Uitspraak · Bestuursrecht
Rechtbank Noord-Nederland, 21 april 2023
ECLI:NL:RBNNE:2023:2169Zaaknummer LEE 22/202
- Instantie
- Rechtbank Noord-Nederland
- Datum uitspraak
- 21 april 2023
- Publicatiedatum
- 30 mei 2023
- Zaaknummer
- LEE 22/202
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht
- Procedure
- Bodemzaak
- Zittingsplaats
- Groningen
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Verjaarde terugvordering van kinderopvangtoeslag niet betrekken bij vaststelling van het compensatiebedrag voor geleden schade door gemaakte fouten bij beoordeling van de aanspraken van eiseres op kinderopvangtoeslag. Eiseres zou anders meer gecompenseerd worden dan volgens de door haar geleden schade nodig is. Verder is het toegekende bedrag van € 3.000 in november 2020 te beschouwen als een voorschot op het toe te kennen compensatiebedrag.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J. Bastin, rechter, in aanwezigheid van mr. B.M. van der Doef, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 21 april 2023.
| griffier | rechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 22/202
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 april 2023 in de zaak tussen
[eiseres], uit [plaats], eiseres
(gemachtigde: mr. B. van Dijk),
en
de Belastingdienst/Toeslagen, kantoor Utrecht
(gemachtigden: drs. E. Veltsink en mr. M. Burghout).
Inleiding
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen een toegekend compensatiebedrag in verband met verleende kinderopvangtoeslag in de periode 2007 tot en met 2014.
Bij besluit van 8 maart 2021 heeft verweerder aan eiseres een definitief compensatiebedrag kinderopvangtoeslag van € 56.131 toegekend.
Verweerder heeft verweerschriften ingediend.
Met het bestreden besluit van 3 januari 2022 op het bezwaar van eiseres is verweerder bij het besluit van 8 maart 2021 gebleven.
De rechtbank heeft het beroep op 15 februari 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres en de gemachtigden van verweerder.
Beoordeling door de rechtbank
Geschil
Bij besluit van 8 maart 2021 is aan eiseres een bedrag toegekend ter compensatie van schade die eiseres heeft geleden door de fouten die zijn gemaakt bij de beoordeling van haar aanspraken op kinderopvangtoeslag in de periode 2007 tot en met 2014.
Eisers kan zich niet verenigen met het bestreden besluit. Ter zitting heeft eiseres haar betoog dat verweerder niet inzichtelijk heeft gemaakt op welke wijze hij het bedrag aan wettelijke rente heeft vastgesteld, laten vallen, zodat dat betoog onbesproken kan blijven. Op de overige beroepsgronden zal de rechtbank in gaan en afsluiten met een conclusie.
Teruggevorderde kinderopvangtoeslag
Eiseres betoogt dat verweerder ten onrechte bij de vaststelling van het compensatiebedrag rekening heeft gehouden met een bedrag van € 4.480. Dit bedrag heeft verweerder in eerste instantie voor kinderopvang over 2009 aan eiseres toegekend, maar heeft dat bedrag later van haar teruggevorderd.
Ten tijde van het bestreden besluit werd het beleid[_1d241719-a132-4bae-8d0e-9d1decd912a1] gevoerd dat een ouder die nadeel heeft ondervonden van de toeslagenaffaire gecompenseerd werd, onder meer voor het nadeel als gevolg van zekere correctiebesluiten[_9e0ceaf6-9a71-4816-ae6a-b9baf9410e10]. Deze compensatie is het totaalbedrag waarmee de aanspraak van de ouder op kinderopvangtoeslag is stopgezet of neerwaarts is gecorrigeerd als direct gevolg van het (CAF-)onderzoek. Tussen partijen is niet geschil dat het onder 2.1 genoemde terugvorderingbesluit aangemerkt moet worden als zo’n correctiebesluit.
Verweerder stelt dat het terugvorderingsbedrag van € 4.480 in het geval van eiseres desondanks in mindering moet worden gebracht omdat zij het bedrag aan verweerder niet heeft terug betaald. De rechtbank stelt vast dat in het beleid in onderdeel 5 is bepaald dat:
“ Van de compensatie die aan de hand van de hiervoor gestelde elementen is bepaald en de aanvullende compensatie voor de werkelijke schade, moet in sommige gevallen nog een bedrag worden afgetrokken. Dit geschiedt om te voorkomen dat een ouder materieel meer kinderopvangtoeslag of compensatie ontvangt dan waar hij recht op heeft. De Belastingdienst/Toeslagen vermindert de toe te kennen compensatie (onderdeel 3 (https://wetten.overheid.nl/BWBR0044059/2020-09-08)) en toe te kennen aanvullende compensatie voor werkelijke schade (onderdeel 4 (https://wetten.overheid.nl/BWBR0044059/2020-09-08)) op de hierna beschreven wijze.
De Belastingdienst/Toeslagen vermindert de compensatie (onderdeel 3) als volgt:
–Als de ouder een terugvordering kinderopvangtoeslag over de betreffende berekeningsjaren niet (volledig) heeft betaald, vermindert de Belastingdienst/Toeslagen de compensatie met het nog niet betaalde bedrag van de terugvordering. Dit geldt bijvoorbeeld ook in de situatie waarin de Belastingdienst/Toeslagen heeft toegezegd geen invorderingsmaatregelen te nemen voor de nog openstaande schuld (beschikking niet verder bemoeilijken). Het bedrag van de terugvordering wordt verlaagd met het bedrag van de vermindering van de compensatie.(…)”
In de door eiseres gestelde omstandigheid dat de vordering inmiddels is verjaard, hetgeen verweerder ook niet bestrijdt, ziet de rechtbank geen reden voor het oordeel dat verweerder af had moeten wijken van het beleid. Die omstandigheid laat immers onverlet dat eiseres dubbel kinderopvangtoeslag zou ontvangen indien het bedrag van € 4.480 niet in mindering wordt gebracht op het compensatiebedrag en eiseres dus meer zou worden gecompenseerd dan volgens de door haar geleden schade nodig is.
Het betoog van eiseres slaagt niet.
Geen voorschot op compensatie?
Eiseres betoogt dat de bij brief van 17 november 2020 toegekende € 3.000 niet beschouwd kan worden als een voorschot op het bij besluit van 8 maart 2021 verleende definitieve compensatiebedrag. Het moet aangemerkt worden als een aanvullende bedrag aan noodvoorziening op grond van het (destijds geldende) Besluit noodvoorziening toeslagen. Verweerder heeft om die reden, aldus eiseres, ten onrechte een bedrag van
€ 3.000 in mindering gebracht op het compensatiebedrag, aldus eiseres.
Dit betoog treft geen doel. In de onder 3.1 genoemde brief is aan eiseres meegedeeld:
Wat krijgt u van ons?“
We hebben besproken dat u recht hebt op compensatie of een tegemoetkoming. Omdat we meer tijd nodig hebben voor de beoordeling, krijgt nu alvast dit bedrag van € 3.000. Het geld is op 9 november 2020 aan u overgemaakt Dit hoeft u nooit terug te betalen.
Hoe gaat het verder?
(…) Hebt u na de beoordeling van uw situatie recht op een hoger bedrag? Dan krijgt u een nabetaling.
(…)”
Uit de bewoordingen, in het bijzonder de woorden “alvast” en “nabetaling” blijkt naar het oordeel van de rechtbank klip en klaar dat aan eiseres in afwachting van de beoordeling van haar recht op compensatie of tegemoetkoming alvast zonder meer een bedrag van € 3.000 wordt toegekend en dat eventueel een nabetaling volgt als die beoordeling is afgerond.
Conclusie en gevolgen
4. Uit het vorengaande volgt dat het beroep ongegrond is. Dat betekent dat het bestreden besluit in beroep in stand blijft en het toegekende compensatiebedrag van
€ 56.131 niet wijzigt. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug en ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J. Bastin, rechter, in aanwezigheid van mr. B.M. van der Doef, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 21 april 2023.
| griffier | rechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.