenhuizen.
De algemene beginselen van behoorlijk bestuur
8. Verzoekster is van mening dat de burgemeester heeft gehandeld in strijd met meerdere algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Dat er strijd zou zijn met het vertrouwensbeginsel, heeft zij op de zitting niet langer gehandhaafd. Voor wat betreft haar standpunt dat de burgemeester heeft gehandeld in strijd met het motiveringsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel, verwijst de voorzieningenrechter naar wat hij daarover onder punt 7.1. van deze uitspraak heeft overwogen.
Voor wat betreft het standpunt van verzoekster dat de burgemeester heeft gehandeld in strijd met het verbod op vooringenomenheid, overweegt de voorzieningenrechter dat hem daarvan niet is gebleken. Dat Deli Park, voordat de vergunning was verleend, al via verschillende kanalen publiekelijk heeft aangegeven op 14 en 15 augustus een evenement te organiseren, komt voor risico van Deli Park. Daaruit kan niet worden afgeleid dat Deli Park bij voorbaat mocht verwachten de aangevraagde vergunning te verkrijgen.
Tot slot heeft verzoekster aangevoerd dat sprake is van schending van het evenredigheidsbeginsel. Zij lijdt aanzienlijke financiële schade als het evenement geen doorgang kan vinden. Er is sprake van onomkeerbare gevolgen. De voorzieningenrechter overweegt dat in een situatie waarin het gaat om de keuze tussen twee aanvragen, de kans nu eenmaal bestaat dat degene die de vergunning niet krijgt, schade zal lijden. Dat is ook in dit geval niet te voorkomen. Door zonder vergunning een evenement te organiseren, heeft verzoekster het risico genomen dat zij bij afwijzing van de vergunning schade zal lijden. Dit maakt echter niet dat de burgemeester heeft gehandeld in strijd met het evenredigheids-beginsel.
9. Gelet op wat hiervoor is overwogen, is de voorzieningenrechter van oordeel dat de door verzoekster ingediende bezwaren geen redelijke kans van slagen hebben. Hij wijst de verzoeken om een voorlopige voorziening daarom af.
Conclusie en gevolgen
10. De voorzieningenrechter wijst de verzoeken om een voorlopige voorziening af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
De voorzieningenrechter ziet, gelet op het feit dat de Beleidsregels niet geheel duidelijk zijn waardoor verzoekster zich genoodzaakt voelde om de verzoeken in te dienen, aanleiding om de burgemeester op te dragen het door verzoekster betaalde griffierecht te vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter:
- wijst de verzoeken om een voorlopige voorziening af;
- draagt de burgemeester op het door verzoekster betaalde griffierecht van € 397,- aan haar
te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.G. Wijtsma, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. J.A. van Loo, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 30 juli 2026.
| de griffier is verhinderd om de uitspraak te tekenen. | voorzieningenrechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.