Uitspraak · Strafrecht
Rechtbank Noord-Nederland, 20 november 2020
ECLI:NL:RBNNE:2020:3960Zaaknummer 18/192971-18 ontneming
- Instantie
- Rechtbank Noord-Nederland
- Datum uitspraak
- 20 november 2020
- Publicatiedatum
- 20 november 2020
- Zaaknummer
- 18/192971-18 ontneming
- Rechtsgebied
- Strafrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - meervoudig, Op tegenspraak
- Zittingsplaats
- Groningen
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Veroordeling wegens opzettelijk aanwezig hebben van afval van synthetische drugsproductie. Veroordeling tot taakstraf en geldboete.
De rechtbank
wijst de vordering van de officier van justitie af.
Deze uitspraak is gegeven door mr. H.J. Schuth, voorzitter, mr. M.J.B. Holsink en mr. H.R. Bracht, rechters, bijgestaan door mr. E.W. Jeuring, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting op 20 november 2020.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Afdeling strafrecht
Locatie Groningen
parketnummer 18/192971-18
beslissing van de meervoudige kamer d.d. 20 november 2020 op een vordering van de officier van justitie tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel
in de zaak tegen
[veroordeelde],
veroordeelde,
geboren op [geboortedatum] 1966 te [geboorteplaats],
wonende te [woonplaats] aan [straatnaam].
Procesverloop
De officier van justitie heeft op 2 november 2020 schriftelijk gevorderd dat de rechtbank het bedrag vast zal stellen waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e, vijfde lid, van het Wetboek van Strafrecht, wordt geschat en dat de rechtbank aan voornoemde veroordeelde de verplichting zal opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 24.000 ter ontneming van het uit het in de zaak met parketnummer 18/192971-18 voortvloeiende, wederrechtelijk verkregen voordeel.
De behandeling heeft plaatsgevonden ter terechtzitting van 6 november 2020.
Bij gelegenheid van de mondelinge behandeling heeft de officier van justitie verzocht de vordering af te wijzen, nu onvoldoende aannemelijk is dat verdachte betrokken is bij de productie van en handel in MDMA, zodat niet van wederrechtelijk verkregen voordeel is gebleken.
De raadsman van verdachte heeft verzocht de vordering af te wijzen.
Beoordeling
Naar het oordeel van de rechtbank is op grond van de bewijsmiddelen en het verhandelde ter terechtzitting onvoldoende aannemelijk geworden dat veroordeelde daadwerkelijk wederrechtelijk voordeel heeft verkregen door middel van of uit de baten van het ten laste gelegde. De rechtbank zal derhalve de vordering van de officier van justitie afwijzen.
Beslissing
De rechtbank
wijst de vordering van de officier van justitie af.
Deze uitspraak is gegeven door mr. H.J. Schuth, voorzitter, mr. M.J.B. Holsink en mr. H.R. Bracht, rechters, bijgestaan door mr. E.W. Jeuring, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting op 20 november 2020.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.