Uitspraak · Bestuursrecht
Rechtbank Noord-Nederland, 9 mei 2023
ECLI:NL:RBNNE:2023:1812Zaaknummer 21/3786
- Instantie
- Rechtbank Noord-Nederland
- Datum uitspraak
- 9 mei 2023
- Publicatiedatum
- 27 augustus 2025
- Zaaknummer
- 21/3786
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Zittingsplaats
- Groningen
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Omgevingsvergunning strijdig gebruik voor een paardenbak. Beroep gegrond. Motiveringsgebrek. Verweerder heeft niet in redelijkheid gebruik kunnen maken van zijn bevoegdheid om af te wijken van het bestemmingsplan.
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het besluit van 28 oktober 2021;
- draagt college op een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
- bepaalt dat college het griffierecht van € 181,- aan eiser moet vergoeden;
- veroordeelt college tot betaling van € 1.674,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.S. van den Berg, rechter, in aanwezigheid van mr. D.W.K. Veenstra, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 9 mei 2023.
| griffier | rechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving
Partiële en correctieve herziening van het bestemmingsplan Buitengebied
bestaand
het gebruik dat en/of de bebouwing die ten tijde van de inwerkingtreding van het plan legaal plaatsvindt, respectievelijk aanwezig is, dan wel bebouwing die kan worden gebouwd krachtens een verleende bouw- en/of omgevingsvergunning.
inrichtingsplan
een plan waarbij ten minste aandacht dient te worden besteed aan de begrenzing van het (beoogde) bouwperceel en de inpassing van de nieuwe ontwikkeling met aangeven van de ligging van erfverhardingen, de plaatsing en vormgeving van (bouw)werken en de erfbeplanting, waarbij Bijlage 4 'Handleiding inrichtingsplan' als behorende bij deze regels dient als richtinggevend kader voor het opstellen van een inrichtingsplan.
paardenhouderij
een bedrijf dat gericht is op het houden, stallen of africhten van paarden en/of pony's, alsmede de handel in paarden en/of pony's en een paardenpension, niet zijnde een manege of paardenfokkerij.
Artikel 6 Agrarisch met waarden - Besloten gebied
Bestemmingsomschrijving
De voor 'Agrarisch met waarden - Besloten gebied' aangewezen gronden zijn bestemd voor:
a. agrarische cultuurgronden;
en daaraan ondergeschikt voor
(…)
f. bestaande paardenbakken; (…)
Specifieke gebruiksregels
Tot een gebruik in strijd met deze bestemming wordt begrepen het gebruik dat afwijkt van de bestemmingsomschrijving, waaronder in ieder geval wordt begrepen:
(…)
d) het gebruiken of laten gebruiken van gronden voor paardenbakken, met uitzondering van bestaande paardenbakken;
Paardenbakken
Er kan worden afgeweken van 6.1 en 6.4 voor het gebruiken van een paardenbak, anders dan bedoeld in 6.1.
Toepasbaarheid - paardenbakken en mestopslag
Bij toepassing van de in 6.5.3 en 6.5.4 bedoelde afwijkingsmogelijkheid bij omgevingsvergunning geldt dat door de initiatiefnemer conform de richtlijnen uit de bij deze regels behorende Handleiding inrichtingsplan (Bijlage 4) een inrichtingsplan is opgesteld dat door burgemeester en wethouders is goedgekeurd voorafgaand aan de besluitvorming over de omgevingsvergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan.
Bijlage 4: Handleiding inrichtingsplan
(…)
Nevenfunctie agrarisch erf of woonerf: paardenhouderijen
(…)
Richtlijnen voor besloten landschap (woudenlandschap)
• Vasthouden aan de langgerekte opzet van het erf.
• Beplanting in ieder geval aan de lange (opstrekkende) zijden van het erf; 75% van de erfgrenzen beplant.
• Bij voorkeur beplanting samen laten vallen met houtwallen of elzensingels langs perceelsgrens.
• Kleur- en materiaalgebruik in gedekte tinten, natuurlijke materialen en matte afwerking passend in omringende landschap (…)
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 21/3786
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 mei 2023 in de zaak tussen
[eiser], uit Kollumerzwaag, eiser
(gemachtigde: mr. T. de Beet),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Noardeast-Fryslân, het college
(gemachtigde: mr. M. Vriezema).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [derde belanghebbende] uit Kollumerzwaag (vergunninghouder).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de door verweerder aan de derde-partij verleende omgevingsvergunning voor het realiseren van een paardenbak behorende bij het perceel [adres 1] te Kollumerzwaag.
Met het bestreden besluit van 28 oktober 2021 op het bezwaar van eiser is het college bij het verlenen van de vergunning gebleven.
Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 19 januari 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, de gemachtigde van het college en de derde-partij.
Totstandkoming van het besluit
2. Eiser is eigenaar van het perceel [adres 2] in Kollumerzwaag.
Op 2 november 2020 heeft eiser een verzoek om handhaving ingediend bij het college. Volgens eiser is de paardenbak op het perceel achter [adres 1] zonder vergunning gebouwd. De derde-partij is eigenaar van het betreffende perceel.
Op 10 februari 2021 heeft de derde-partij een aanvraag omgevingsvergunning ingediend ter legalisering van de paardenbak.
Bij besluit van 7 mei 2021 heeft het college aan de derde-partij een omgevingsvergunning verleend voor de paardenbak. Het gaat om de activiteiten bouwen en planologisch strijdig gebruik. Het project voldoet niet aan de regels van het bestemmingsplan en verweerder heeft besloten de paardenbak toe te staan op grond van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) en de binnenplanse afwijkingsmogelijkheid, zoals geregeld in artikel 6.5.3 van de planregels.
De bezwaaradviescommissie (commissie) heeft op 6 september 2021 advies uitgebracht. De commissie heeft daarin vastgesteld dat de derde-partij geen inrichtingsplan heeft ingediend. Daarmee is volgens de commissie niet aan de voorwaarden van het bestemmingsplan voldaan. Het gebrek kan volgens de commissie met de indiening van het inrichtingsplan, bij de beslissing op bezwaar worden hersteld.
Op 1 oktober 2021 heeft de derde-partij het inrichtingsplan ingediend.
3. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard en het besluit van 7 mei 2021, met verbetering van gronden, in stand gelaten. De derde-partij heeft overeenkomstig het bestemmingsplan een inrichtingsplan overgelegd. Volgens verweerder volstaat het eenvoudige inrichtingsplan en maakt het deel uit van de omgevingsvergunning. Verder is een aantal voorschriften aan de omgevingsvergunning verbonden.
Beoordeling door de rechtbank
4. De rechtbank beoordeelt de aan de derde-partij verleende omgevingsvergunning. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
5. De rechtbank is van oordeel dat het beroep gegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
6. De voor de beoordeling van het beroep belangrijke wet- en regelgeving is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
Wat is er in geschil?
7. Vast staat dat de paardenbak niet voldoet aan de regels van het bestemmingsplan ‘Partiële en correctieve herziening van het bestemmingsplan buitengebied 2012’. Er is namelijk geen sprake van een ‘bestaande’ paardenbak als bedoeld in artikel 6.1, onder f, van de planregels. In geschil is of verweerder in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken van zijn bevoegdheid om af te wijken van het bestemmingsplan ten behoeve van de paardenbak.
Bij de beoordeling stelt de rechtbank voorop dat de wetgever verweerder bij het verlenen van een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo een discretionaire bevoegdheid heeft toegekend bij de beslissing om af te wijken van het bestemmingsplan. Het gebruik van deze bevoegdheid door verweerder wordt door de bestuursrechter daarom terughoudend getoetst.
Het inrichtingsplan
8. Eiser betoogt dat het door de derde-partij ingediende inrichtingsplan niet voldoet aan de Handleiding inrichtingsplan. Eiser wijst onder meer op het gebrek aan aansluiting bij de bestaande bebouwing. Hij voert aan dat een goed en gedetailleerd erfinrichtingsplan ontbreekt en dat de beplanting aan de lange zijden van de paardenbak niet mogelijk zou zijn.
Het college stelt zich op het standpunt dat de welstandscommissie de paardenbak in de bestaande situatie heeft beoordeeld en een positief welstandsadvies heeft afgegeven. De welstandscommissie heeft geen nadere voorwaarden gesteld aan de inrichting. Volgens het college is het inrichtingsplan summier maar volstaat het, vanwege het positieve welstandsadvies.
Het college stelt zich verder op het standpunt dat de richtlijnen voor paardenhouderijen uit de Handleiding niet een-op-een kunnen worden toegepast omdat de Handleiding geen richtlijnen kent voor paardenbakken voor hobbymatig gebruik. Volgens het college is getoetst aan de algemene richtlijnen ten aanzien van een besloten landschap uit de Handleiding, zoals onder andere genoemd op pagina B-19. Het college heeft ter zitting toegelicht dat er geen sprake is van een nieuwe ontwikkeling maar van een bestaande situatie. De criteria uit de Handleiding moet slechts als kader worden gehanteerd zodat om die reden niet voldaan hoeft te worden aan alle criteria van pagina B-19 van de Handleiding.
De rechtbank overweegt dat het college ter zitting heeft erkend dat het inrichtingsplan niet voldoet aan artikel 1.50 van de planregels. In het inrichtingsplan is onder andere geen aandacht besteed aan de begrenzing van het perceel waar het inrichtingsplan op ziet. Anders dan verweerder stelt, betekent het enkele feit dat de paardenbak in 2013 (zonder omgevingsvergunning) is aangelegd naar het oordeel van de rechtbank niet dat de voorwaarden van artikel 1.50 niet langer van toepassing zijn. Er is namelijk geen sprake van een ‘bestaande situatie’ in de zin van het bestemmingsplan, maar van een nieuwe ontwikkeling. Het betoog van eiser slaagt.
De rechtbank is voorts van oordeel dat het college zich niet op het standpunt heeft kunnen stellen dat het inrichtingsplan conform de Handleiding inrichtingsplan is opgesteld, zoals artikel 6.5.6 van de planregels voorschrijft.
De rechtbank overweegt dat uit het bestreden besluit niet blijkt of het college heeft beoordeeld in hoeverre het inrichtingsplan is opgesteld conform de Handleiding. In het bestreden besluit is slechts vermeld dat het inrichtingsplan volstaat omdat de paardenbak deels omringd is met beplanting en zich achter de woning bevindt. Verweerder heeft ter zitting erkend dat het inrichtingsplan in het bestreden besluit niet is getoetst aan de criteria uit de Handleiding. Het bestreden besluit is in zoverre onvoldoende gemotiveerd.
Aangezien het college in het verweerschrift en ter zitting gemotiveerd heeft toegelicht dat het inrichtingsplan zou voldoen aan criteria uit de Handleiding, ziet de rechtbank in het kader van finale geschilbeslechting, aanleiding om dit nadere standpunt te beoordelen.
De rechtbank begrijpt uit de toelichting van het college ter zitting en uit het verweerschrift, dat het college heeft getoetst aan de algemene criteria uit de Handreiking die gelden voor besloten woudenlandschappen.
De rechtbank is van oordeel dat niet is gebleken dat aan deze criteria is voldaan. De stelling van het college dat de locatie gedeeltelijk is omringd met beplanting en de locatie zich achter de woning bevindt is daarvoor onvoldoende. Volgens de criteria moet worden vastgehouden aan de langgerekte opzet van het erf, moet de beplanting aan de lange (opstrekkende) zijde van het erf worden gesitueerd, moet 75% van de erfgrenzen beplant worden en de beplanting samenvallen met houtwallen of elzensingels langs de perceelsgrens. Het inrichtingsplan voldoet niet aan deze voorwaarden. Dat er een positief welstandsadvies is afgegeven, is voor de toetsing aan de criteria uit de Handleiding niet van belang. Uit de Handleiding volgt namelijk dat deze naast de welstandsnota geldt. Ook heeft de welstandscommissie het inrichtingsplan niet beoordeeld.
Aangezien niet is gebleken dat het inrichtingsplan voldoet aan artikel 1.50 en artikel 6.5.6 van de planregels, heeft het college naar het oordeel van de rechtbank niet in redelijkheid gebruik kunnen maken van zijn bevoegdheid om af te wijken van het bestemmingsplan. Het betoog van eiser slaagt.
Voorschriften bij de omgevingsvergunning
9. Eiser betoogt dat de voorschriften bij de omgevingsvergunning in strijd zijn met de rechtszekerheid. Volgens eiser volgt uit de voorschriften niet duidelijk of de paardenbak aan alle kanten moet worden omsloten door groen. Ook zou onvoldoende duidelijk zijn dat het groen moet worden aangelegd op het perceel van vergunninghouder, en niet op dat van eiser.
Volgens het college is met de voorschriften beoogd de bestaande situatie in stand te houden. Volgens het college heeft de welstandscommissie ten opzichte van de bestaande situatie geoordeeld dat deze voldoet aan de redelijke eisen van welstand. Ter zitting is namens het college meegedeeld dat er géén verplichting is voor de derde-partij om groen bij te planten. Deze verplichting bestaat pas als het groen op het perceel van eiser wordt verwijderd.
De voorschriften bij de omgevingsvergunning luiden als volgt:
‘Het groen rondom de paardrijbak moet tenminste een diepte van 1 meter en ten minste een hoogte van 1,5 meter hebben of kunnen bereiken. Het groen moet bestaan uit streekeigen planten of bomen. Het groen moet worden onderhouden en in stand worden gehouden. De aanleg er van, voor zover nog niet aanwezig, dient te geschieden binnen een jaar na dit besluit’
De rechtbank is met eiser van oordeel dat de voorwaarden bij de omgevingsvergunning onvoldoende duidelijk zijn. De rechtbank acht daarvoor van belang dat de tekst van voorschriften en de uitleg die het college daaraan geeft, helemaal niet met elkaar overeenstemmen. Uit het de voorschriften blijkt naar het oordeel van de rechtbank onder meer een verplichting van de derde-partij om groen aan te brengen rondom de gehele paardenbak. Namens het college is echter meegedeeld dat met de voorschriften niet is beoogd om rondom (de gehele) paardenbak groen te laten realiseren, maar dat is beoogd de bestaande situatie vast te leggen. De bestaande situatie houdt in dat het groen op het perceel van eiser wordt behouden. Volgens het college vloeit voor de derde-partij uit deze voorwaarden verder géén onmiddellijke verplichting voort om groen bij te planten; die verplichting bestaat pas als eiser het groen op zijn perceel – ter hoogte van de paardenbak – zou verwijderen. De uitleg van het college strookt naar het oordeel van de rechtbank niet met de tekst van de voorschriften. Naar het oordeel van de rechtbank slaagt het betoog van eiser dan ook.
Voor zover zou zijn beoogd aan de derde-partij een verplichting op te leggen tot het aanleggen van een groenstrook, overweegt de rechtbank nog het volgende. Ter zitting is gebleken de strook aan de oostzijde van de paardenbak tot aan de erfgrens van het perceel van eiser circa 0,5 meter bedraagt. Dat betekent dat de derde-partij alleen aan de voorschriften – een groenstrook van één meter - kan voldoen door ook groen te realiseren op het perceel van eiser. Er is daarmee sprake van een evidente privaatrechtelijke belemmering die aan het kunnen voldoen aan het voorschrift in de weg staat. Ook dat betoog van eiser slaagt.
Conclusie en gevolgen
10. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit is in strijd met 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of zelf in de zaak te voorzien. De rechtbank is van oordeel dat dit geen doelmatige en efficiënte manier is om de zaak af te doen.
De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat het college een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak.
11. Omdat het beroep gegrond is moet het college het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding van zijn proceskosten. Het college moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.674,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het besluit van 28 oktober 2021;
- draagt college op een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
- bepaalt dat college het griffierecht van € 181,- aan eiser moet vergoeden;
- veroordeelt college tot betaling van € 1.674,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.S. van den Berg, rechter, in aanwezigheid van mr. D.W.K. Veenstra, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 9 mei 2023.
| griffier | rechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving
Partiële en correctieve herziening van het bestemmingsplan Buitengebied
bestaand
het gebruik dat en/of de bebouwing die ten tijde van de inwerkingtreding van het plan legaal plaatsvindt, respectievelijk aanwezig is, dan wel bebouwing die kan worden gebouwd krachtens een verleende bouw- en/of omgevingsvergunning.
inrichtingsplan
een plan waarbij ten minste aandacht dient te worden besteed aan de begrenzing van het (beoogde) bouwperceel en de inpassing van de nieuwe ontwikkeling met aangeven van de ligging van erfverhardingen, de plaatsing en vormgeving van (bouw)werken en de erfbeplanting, waarbij Bijlage 4 'Handleiding inrichtingsplan' als behorende bij deze regels dient als richtinggevend kader voor het opstellen van een inrichtingsplan.
paardenhouderij
een bedrijf dat gericht is op het houden, stallen of africhten van paarden en/of pony's, alsmede de handel in paarden en/of pony's en een paardenpension, niet zijnde een manege of paardenfokkerij.
Artikel 6 Agrarisch met waarden - Besloten gebied
Bestemmingsomschrijving
De voor 'Agrarisch met waarden - Besloten gebied' aangewezen gronden zijn bestemd voor:
a. agrarische cultuurgronden;
en daaraan ondergeschikt voor
(…)
f. bestaande paardenbakken; (…)
Specifieke gebruiksregels
Tot een gebruik in strijd met deze bestemming wordt begrepen het gebruik dat afwijkt van de bestemmingsomschrijving, waaronder in ieder geval wordt begrepen:
(…)
d) het gebruiken of laten gebruiken van gronden voor paardenbakken, met uitzondering van bestaande paardenbakken;
Paardenbakken
Er kan worden afgeweken van 6.1 en 6.4 voor het gebruiken van een paardenbak, anders dan bedoeld in 6.1.
Toepasbaarheid - paardenbakken en mestopslag
Bij toepassing van de in 6.5.3 en 6.5.4 bedoelde afwijkingsmogelijkheid bij omgevingsvergunning geldt dat door de initiatiefnemer conform de richtlijnen uit de bij deze regels behorende Handleiding inrichtingsplan (Bijlage 4) een inrichtingsplan is opgesteld dat door burgemeester en wethouders is goedgekeurd voorafgaand aan de besluitvorming over de omgevingsvergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan.
Bijlage 4: Handleiding inrichtingsplan
(…)
Nevenfunctie agrarisch erf of woonerf: paardenhouderijen
(…)
Richtlijnen voor besloten landschap (woudenlandschap)
• Vasthouden aan de langgerekte opzet van het erf.
• Beplanting in ieder geval aan de lange (opstrekkende) zijden van het erf; 75% van de erfgrenzen beplant.
• Bij voorkeur beplanting samen laten vallen met houtwallen of elzensingels langs perceelsgrens.
• Kleur- en materiaalgebruik in gedekte tinten, natuurlijke materialen en matte afwerking passend in omringende landschap (…)
Wetsartikelen in deze uitspraak
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.