Uitspraak · Verbintenissenrecht

Rechtbank Noord-Nederland, 26 mei 2026

ECLI:NL:RBNNE:2026:2418Zaaknummer 11905454 / CV EXPL 25-6076

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
26 mei 2026
Publicatiedatum
30 juni 2026
Zaaknummer
11905454 / CV EXPL 25-6076
Rechtsgebied
Civiel recht, Verbintenissenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig, Verstek
Zittingsplaats
Groningen
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

niet nodig.

3 De beslissing

De kantonrechter:

3.1.

veroordeelt de gedaagde partij om aan de eisende partij te betalen € 68,95 aan hoofdsom;

3.2.

veroordeelt de gedaagde partij in de proceskosten (inclusief nakosten), tot op heden aan de zijde van de eisende partij vastgesteld op: dagvaarding € 120,21, griffierecht

€ 135,00, salaris gemachtigde € 43,00 en nakosten € 21,50, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als de gedaagde partij niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;

3.3.

verklaart dit vonnis - tot zover - uitvoerbaar bij voorraad;

3.4.

wijst af - voor zover nodig - het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. L.T. de Jonge en in het openbaar uitgesproken op 26 mei 2026.

typ: 708

coll:

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. 1 De procedure
  2. 2 De beoordeling
  3. 3 De beslissing

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Civiel recht

Kantonrechter

Zittingsplaats Groningen

Zaaknummer: 11905454 CV EXPL 25-6076

Verstekvonnis van 26 mei 2026

in de zaak van

Sportcentrum 't Rond B.V.,

te Winschoten,

eisende partij,

gemachtigde: Gerechtsdeurwaarders- & Incassokantoor Winschoten (GIW),

kenmerk gemachtigde: 20250665,

tegen

[gedaagde],

te [woonplaats],

gedaagde partij,

niet in het geding verschenen.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • de dagvaarding
  • het tussenvonnis
  • de akte van de eisende partij.
1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De beoordeling

2.1.

In het tussenvonnis van 23 december 2025 heeft de kantonrechter voorshands geoordeeld dat het rentebeding en het beding met betrekking tot de buitengerechtelijke incassokosten oneerlijk zijn in de zin van afdeling 6.5.3 BW en Richtlijn 93/13/EEG.

De eisende partij is het daar niet mee eens en voert verweer.

2.2.

De eisende partij voert zowel ten aanzien van het rentebeding als ten aanzien van het beding met betrekking tot de buitengerechtelijke incassokosten aan dat zij niet meer vordert dan wettelijk is toegestaan.

Van een verstoring van het evenwicht ten nadele van de consument is dan ook geen sprake, aldus de eisende partij.

2.3.

Dit verweer kan de eisende partij echter niet baten. Voor de beoordeling van de (on)eerlijkheid van bedingen in de algemene voorwaarden is niet van belang of de eisende partij daadwerkelijk gebruik maakt van een bepaling in de algemene voorwaarden. Waar het om gaat, is hoe de bepaling kan uitpakken, beoordeeld naar het moment van het aangaan van de overeenkomst. Nu de eisende partij met het rentebeding en het beding met betrekking tot de buitengerechtelijke incassokosten de mogelijkheid heeft gecreëerd om de gedaagde partij met hogere kosten te belasten dan wettelijk is toegestaan, is wel degelijk sprake van een verstoring van het evenwicht ten nadele van de consument.

2.4.

De kantonrechter blijft daarom bij wat in het tussenvonnis is overwogen en beslist. Voornoemde bedingen zijn oneerlijk en worden buiten toepassing gelaten. Dit betekent dat de gevorderde wettelijke rente en buitengerechtelijke incassokosten worden afgewezen.

2.5.

Het gevorderde komt de kantonrechter voor het overige niet onrechtmatig of ongegrond voor zodat aan hoofdsom een bedrag van € 68,95 zal worden toegewezen.

2.6.

De gedaagde partij zal als de in het ongelijk te stellen partij in de proceskosten (inclusief nakosten) worden veroordeeld.

3 De beslissing

De kantonrechter:

3.1.

veroordeelt de gedaagde partij om aan de eisende partij te betalen € 68,95 aan hoofdsom;

3.2.

veroordeelt de gedaagde partij in de proceskosten (inclusief nakosten), tot op heden aan de zijde van de eisende partij vastgesteld op: dagvaarding € 120,21, griffierecht

€ 135,00, salaris gemachtigde € 43,00 en nakosten € 21,50, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als de gedaagde partij niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;

3.3.

verklaart dit vonnis - tot zover - uitvoerbaar bij voorraad;

3.4.

wijst af - voor zover nodig - het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. L.T. de Jonge en in het openbaar uitgesproken op 26 mei 2026.

typ: 708

coll:

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.