Uitspraak · Strafrecht
Rechtbank Noord-Nederland, 5 juli 2016
ECLI:NL:RBNNE:2016:3583Zaaknummer 18-750031-13
- Instantie
- Rechtbank Noord-Nederland
- Datum uitspraak
- 5 juli 2016
- Publicatiedatum
- 9 juli 2026
- Zaaknummer
- 18-750031-13
- Rechtsgebied
- Strafrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - meervoudig, Op tegenspraak
- Zittingsplaats
- Leeuwarden
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel
Beslissing
Wijst de vordering van de officier van justitie af.
Deze uitspraak is gegeven door mr. N.A. Vlietstra, voorzitter, mr. M. Brinksma en
mr. L.G. Wijma, rechters, bijgestaan door mr. A. Dijkstra, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting op 5 juli 2016.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Afdeling strafrecht
Locatie Leeuwarden
parketnummer 18/750031-13
beslissing van de meervoudige kamer d.d. 5 juli 2016 op een vordering van de officier van justitie tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel
in de zaak tegen
[veroordeelde],
veroordeelde,
geboren op [geboortedatum] 1978 te [geboorteplaats], wonende te [adres].
Procesverloop
De officier van justitie heeft schriftelijk gevorderd dat de rechtbank het bedrag vast zal stellen waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e, vijfde lid, van het Wetboek van Strafrecht, wordt geschat en dat de rechtbank aan voornoemde veroordeelde de verplichting zal opleggen tot betaling aan de staat van een bedrag van 351.857,20 ter ontneming van het uit het in de zaak met parketnummer 18/750031-13 voortvloeiende, wederrechtelijk verkregen voordeel.
De behandeling heeft plaatsgevonden ter terechtzitting van 24 mei 2016.
De veroordeelde is verschenen, bijgestaan door mr. T. van der Goot, advocaat te Leeuwarden.
Het openbaar ministerie werd ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. P.M. van der Spek.
Beoordeling
De rechtbank heeft veroordeelde bij vonnis van 12 september 2014 in de zaak met parketnummer 18/750031-13 veroordeeld ter zake opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder C van de Opiumwet gegeven verbod. De veroordeelde is bij voormeld vonnis vrijgesproken van het opzettelijk telen van hennep.
Met de officier van justitie -die ter terechtzitting zijn eerder ingenomen standpunt heeft herzien- en de raadsman is de rechtbank van oordeel dat niet is komen vast te staan dat de veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft verkregen uit het enkele aanwezig hebben van hennep.
De rechtbank zal derhalve de vordering van de officier van justitie afwijzen.
Toepassing van de wetsartikelen
De rechtbank heeft gelet op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.
Beslissing
Wijst de vordering van de officier van justitie af.
Deze uitspraak is gegeven door mr. N.A. Vlietstra, voorzitter, mr. M. Brinksma en
mr. L.G. Wijma, rechters, bijgestaan door mr. A. Dijkstra, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting op 5 juli 2016.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.