Uitspraak · Personen- en familierecht
Rechtbank Noord-Nederland, 14 juli 2026
ECLI:NL:RBNNE:2026:2829Zaaknummer C/18/256955
- Instantie
- Rechtbank Noord-Nederland
- Datum uitspraak
- 14 juli 2026
- Publicatiedatum
- 15 juli 2026
- Zaaknummer
- C/18/256955
- Rechtsgebied
- Civiel recht, Personen- en familierecht
- Procedure
- Beschikking
- Zittingsplaats
- Groningen
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Schending kinderrechten en naturalisatie. De rechter oordeelt in deze zaak over het Nederlanderschap van een minderjarig meisje dat haar gehele leven in Nederland woont, in jeugdzorg verblijft en door een strafrechtelijke veroordeling van haar moeder feitelijk het Nederlanderschap is misgelopen. In de overwegingen staat centraal dat zij niet mag worden “meegestraft” voor het handelen van haar moeder en dat, gelet op haar worteling in Nederland en haar kwetsbare positie in de jeugdzorg, naturalisatie op grond van het belang van het kind en humanitaire redenen alsnog behoort plaats te vinden.
4 De beslissing
De rechter:
beëindigt het ouderlijk gezag van de moeder over [de minderjarige];
benoemt de GI tot voogd over [de minderjarige];
gelast de administratie van deze rechtbank om die beslissingen over het gezag in te schrijven in het gezagsregister;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 14 juli 2026 door mr. B.R. Tromp, rechter, bijgestaan door mr. R.C. Bernard, griffier.
Als u het niet eens met de beslissingen die de rechter heeft genomen, kunt u in hoger beroep. Maar let op! Hoger beroep kunt u niet zelf instellen. U moet daarvoor naar een advocaat. Een advocaat kan voor u hoger beroep instellen bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Belangrijk is dat u snel naar een advocaat gaat. Hoger beroep moet bijna altijd binnen drie maanden na de dag van de uitspraak worden ingesteld.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Groningen
Zaaknummer: C/18/256955 / FA RK 26-3453
Beschikking van 14 juli 2026 over de beëindiging van het gezag
in de zaak van
de Raad voor de Kinderbescherming,
regio Noord Nederland, locatie Groningen,
die hierna 'de Raad' wordt genoemd,
over
[Naam van de minderjarige],
die is geboren op [geboortedag] [geboortemaand] 2011 in [geboorteplaats],
en die hierna ' [de minderjarige] ' wordt genoemd.
De rechtbank merkt als belanghebbende aan:
[Naam van de moeder],
die woont in [woonplaats],
en die hierna 'de moeder' wordt genoemd,
advocaat mr. M. Wierts, die kantoor houdt in Groningen.
De rechtbank merkt als informant aan:
de gecertificeerde instelling
William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering,
die is gevestigd in Amsterdam,
en die hierna 'de GI' wordt genoemd.
1 Het verloop van de procedure
Deze procedure is ingeleid met een verzoekschrift van de Raad, dat de rechtbank heeft ontvangen op 22 mei 2026.
Op 7 juli 2026 heeft de rechter met [de minderjarige] gesproken.
Op 10 juli 2026 heeft de rechter het verzoek mondeling behandeld. Hij heeft toen gesproken met mr. M. Wierts, drs. [naam 1], die de Raad vertegenwoordigt en [naam 2], die de GI vertegenwoordigt.
Ten slotte is bepaald dat vandaag deze beschikking wordt gegeven.
2 De feiten
De rechter gaat bij de beoordeling van het verzoek uit van de volgende feiten.
[De minderjarige] is een meisje van nu vijftien jaar oud. Het gezag over haar wordt uitgeoefend door de moeder. De vader van [de minderjarige] is niet in beeld.
[De minderjarige] en de moeder hebben geen officiële nationaliteit. Zij verblijven in Nederland op basis van een verblijfstitel.
In verband met de persoonlijke en verslavingsproblematiek van de moeder, is [de minderjarige] op zeer jonge leeftijd (zij was toen ongeveer elf maanden oud) vrijwillig uit huis geplaatst.
[De minderjarige] heeft van 2012 tot 2019 in verschillende pleeggezinnen gewoond. Sinds april 2019 woonde [de minderjarige] bij zorggroep [naam zorggroep], eerst in een gezinshuis en sinds het najaar van 2024 in een 24-uurs accommodatie. Recent is zij naar een 24-uurs accommodatie van [naam accommodatie] verhuisd.
Het contact tussen [de minderjarige] en de moeder verloopt moeizaam. GP Zorg is sinds 2022 betrokken bij de contactmomenten tussen [de minderjarige] en de moeder. Sindsdien hebben in totaal twaalf contactmomenten plaatsgevonden, waarbij in 2025 op initiatief van [de minderjarige] ongeveer één jaar geen contact is geweest.
3 De beoordeling
De rechter beëindigt het gezag van de moeder over [de minderjarige] en benoemt de GI tot voogd over haar. Hij legt hierna uit hoe hij tot deze beslissing is gekomen.
[De minderjarige] wordt al haar hele leven ernstig in haar ontwikkeling bedreigd. Die ontwikkelingsbedreiging komt voort uit het onvermogen van de moeder om voor haar te zorgen als gevolg van haar ernstige, blijvende verslavings- en gedragsproblematiek.
[De minderjarige] woont daardoor al sinds zij elf maanden oud is niet meer bij de moeder, maar in pleeggezinnen en accommodaties voor jeugdzorg. Er is in alle jaren van de nu vijftien jaar oude [minderjarige], sporadisch contact met de moeder geweest: de moeder is niet in staat om de afspraken over het contact structureel na te komen en zegt de contactmomenten regelmatig op korte termijn af.
Ook de mogelijkheden van de moeder om gezagsbeslissingen over [de minderjarige] te nemen zijn er niet of zeer beperkt. De moeder is als gevolg van haar problematiek niet in staat om weloverwogen beslissingen voor [de minderjarige] te nemen en praktische zaken voor haar te regelen. Haar toestemming wordt thans met tussenkomst van de hulpverlening gerealiseerd. Daarbij is echter problematisch dat de samenwerking tussen de moeder en de hulpverlening wisselend verloopt, waardoor gezagsbeslissingen voor [de minderjarige] niet (tijdig) worden genomen.
Gelet op de langdurige en aanhoudende problematiek van de moeder, bestaat geen zicht op verandering bij haar binnen een voor [de minderjarige] en haar ontwikkeling aanvaardbare termijn.
De duur van de ontwikkelingsbedreiging, het ontbreken van perspectief op verbetering bij de moeder en de noodzaak om [de minderjarige] duidelijkheid te bieden, onder andere met betrekking tot haar naturalisatieprocedure, brengen met zich dat beëindiging van het gezag van de moeder over [de minderjarige] in haar belang noodzakelijk is, zoals bedoeld is in artikel 1:266 van het Burgerlijk Wetboek.
De beëindiging van het gezag van de moeder heeft tot gevolg dat in het gezag over [de minderjarige] niet langer wordt voorzien. De GI wordt daarom als voogd benoemd om de belangen van [de minderjarige] te behartigen.
Die belangenbehartiging zal zich in de eerste plaats moeten richten op de naturalisatie van [de minderjarige].
De rechter stelt vast dat de moeder in beginsel voor naturalisatie tot Nederlander in aanmerking kwam en dat zij [de minderjarige] als haar minderjarige dochter kon laten mee naturaliseren, maar dat de naturalisatie van de moeder is afgewezen vanwege een strafbaar feit, waardoor ook de naturalisatie van [de minderjarige] niet tot stand is gekomen.
Daarmee is een verzuim in de rechtspositie van [de minderjarige] ontstaan: zij is geboren en groeit op in Nederland, verblijft in jeugdzorgaccommodaties omdat haar psychisch zieke moeder niet voor haar kan zorgen, en blijft louter als gevolg van het falen van de naturalisatie van de moeder, verstoken van een Nederlandse nationaliteit die materieel volledig aansluit bij haar feitelijke levenssituatie.
Tegen deze achtergrond moet het belang van [de minderjarige] als eerste overweging worden betrokken bij iedere beslissing over haar nationaliteit, zoals ook volgt uit artikel 3 van het VN‑Kinderrechtenverdrag en de nadere uitwerking in General Comment nr. 14 van het Kinderrechtencomité. [De minderjarige] heeft haar hele leven in Nederland doorgebracht, groeit hier op, krijgt hier onderwijs en zorg en verblijft thans in door de Nederlandse overheid gefinancierde jeugdzorg; zij is feitelijk volledig in de Nederlandse samenleving ingebed en afhankelijk van Nederlandse instanties voor haar bescherming en ontwikkeling. Het ontbreken van de Nederlandse nationaliteit betekent voor haar een voortdurende onzekerheid over haar verblijfsrechtelijke en civielrechtelijke positie, terwijl zij juist als kwetsbare minderjarige in de jeugdzorg bij uitstek behoefte heeft aan stabiliteit en rechtszekerheid.
Dat de moeder vanwege een strafbaar feit niet kon worden genaturaliseerd, behoort niet aan [de minderjarige] te worden tegengeworpen. [De minderjarige] is als jong kind niet verantwoordelijk voor het handelen van haar moeder en het Kinderrechtenverdrag (IVRK) verlangt uitdrukkelijk dat naar de eigen situatie, belangen en mening van [de minderjarige] als kind wordt gekeken, niet louter naar die van de moeder als ouder. De afwijzing van de naturalisatie van de moeder heeft in dit geval een neveneffect dat [de minderjarige] die zelf geen strafbaar feit heeft gepleegd, haar toegang tot het Nederlanderschap verliest, terwijl juist haar langdurig verblijf, haar afhankelijkheid van Nederlandse jeugdzorg en het ontbreken van (reële) banden met een ander land pleiten voor erkenning van haar als Nederlandse.
Op humanitaire gronden ligt naturalisatie dan ook in de rede. De combinatie van (1) haar geboorte hier in Nederland waar zij ook altijd heeft gewoond, (2) het feit dat zij in Nederland onder verantwoordelijkheid van de Nederlandse overheid is geplaatst wegens psychische problematiek van de moeder, (3) het ontbreken van een stabiele ouderlijke omgeving en (4) het ontbreken van (sterke) banden met een ander land, maakt dat de weigering haar te naturaliseren moeilijk te verenigen is met het vereiste dat het belang van [de minderjarige] een primair gezichtspunt moet zijn. Daarnaast geldt dat naturalisatie haar rechtspositie harmoniseert met de feitelijke werkelijkheid: zij is sociaal, cultureel en institutioneel “Nederlandse” en wordt door Nederlandse instanties als zodanig beschouwd, terwijl het onthouden van het Nederlanderschap haar vooral belemmert in toegang tot volwaardige participatie, zekerheid over verblijf en mogelijkheden voor opleiding en werk in de toekomst.
De rechter benadrukt ten slotte dat een voortduren van de huidige situatie waarin de moeder vanwege een strafbaar feit niet naturaliseert en [de minderjarige] daardoor indirect wordt “meegestraft” strijdig is met het uitgangspunt dat sancties individueel zijn en niet collectief de kinderen van de betrokkene mogen treffen. Gegeven haar extreme afhankelijkheid van de Nederlandse staat voor opvoeding en zorg, [de minderjarige] is in 2015 door Lentis Jonx gediagnosticeerd met FAS en PTSS en heeft professionele zorg en ondersteuning nodig om tot een voor haar gezonde en optimale ontwikkeling te komen, en de afwezigheid van een (reëel) alternatief in een ander land, behoort naturalisatie van haar als kind, los van de naturalisatie van de moeder, op humanitaire gronden hoe dan ook plaats te vinden.
De rechter informeert [de minderjarige] met een brief die de navolgende inhoud heeft:
Beste [naam van de minderjarige],
Ik heb met jou op 7 juli 2026 gesproken. Ik schrijf deze brief aan jou omdat ik als rechter een belangrijke beslissing over jou heb genomen. Ik wil in gewone woorden uitleggen wat ik heb besloten en waarom.
Ik heb besloten dat het gezag van je moeder wordt beëindigd. Dat betekent dat je moeder niet langer de persoon is die de officiële, belangrijke beslissingen over jouw leven mag nemen, zoals over school, zorg, hulp en jouw papieren. Ik neem zo’n beslissing nooit zomaar. Ik doe dat omdat ik zie dat jouw moeder, door haar psychische problemen, niet genoeg voor jou kon zorgen en de verantwoordelijkheid voor jouw toekomst niet op een veilige en stabiele manier kon dragen. Voor jou is het belangrijk dat er volwassenen zijn die die verantwoordelijkheid wel kunnen nemen.
Daarom heb ik ook besloten dat er een voogd voor jou is die voortaan die belangrijke beslissingen moet nemen. Een voogd is iemand die wettelijk verantwoordelijk is voor jou als kind. Ik verwacht van jouw voogd dat hij of zij goed naar jouw situatie kijkt en steeds doet wat het beste voor jou is: voor jouw veiligheid, jouw ontwikkeling en jouw toekomst.
Ik heb in mijn beslissing ook duidelijk gezegd wat ik van jouw voogd verlang. Ik vind namelijk dat jouw voogd zich meteen moet gaan inzetten om jouw naturalisatie te regelen. Jij woont al je hele leven in Nederland, je gaat hier naar school en krijgt hier hulp en zorg. Jouw leven is hier. Daarom hoort jouw nationaliteit daar ook bij. Ik wil niet dat dit nog langer blijft liggen. Ik vind dat jouw voogd snel de stappen moet zetten die nodig zijn om ervoor te zorgen dat jij ook in je papieren als Nederlandse wordt erkend.
Ik weet dat dit allemaal veel kan zijn om te lezen en te begrijpen. Je mag hierover vragen stellen aan de mensen die jou begeleiden. Zij kunnen samen met jou bespreken wat deze beslissing in jouw dagelijks leven betekent. Het is belangrijk dat je gehoord wordt en dat er naar jouw gevoelens wordt geluisterd.
Met vriendelijke groet,
Bart Tromp,
(kinder)rechter
4 De beslissing
De rechter:
beëindigt het ouderlijk gezag van de moeder over [de minderjarige];
benoemt de GI tot voogd over [de minderjarige];
gelast de administratie van deze rechtbank om die beslissingen over het gezag in te schrijven in het gezagsregister;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 14 juli 2026 door mr. B.R. Tromp, rechter, bijgestaan door mr. R.C. Bernard, griffier.
Als u het niet eens met de beslissingen die de rechter heeft genomen, kunt u in hoger beroep. Maar let op! Hoger beroep kunt u niet zelf instellen. U moet daarvoor naar een advocaat. Een advocaat kan voor u hoger beroep instellen bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Belangrijk is dat u snel naar een advocaat gaat. Hoger beroep moet bijna altijd binnen drie maanden na de dag van de uitspraak worden ingesteld.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.