Uitspraak · Materieel strafrecht

Rechtbank Noord-Nederland, 3 juli 2026

ECLI:NL:RBNNE:2026:2623Zaaknummer 18.315955.24

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
3 juli 2026
Publicatiedatum
13 juli 2026
Zaaknummer
18.315955.24
Rechtsgebied
Strafrecht, Materieel strafrecht
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig, Op tegenspraak
Zittingsplaats
Assen
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

De rechtbank veroordeelt verdachte voor een poging tot afpersing in vereniging (overval op juwelier in Meppel) tot een werkstraf van 140 uren een voorwaardelijke jeugddetentie voor de duur van 6 maanden met een proeftijd van 1 jaar. Verdachte wordt vrijgesproken van het medeplegen van een overval op een juwelier in Zutphen.

De rechtbank

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder parketnummer 05.383766.24 ten laste is gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder parketnummer 18.315955.24 primair ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een taakstraf, bestaande uit een werkstraf voor de duur van 140 uren.

Beveelt dat voor het geval de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende jeugddetentie voor de duur van 70 dagen zal worden toegepast.

Beveelt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en/of voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde werkstraf geheel in mindering zal worden gebracht naar de maatstaf van 2 uren per dag inverzekeringstelling/voorlopige hechtenis.

Een jeugddetentie voor de duur van 6 maanden.

Bepaalt dat deze jeugddetentie niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd, welke hierbij wordt vastgesteld op 1 jaar, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van heden.

Vorderingen van de benadeelde partijen

Ten aanzien van parketnummer 18.315955.24

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] af tot een bedrag van 125,00.

Verklaart de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] voor het overige niet- ontvankelijk. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Bepaalt dat de benadeelde partij [slachtoffer 1] haar eigen proceskosten draagt.

Ten aanzien van parketnummer 05.383766.24

Verklaart de vordering van [bedrijf] niet-ontvankelijk. De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Bepaalt dat [bedrijf] haar eigen proceskosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. drs. J.V. Nolta, voorzitter, tevens kinderrechter, mr. M.B.W. Venema en mr.

L.S. Wachters, rechters, bijgestaan door mr. E.E. de Vries, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 3 juli 2026.

Mr. L.S. Wachters is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. Tenlastelegging
  2. Beoordeling van het bewijs
  3. Bewezenverklaring
  4. Strafbaarheid van het bewezen verklaarde
  5. Strafbaarheid van verdachte
  6. Toepassing van wetsartikelen
  7. Uitspraak
  8. De rechtbank
  9. Een jeugddetentie voor de duur van 6 maanden.

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Assen

parketnummer 18.315955.24

ter terechtzitting gevoegd parketnummer 05.383766.24

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 3 juli 2026 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 2007 te [geboorteplaats], wonende te [adres 1].

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 19 juni 2026.

Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. W.G. ten Have, advocaat te Assen. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. G.R. Stoeten.

Tenlastelegging

Onder parketnummer 18.315955.24

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 20 september 2024 te Meppel tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om één of meerdere sieraden, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [juwelier 1], in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid, welke poging tot diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2], gepleegd met het oogmerk om die voorgenomen diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en/of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door (een) mes(sen) te tonen en/of (daarbij) mondeling de woorden heeft toegevoegd: "Zwarte map, zwarte map", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

en/of

hij op of omstreeks 20 september 2024 te Meppel tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] te dwingen tot de afgifte van één of meerdere sieraden, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan die [slachtoffer 1] ( [juwelier 1]) en/of een derde toebehoorde(n), hebbende (een) mes(sen) getoond en/of (daarbij) mondeling de woorden heeft toegevoegd: "Zwarte map, zwarte map", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

[medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] op of omstreeks 20 september 2024 te Meppel, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door die [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of zijn/hun mededader(s) voorgenomen misdrijf om, één of meerdere sieraden, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [juwelier 1], in elk geval aan een ander dan aan die [medeverdachte 1] en/of die [medeverdachte 2] en/of hun/zijn mededader(s) toebehoorde(n) weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid, welke poging tot diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en/of andere deelnemers aan dat misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken,

hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren door (een) mes(sen) te tonen en/of (daarbij) mondeling de woorden heeft toegevoegd: "Zwarte map, zwarte map", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking, bij en/of tot het plegen van welk misdrijf verdachte op of omstreeks 20 september 2024 te Meppel opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft, door:

  • informatie te verschaffen over de winkel van [juwelier 1] zoals de indeling van de winkel en/of de plaats van de kassa en/of de plaats waar de sieraden zich bevinden;
  • plannen te maken met medeverdachte [medeverdachte 2] omtrent het misdrijf;
  • de medeverdachte(n) te ontmoeten op een schuilplek voorafgaand aan het incident;
  • voorafgaand aan het incident de telefoon(s) van de medeverdachte(n) in bewaring te nemen;
  • voorafgaand aan het incident tape te plakken/bevestigen op het heft van de bij het incident gebruikte mes(sen);
  • voorafgaand aan het incident tape te plakken/bevestigen op delen van de fiets van medeverdachte(n)
  • medeverdachte(n) aan te moedigen/te stimuleren door te gaan en/of nog meer goederen mee te nemen wanneer zij daar de tijd voor hebben;
  • afspraken te maken met medeverdachte(n) over wat er met de buit moet gebeuren

en/of

[medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] op of omstreeks 20 september 2024 te Meppel, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door die [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of zijn/hun mededader(s) voorgenomen misdrijf om, één of meerdere sieraden, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [juwelier 1], in elk geval aan een ander dan aan die [medeverdachte 1] en/of die [medeverdachte 2] en/of hun/zijn mededader(s) toebehoorde(n) weg te nemen met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen, door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] heeft gedwongen tot de afgifte van sieraden, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [juwelier 1] en/of een derde toebehoorde(n), door (een) mes(sen) te tonen en/of (daarbij) mondeling de woorden heeft toegevoegd: "Zwarte map, zwarte map", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking, bij en/of tot het plegen van welk misdrijf verdachte op of omstreeks 20 september 2024 te Meppel, opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft door:

  • informatie te verschaffen over de winkel van [juwelier 1] zoals de indeling van de winkel en/of de plaats van de kassa en/of de plaats waar de sieraden zich bevinden;
  • plannen te maken met medeverdachte [medeverdachte 2] omtrent het misdrijf;
  • de mededverdachte(n) te ontmoeten op een schuilplek voorafgaand aan het incident;
  • voorafgaand aan het incident de telefoon(s) van de medeverdachte(n) in bewaring te nemen;
  • voorafgaand aan het incident tape te plakken/bevestigen op het heft van de bij het incident gebruikte mes(sen);
  • voorafgaand aan het incident tape te plakken/bevestigen op delen van de fiets van medeverdachte(n)
  • medeverdachte(n) aan te moedigen/te stimuleren door te gaan en/of nog meer goederen mee te nemen wanneer zij daar de tijd voor hebben;
  • afspraken te maken met medeverdachte(n) over wat er met de buit moet gebeuren, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Onder parketnummer 05.383766.24

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 31 augustus 2024 te Zutphen, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, uit een juwelierszaak gelegen aan de [adres 2], een hoeveelheid sieraden, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [juwelier 2], in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 3], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door gemaskerd met gezichtsbedekking onder het gedeeltelijk gesloten rolluik van de winkel door te kruipen en dreigend een mes, althans een steekvoorwerp te richten op, althans te tonen aan die [slachtoffer 3] voornoemd en/of door die [slachtoffer 3] voornoemd dreigend te bevelen alle sieradenkasten te openen.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

Ten aanzien van parketnummer 18.315955.24

De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor de primair ten laste gelegde poging tot afpersing in vereniging.

Ten aanzien van parketnummer 05.383766.24

De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor de ten laste gelegde diefstal met geweld in vereniging. Hij heeft daartoe aangevoerd dat op basis van de door de politie gemaakte vergelijkingen van onder andere de persoonskenmerken van de verschillende verdachten, de signalementen op verschillende camerabeelden, de gedragen kleding en de afgelegde verklaringen van verdachte en medeverdachten, wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte een van de uitvoerders was van de overval op [juwelier 2] in Zutphen op 31 augustus 2024.

Standpunt van de verdediging

Ten aanzien van parketnummer 18.315955.24

De raadsman heeft primair betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het primair en subsidiair ten laste gelegde. Uit de inhoud van het dossier kan niet worden afgeleid dat verdachte een rol heeft gehad bij de poging tot overval op een juwelier.

Subsidiair heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat geen sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachten. Indien wordt aangenomen dat verdachte enige betrokkenheid heeft gehad bij het ten laste gelegde, kan het handelen van verdachte hooguit als medeplichtigheid aan het ten laste gelegde worden gekwalificeerd, aangezien uit het dossier geen concrete aanwijzingen volgen voor meer substantiële handelingen van verdachte dan het behulpzaam zijn bij het plegen van het feit.

Ten aanzien van parketnummer 05.383766.24

De raadsman heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het ten laste gelegde. Hij heeft daartoe aangevoerd dat aan de hand van de beschikbare bewijsmiddelen niet kan worden vastgesteld dat verdachte één van de overvallers is geweest.

Oordeel van de rechtbank

Vrijspraak ten aanzien van parketnummer 05.383766.24

Op basis van de inhoud van het dossier stelt de rechtbank vast dat op 31 augustus 2024 door twee overvallers een overval is gepleegd bij [juwelier 2] in Zutphen. De overvallers zijn vastgelegd op diverse camerabeelden in de omgeving van [juwelier 2]. Op die beelden is te zien dat beide overvallers gezichtsbedekkende kleding dragen, waardoor op basis van die camerabeelden geen duidelijke herkenning kan plaatsvinden.

Verdachte heeft van meet af aan ontkend één van de overvallers te zijn geweest. Er zijn echter sterke aanwijzingen dat verdachte betrokken is geweest bij deze overval. Zo heeft verdachte erkend dat hij op 31 augustus 2024 samen met medeverdachte [medeverdachte 2] naar Zutphen is afgereisd en dat hij in Zutphen is opgehaald vanaf het station door medeverdachten [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4]. Vervolgens zijn zij gezamenlijk naar een flat gegaan aan de [adres 3] in Zutphen. Uit het dossier kan worden afgeleid dat die dag meerdere personen in die flat aanwezig zijn geweest en dat door meerdere personen in die flat is gesproken over het plegen van een overval op [juwelier 2]. Op camerabeelden van de flat is te zien dat verdachte om 16:32 uur, ongeveer een half uur voor de overval, de flat verlaat en dat hij daarbij zwarte Balenciaga-schoenen draagt. Deze schoenen lijken overeen te komen met de schoenen die worden gedragen door één van de overvallers. Om 18:24 uur is op camerabeelden van de flat te zien dat verdachte de flat weer verlaat. Op dat moment draagt verdachte niet meer dezelfde schoenen. De rechtbank constateert verder dat medeverdachten [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] hebben verklaard dat verdachte één van de overvallers is geweest.

De rechtbank stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van de tenlastegelegde poging tot afpersing in vereniging noodzakelijk is dat de rechtbank naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting op grond van wettige bewijsmiddelen buiten redelijke twijfel kan vaststellen dat de verdachte dit feit heeft begaan. De rechtbank is van oordeel dat op basis van de camerabeelden geen duidelijke herkenning van de overvallers kan plaatsvinden en dat het enkele feit dat één van de overvallers qua postuur en schoenen overeen lijkt te komen met het signalement van verdachte onvoldoende is om buiten redelijke twijfel vast te stellen dat verdachte één van de overvallers is geweest. Daarbij overweegt de rechtbank dat er kennelijk van kleding en schoenen is gewisseld in de flat aan de [adres 3], dat er meerdere personen in die flat aanwezig waren die hebben gesproken over het plegen van een overval en dat er kennelijk meerdere ingangen zijn in de flat waardoor het ook mogelijk was om buiten zicht van de cameras de flat te betreden en te verlaten. Het door de verdachte geschetste scenario dat iemand anders de overval heeft gepleegd kan dan ook niet worden uitgesloten op basis van de inhoud van het dossier. Dat maakt dat de rechtbank niet buiten redelijke twijfel kan vaststellen dat verdachte één van de overvallers is geweest, zodat verdachte van dit feit zal worden vrijgesproken. Dat medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] hebben verklaard dat verdachte één van de overvallers zou zijn geweest maakt dit niet anders, nu hun verklaringen over ieders betrokkenheid niet gelijkluidend en daarmee niet zonder meer betrouwbaar zijn.

Ten aanzien van parketnummer 18.315955.24

De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.

1. De door verdachte op de terechtzitting van 19 juni 2026 afgelegde verklaring, voor zover inhoudende:

Ik heb op 21 augustus 2024 een Telegram-bericht gestuurd aan medeverdachte [medeverdachte 2]. In dit bericht heb ik een omschrijving gegeven van [juwelier 1] in Meppel. Op 20 september 2024 heb ik

[medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] ontmoet in een bosje bij een industrieterrein in Meppel. [medeverdachte 2] vertelde mij toen dat zij een overval gingen plegen.

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 27 december 2024, opgenomen op pagina 225 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant]:

Bij de aanhouding is een smartphone van [verdachte] in beslag genomen. Op de smartphone is onderzoek gedaan naar informatie met betrekking tot de poging tot overval op [juwelier 1] op 20 september 2024.

Op 21 augustus 2024 om 17.53 uur wordt er een notitie opgeslagen op de telefoon van [verdachte]. De inhoud van die notitie luidt:

Jo als je loopt naar binnen dan heb je een kassa dan heb je als je binnenkomt rechts naast die kassa een afgesloten ruimte daar liggen al die rollen in van dunnen gouden kettingen zijn 6a7 barkie per stuk dan heb je nog andere matten met kettingen koningschakels die kosten vaak rond de 1,5 a 2 en die glazen kasten in de winkel ligt ook wel wat aan waarde maar beste eerst die matten als jullie tijd over hebben die glazen kasten nog pakken maar om in die ruimte te komen moet je een medewerker die deur laten openen.

TELEGRAM CHAT MET “ [medeverdachte 2] ”

Op 21 augustus 2024 om 19.00 uur verstuurt [verdachte] via Telegram een bericht naar [medeverdachte 2]. Het bericht bevat dezelfde inhoud als de hierboven omschreven Notitie.

3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 20 september 2024, opgenomen op pagina 34 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2024257446 (onderzoek PAUW / NN3R024086) d.d. 16 maart 2025, inhoudende als verklaring van [slachtoffer 1]:

Plaats delict: Meppel ( [juwelier 1]) Pleegdatum: 20 september 2024

Ik doe aangifte van afdreiging met geweld. Twee mannen hebben zich ten overstaan van mij en de medewerkers bij ons in de winkel gedwongen om enig goed af te geven met gebruikmaking van geweld, zijnde bedreiging met een mes.

Er kwam een donkere man naar binnen gelopen, naar achter in de zaak. Hij liep met een mes. Hij hield dit mes strak voor zich uit. Het was een groot mes en deze hield hij in zijn hand naar voren gericht. Als ik een schatting moet maken hoe lang het mes ongeveer was denk ik dat het mes ongeveer 55 centimeter lang was, zonder het heft.

Op het moment dat ik man 1 opmerkte stond hij al nabij de balie. Terwijl deze man (man 1) naar mij toe gelopen kwam, zag ik dat er een tweede man bij de ingang op de mat binnen stond. Ik heb deze man (man 2) niets horen zeggen. Hij stond daar.

Ik hoorde dat de man iets zei. Ik schat dat de man met mes, (man 1) ongeveer 2 meter van mij vandaan was.

Ik heb mij wel bedreigd gevoeld. Doordat de man een wapen bij zich had.

Man 1 riep iets toen hij binnenkwam. Ik heb dit niet verstaan maar heb achteraf gehoord dat hij riep om de zwarte map. Ik denk dat daarmee bedoeld werd, de zwarte rollen met hierin gouden colliers, die wij in de winkel hebben. Deze zijn dan gevuld met kettingwerk.

4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 2] d.d. 26 september 2024, opgenomen op pagina 309 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [medeverdachte 2]:

Ik kende [verdachte] (de rechtbank begrijpt: verdachte). We wouden geld. We gingen rondkijken wat we konden doen. [verdachte] kwam met het plan om een juwelier te overvallen. [verdachte] had een beetje in de winkel gekeken hoe alles werkte, toen zei hij tegen mij, regel mensen die erin gaan. Ik zei, kan wel. Ik had iemand gevraagd, die zei, ik kijk wel wie ik kan regelen. Hij had de snap aan mij gegeven. Ik zei kom naar Meppel toe, dit dat'. Ik stond gewoon bij de deur. We hadden afgesproken om zwarte matten met allemaal rollen goud te halen. [verdachte] wist dat die zwarte matten daar aanwezig waren. [verdachte] heeft mij dat via telegram uitgelegd.

Ik heb mijn telefoon aan [verdachte] gegeven op de ochtend van de overval om ongeveer 9 uur. Dat was bij een bos waar ook de spullen lagen. Ik was daar met [verdachte] en die andere jongen.

5. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 2] d.d. 26 september 2024, opgenomen op pagina 316 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [medeverdachte 2]:

We hadden onze spullen op de schuilplek in het bos neergelegd. Ik hoorde van [verdachte] dat dat een goede plek zou zijn. We konden ons daar omkleden. Ik had mijn fiets mee naar de overval. [verdachte] heeft tape op die fiets geplakt. Ik had tape om het handvat van mijn mes geplakt. [verdachte] heeft tape op het handvat van het mes van die andere jongen gedaan.

6. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 1] d.d. 26 september 2024, opgenomen op pagina 366 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [medeverdachte 1]:

Toen ik aankwam in Meppel bracht [medeverdachte 2] (de rechtbank begrijpt: medeverdachte [medeverdachte 2]) mij naar het bosgedeelte bij een trap. Daar zijn later onze spullen gevonden door de politie. [medeverdachte 2] vroeg mij om een mes mee te nemen. Ik liep naar die plek onderaan de trap en veranderde mijn kleding. Toen we daar stonden kwam er nog een andere persoon bij. De derde persoon was de derde jongen uit de groepschat. Ze vertelden veel over de juwelier. Ze praatten daarover alsof ze de plek heel goed kenden. Ze vertelden mij exact waar de kassa stond en hoe het er binnen uit zag. Mijn telefoon was gegeven aan de derde persoon, die vriend van [medeverdachte 2]. Als we klaar waren met de klus, moesten we de buit meebrengen en aan hem geven en [medeverdachte 2] en hij zouden dan de buit naar iemand brengen. Dan zou ik mijn geld krijgen. Het ging om een zwarte of rode mat. Ze wilden dat per se hebben. Ze wisten dat dat in een kluis zat achter de deur met een sleutel. We zijn op de fiets van [medeverdachte 2] naar de juwelier gegaan. Ik liep de juwelier binnen en ik moest mijn mes trekken en ik moest zeggen: “Geef mij die zwarte of rode mat. [medeverdachte 2] en die andere jongen hadden mij verteld dat zij bij de juwelier wel wisten wat ik hiermee bedoelde. Dus ik zei dat. Ik was binnen en had het mes al getrokken en hield het voor me. Ik liep naar [medeverdachte 2] en zei tegen hem dat dit niet ging lukken en dat we weg moesten gaan. Daarna zijn we gaan rennen.

Ik had een mes meegenomen van huis. In het bosje deed die derde jongen tape op onze messen en op de fiets van [medeverdachte 2]. Dit deed hij om geen vingerafdrukken achter te laten en om herkenning van de fiets te bemoeilijken. De derde persoon bleef bij onze spullen in het bosje.

Bewijsoverweging

Met betrekking tot de hiervoor weergegeven standpunten overweegt de rechtbank het volgende.

De rechtbank is van oordeel dat op basis van de hiervoor aangehaalde bewijsmiddelen kan worden vastgesteld dat verdachte een wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan de ten laste gelegde poging tot afpersing in vereniging. Verdachte heeft erkend dat hij enkele weken voorafgaand aan de poging tot

afpersing het in zijn telefoon aangetroffen Telegram-bericht heeft geschreven en gestuurd aan medeverdachte [medeverdachte 2]. Naar het oordeel van de rechtbank kan dit bericht niet anders worden gelezen als een instructie voor het plegen van een overval. Zo wordt in dit bericht aangegeven waar de rollen/matten liggen met kettingen, wat de waarde van die kettingen is en waar in de winkel nog meer spullen van waarde liggen. Ook wordt er in dit bericht geadviseerd over welke spullen als eerste gepakt moeten worden en welke spullen nog gepakt kunnen worden als er nog tijd over is. Dit betreft zeer specifieke informatie die essentieel is voor het plegen van het ten laste gelegde. Het feit dat verdachte over deze informatie beschikte, duidt er bovendien op dat verdachte een voorverkenning heeft verricht met het oog op een te plegen overval.

Daarnaast stelt de rechtbank vast dat verdachte kort voor de poging tot afpersing met medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] heeft afgesproken op een afgelegen plek. Zowel [medeverdachte 2] als [medeverdachte 1] hebben onafhankelijk van elkaar verklaard dat verdachte tijdens deze ontmoeting een sturende rol heeft gehad. Zo zou verdachte de telefoons van [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] in bewaring hebben genomen en tape hebben geplakt op het heft van het door [medeverdachte 1] gebruikte mes en op de fiets van [medeverdachte 2]. Ook zou verdachte afspraken hebben gemaakt over wat er met de buit moest gebeuren. De rechtbank ziet geen reden om te twijfelen aan de verklaring van [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1], mede omdat zij ook verantwoordelijkheid nemen voor hun eigen aandeel in het ten laste gelegde en geen wezenlijk belang lijken te hebben bij het beschuldigen van verdachte. Hun verklaringen komen, ook op specifieke onderdelen (zoals het plakken van tape op de fiets van [medeverdachte 2]) overeen. Bovendien passen de verklaringen van [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] bij de tekst van het Telegram-bericht dat verdachte heeft gestuurd aan [medeverdachte 2], nu ook hieruit blijkt dat verdachte een actieve rol heeft gehad in de voorbereiding van het ten laste gelegde. De verklaring van verdachte dat hij alleen aanwezig was bij deze ontmoeting en [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] heeft afgeraden een overval te plegen, acht de rechtbank op basis van het voorgaande niet geloofwaardig.

Medeplegen

Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de voor medeplegen vereiste voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en de medeverdachten is komen vast te staan. Hoewel geen sprake is van een gezamenlijke uitvoering, is de bijdrage van verdachte aan het tenlastegelegde naar het oordeel van de rechtbank van zodanig gewicht dat deze kan worden aangemerkt als medeplegen.

Daarmee acht de rechtbank het primair ten laste gelegde plegen van een poging tot afpersing in vereniging bewezen.

Bewezenverklaring

Ten aanzien van parketnummer 18.315955.24

De rechtbank acht het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

hij op 20 september 2024 te Meppel tezamen en in vereniging met anderen, ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededaders voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen, door bedreiging met geweld [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] te dwingen tot de afgifte van één of meerdere sieraden, die aan die [slachtoffer 1] ( [juwelier 1]) toebehoorden, door een mes te tonen en daarbij mondeling de woorden toe te voegen: "Zwarte map, zwarte map", terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Ten aanzien van parketnummer 18.315955.24

Het bewezen verklaarde levert op:

(primair) poging tot afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

Dit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van de onder parketnummer 18.315955.24 primair ten laste gelegde poging tot afpersing in vereniging en de onder parketnummer 05.383766.24 ten laste gelegde diefstal in vereniging wordt veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 140 uren en een voorwaardelijke jeugddetentie voor de duur van 6 maanden met een proeftijd van 2 jaren. Dit alles met aftrek van de tijd die verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bij een bewezenverklaring van één of meer feiten gepleit voor oplegging van enkel een onvoorwaardelijke werkstraf.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting en de over hem opgemaakte rapportages, het verdachte betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsman.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Ernst van het feit

Verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan een gewapende overval op een juwelier in Meppel. Het gaat om een ernstig feit. Het is algemeen bekend dat slachtoffers van een overval vaak nog gedurende langere tijd kampen met de (psychische) gevolgen van hetgeen zij hebben meegemaakt. Naast de gevolgen voor het slachtoffer veroorzaken dit soort feiten ook sterke gevoelens van onveiligheid in de directe omgeving en in de samenleving in het algemeen. Hoewel verdachte niet aanwezig is geweest bij de uitvoering van de overval, heeft verdachte in de periode voorafgaand aan de overval op meerdere, wezenlijke momenten een cruciale rol gespeeld. Verdachte heeft daarbij geen rekening gehouden met de impact op eventuele slachtoffers en heeft zich enkel laten leiden door persoonlijk geldelijk gewin. Ook heeft verdachte geen enkele verantwoordelijkheid genomen voor zijn aandeel in de overval. De rechtbank neemt dit alles verdachte kwalijk.

Persoon van verdachte

Verdachte is op 2 oktober 2024 in verzekering gesteld waarna op 4 oktober 2024 de rechter-commissaris de bewaring heeft bevolen onder gelijktijdige schorsing van de voorlopige hechtenis. Zodoende loopt verdachte al bijna 1 jaar en 9 maanden in een schorsing met toezicht van de jeugdreclassering van Jeugdbescherming Noord.

De rechtbank heeft kennisgenomen van het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) van 20 april 2026. Hieruit volgt dat verdachte gedurende de schorsing van de voorlopige hechtenis

zich meewerkend heeft opgesteld en niet met politie in aanraking is gekomen. Hij heeft laten zien dat hij andere keuzes kan maken en zijn werk biedt hem een vaste dagstructuur, eigenwaarde en een positief sociaal netwerk. Verdachte is op eigen initiatief gestopt met middelengebruik en is gemaakte afspraken consequent nagekomen. Het rediciverisico wordt door de Raad als laag ingeschat. Hoewel de ernst van de verdenkingen een voorwaardelijke jeugddetentie rechtvaardigen, adviseert de Raad oplegging van een onvoorwaardelijke werkstraf. Een voorwaardelijk strafdeel wordt niet als noodzakelijk gezien gelet op het lage recidiverisico en het feit dat verdachte zich al geruime tijd aan schorsingsvoorwaarden heeft gehouden. Vanuit pedagogisch oogpunt acht de Raad het van belang dat verdachte een streep kan zetten onder de zaak.

Ter terechtzitting hebben vertegenwoordigers van de Raad en de jeugdreclassering voornoemd advies bevestigd.

Redelijke termijn

Als uitgangspunt heeft in deze zaak, waarin het strafrecht voor jeugdigen van toepassing is, te gelden dat de behandeling op zitting moet zijn afgerond met een eindvonnis binnen zestien maanden nadat de redelijke termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden, zoals de ingewikkeldheid van een zaak, de invloed van de verdachte en/of zijn raadsman op het procesverloop en de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld.

De rechtbank overweegt met betrekking tot de aanvang van de redelijke termijn en het procesverloop in deze zaak het volgende. Verdachte is op 2 oktober 2024 in verzekering gesteld en de uitspraak vindt plaats op 3 juli 2026. Daarmee is de redelijke termijn met 3 maanden overschreden. De rechtbank is van oordeel dat deze overschrijding matiging van de op te leggen straf tot gevolg moet hebben.

De straf

Volgens de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) geldt als uitgangspunt voor een overval op een winkel een onvoorwaardelijke jeugddetentie vanaf vier maanden. Daarbij kan als strafverzwarende omstandigheid worden meegewogen dat sprake is geweest van bedreiging met een wapen. Gezien de rol van verdachte, de omstandigheid dat verdachte zich al geruime tijd aan schorsingsvoorwaarden heeft gehouden in het kader van een schorsing van de voorlopige hechtenis en de overschrijding van de redelijke termijn acht de rechtbank een onvoorwaardelijke jeugddetentie echter niet passend. Een onvoorwaardelijke jeugddetentie zou daarnaast de positieve ontwikkeling die verdachte heeft doorgemaakt doorkruisen.

De rechtbank acht, alles afwegende, oplegging van een werkstraf voor de duur van 140 uren en een voorwaardelijke jeugddetentie voor de duur van 6 maanden met een proeftijd van 1 jaar passend en geboden. Daarmee sluit de rechtbank aan bij de strafeis van de officier van justitie. Hoewel de rechtbank verdachte vrijspreekt van één van de twee feiten waarvan hij wordt verdacht, acht de rechtbank deze straf toch aangewezen. De rechtbank wil met oplegging van de voorwaardelijke jeugddetentie in combinatie met een werkstraf namelijk de ernst van het feit tot uitdrukking brengen. Daarnaast vindt de rechtbank het van belang dat de straf in verhouding staat tot de straf die aan medeverdachte [medeverdachte 1] is opgelegd met betrekking tot dit feit, te weten een jeugddetentie voor de duur van 300 dagen, waarvan 152 dagen voorwaardelijk. Anders dan de officier van justitie acht de rechtbank een proeftijd van 1 jaar op zijn plaats, gelet op het tijdverloop sinds het plegen van het feit.

Benadeelde partij

Ten aanzien van parketnummer 18.315955.24

[slachtoffer 1] heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Gevorderd wordt een bedrag van 910,90 ter vergoeding van materiële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan.

Ten aanzien van parketnummer 05.383766.24

[bedrijf], vertegenwoordigd door [naam], heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Gevorderd wordt een bedrag van 2.231,97 ter vergoeding van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan.

Standpunt van de officier van justitie

Ten aanzien van parketnummer 18.315955.24

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de kosten voor het veiligstellen van de camerabeelden in beginsel voor toewijzing in aanmerking komen. Echter, uit de ter onderbouwing dienende factuur is niet zonder meer op te maken dat deze kosten enkel

voortvloeien uit het veiligstellen van beelden met betrekking tot het ten laste gelegde feit. De vordering dient daarom in zoverre niet-ontvankelijk te worden verklaard.

Verder heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat het deel van de gevorderde schade dat ziet op de attentie ten behoeve van een getuige van 125,00, geen rechtstreekse schade betreft en dat dit deel van de vordering om die reden dient te worden afgewezen.

Ten aanzien van parketnummer 05.383766.24

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen tot een bedrag van 1.844,60 vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 31 augustus 2024 en dat deze vordering voor het overige niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

Standpunt van de verdediging

Ten aanzien van parketnummer 18.315955.24

De raadsman heeft verzocht de vordering van de benadeelde partij in zijn geheel af te wijzen. De kosten met betrekking tot het veiligstellen van de camerabeelden worden betwist en de kosten voor een attentie aan de getuige zijn niet aan te merken als rechtstreekse schade.

Ten aanzien van parketnummer 05.383766.24

De raadsman heeft primair verzocht de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren omdat geen sprake is van een correcte machtiging waaruit blijkt dat [naam] bevoegd is [bedrijf] te vertegenwoordigen in deze zaak.

Subsidiair heeft de raadsman verzocht de vordering toe te wijzen tot een bedrag van 1.844,60 euro (te weten het gevorderde bedrag exclusief BTW).

Oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van parketnummer 18.315955.24

De rechtbank acht voldoende aannemelijk dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen rechtstreeks materiële schade heeft geleden, bestaande uit kosten voor het veiligstellen van camerabeelden. De rechtbank is van oordeel dat dit kosten zijn ter vaststelling van door handelen van de verdachte veroorzaakte schade. Niettemin beschikt de rechtbank over onvoldoende informatie om de hoogte daarvan te kunnen beoordelen. Schorsing van het onderzoek om de benadeelde partij de hoogte van de schade alsnog te laten aantonen, zal leiden tot een onevenredige belasting van het strafgeding en daartoe zal dan ook niet worden overgegaan. De rechtbank zal dit deel van de vordering daarom niet-ontvankelijk verklaren. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

De attentie die benadeelde heeft aangeschaft voor de getuige betreft geen rechtstreekse schade die is toegebracht aan de benadeelde partij door het bewezen verklaarde zoals bedoeld in artikel 51f, eerste lid van het Wetboek van Strafvordering. De rechtbank zal daarom dit deel van de vordering van benadeelde partij afwijzen.

Ten aanzien van parketnummer 05.383766.24

De rechtbank acht het feit niet bewezen waaruit de schade zou zijn ontstaan. De benadeelde partij zal daarom niet ontvankelijk worden verklaard in de vordering. De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 45, 77a, 77g, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77gg en 317 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder parketnummer 05.383766.24 ten laste is gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder parketnummer 18.315955.24 primair ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een taakstraf, bestaande uit een werkstraf voor de duur van 140 uren.

Beveelt dat voor het geval de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende jeugddetentie voor de duur van 70 dagen zal worden toegepast.

Beveelt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en/of voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde werkstraf geheel in mindering zal worden gebracht naar de maatstaf van 2 uren per dag inverzekeringstelling/voorlopige hechtenis.

Een jeugddetentie voor de duur van 6 maanden.

Bepaalt dat deze jeugddetentie niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd, welke hierbij wordt vastgesteld op 1 jaar, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van heden.

Vorderingen van de benadeelde partijen

Ten aanzien van parketnummer 18.315955.24

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] af tot een bedrag van 125,00.

Verklaart de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] voor het overige niet- ontvankelijk. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Bepaalt dat de benadeelde partij [slachtoffer 1] haar eigen proceskosten draagt.

Ten aanzien van parketnummer 05.383766.24

Verklaart de vordering van [bedrijf] niet-ontvankelijk. De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Bepaalt dat [bedrijf] haar eigen proceskosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. drs. J.V. Nolta, voorzitter, tevens kinderrechter, mr. M.B.W. Venema en mr.

L.S. Wachters, rechters, bijgestaan door mr. E.E. de Vries, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 3 juli 2026.

Mr. L.S. Wachters is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.