Uitspraak · Bestuursrecht
Rechtbank Noord-Nederland, 2 juli 2015
ECLI:NL:RBNNE:2015:6476Zaaknummer 14/5066
- Instantie
- Rechtbank Noord-Nederland
- Datum uitspraak
- 2 juli 2015
- Publicatiedatum
- 20 augustus 2026
- Zaaknummer
- 14/5066
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Zittingsplaats
- Groningen
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
omgevingsvergunning uitbreiding school, redelijke eisen van welstand, Bouwbesluit en heeft verweerder terecht geen nadere eisen gesteld.
De rechtbank:
verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L. Mulder, rechter, in aanwezigheid van mr. E. Nolles als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 juli 2015.
griffier rechter
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Afschrift verzonden op:
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Afdeling Bestuursrecht
Locatie Groningen
zaaknummer: LEE 14/5066
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 juli 2015 in de zaak tussen
[eiser] , wonende te [plaats] , eiser
(gemachtigde: mr. A. Schwartz)
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Groningen, verweerder
(gemachtigden: [naam 1] en [naam 2] ).
Procesverloop
Bij besluit van 11 maart 2014 (het primaire besluit) heeft verweerder aan [derde belanghebbende] (hierna: vergunninghouder) een omgevingsvergunning op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) verleend.
Bij besluit van 22 oktober 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerder de bezwaren van eiser ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op de zitting van 16 april 2015. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigden.
Overwegingen
1. De rechtbank neemt de volgende, door partijen niet betwiste, feiten als vaststaand aan. Op 20 december 2013 heeft vergunninghouder een aanvraag ingediend ten behoeve van de uitbreiding van het [naam 3] op de locatie [adres] te [plaats]. Eiser is woonachtig op het perceel [adres 2] te [plaats], hetgeen grenst aan deze locatie. Bij het primaire besluit heeft verweerder de aangevraagde omgevingsvergunning verleend. Bij brief van 18 april 2014 heeft eiser bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit.
2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de bezwaren van eiser ongegrond verklaard en de verleende omgevingsvergunning gehandhaafd.
Ingevolge artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo, is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het bouwen van een bouwwerk.
Ingevolge artikel 2.10, eerste lid, onder a, c en d, van de Wabo wordt de omgevingsvergunning, voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, geweigerd indien de activiteit in strijd is met onder meer het bestemmingsplan, het Bouwbesluit en redelijke eisen van welstand.
Ingevolge artikel 8:69a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) vernietigt de bestuursrechter een besluit niet op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept.
4. De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat het bouwplan in overeenstemming is met de van toepassing zijnde bepalingen in het bestemmingsplan. Eiser heeft zich -samengevat- op het standpunt gesteld dat het bouwplan in strijd is met de redelijke eisen van welstand en het Bouwbesluit 2012 en dat verweerder ten onrechte geen nadere eisen heeft gesteld zoals op grond van het bestemmingsplan mogelijk is.
5. Eiser heeft ten aanzien van verschillende onderwerpen een beroep gedaan op het Bouwbesluit 2012.
De rechtbank stelt vast dat eiser ten aanzien van de volgende onderwerpen niet heeft toegelicht op welke bepalingen van het Bouwbesluit een beroep wordt gedaan: ventilatie-eisen, brandvermogen, uitbreidingssnelheid, de te verwachten oververhitting (broeikas-effect) in de uitbreiding en het ontstaan van nagalm. Ook ter zitting heeft eiser desgevraagd zijn standpunt in deze niet nader kunnen toelichten. De rechtbank is van oordeel dat, gelet op de in de beroepsgronden genoemde onderwerpen en hetgeen daaromtrent in het Bouwbesluit is geregeld, de vraag zich voordoet of het hier gaat om normen die strekken tot bescherming van de belangen van eiser. Nu niet is gesteld dan wel gebleken dat het al dan niet naleven van de normen uit het Bouwbesluit ten aanzien van deze onderwerpen eiser persoonlijk raakt, moet worden geoordeeld dat de desbetreffende normen kennelijk niet strekken tot bescherming van de belangen van eiser. Dit betekent dat het betoog van eiser over de strijd met het Bouwbesluit ten aanzien van de genoemde onderwerpen ingevolge artikel 8:69a van de Awb niet kan leiden tot vernietiging van het bestreden besluit.
Eiser heeft voorts een beroep gedaan op paragraaf 7.3.3. van de Bouwfysische beoordeling van [deskundige 1] van 8 oktober 2013 in combinatie met het Bouwbesluit. De rechtbank stelt vast dat deze paragraaf betrekking heeft op hetgeen in afdeling 3.1 van het Bouwbesluit is geregeld. Deze afdeling ziet op het akoestische binnenklimaat van een gebouw/bouwwerk. Ook ten aanzien van dit onderwerp moet geconcludeerd worden dat hier sprake is van strijd met het relativiteitsbeginsel, zodat dit betoog eveneens niet tot vernietiging van het bestreden besluit kan leiden.
Voor zover eiser met betrekking tot het minimaal te openen raamoppervlak heeft verwezen naar pagina 7 van de Bouwfysische beoordeling stelt de rechtbank vast dat het hier gaat om voorwaarden die [deskundige 1] heeft opgenomen op basis van het Programma van Eisen - Frisse Scholen. Deze voorwaarden worden niet in het Bouwbesluit gesteld, zodat van strijd met het Bouwbesluit op dit punt niet gebleken is. Ook overigens stelt de rechtbank vast dat in de Bouwfysische beoordeling uit wordt gegaan van hogere normen dan de in het Bouwbesluit gestelde normen. Dit vloeit voort uit het feit dat op grond van het Bouwbesluit de normen geldend voor 'verbouw' van toepassing zijn, terwijl in de Bouwfysische beoordeling zoveel mogelijk de normen geldend voor 'nieuwbouw' zijn gehanteerd.
Eiser heeft zich, onder verwijzing naar de verklaring van [naam 4] van [deskundige 2] van 24 november 2014 en de Bouwfysische beoordeling, op het standpunt gesteld dat door de te realiseren uitbreiding geen sprake meer is van doorspuiing middels spuiventilatie. Verweerder heeft -onbetwist- toegelicht dat voor ruimten met een onderwijsfunctie, anders dan voor het basisonderwijs, geen eis geldt ten aanzien van spuiventilatie. Dit standpunt wordt in de Bouwfysische beoordeling ondersteund in paragraaf 3.2. De rechtbank is van oordeel dat gelet hierop deze grond niet slaagt.
Met betrekking tot de ventilatiecapaciteit van de aula is verweerder volgens eiser, onder verwijzing naar de Bouwfysische beoordeling, ten onrechte uitgegaan van een capaciteit van 31 personen. De rechtbank stelt vast dat verweerder terecht heeft toegelicht dat de ventilatie- en daglichtberekening van [deskundige 4] van 10 oktober 2013 ten grondslag ligt aan de verleende omgevingsvergunning. Blijkens dit rapport is bij de ventilatieberekening voor de uitbreiding voor de aula uitgegaan van een capaciteit van 300 personen. Eiser heeft niet nader onderbouwd dat deze berekening onjuist zou zijn, zodat zijn betoog niet slaagt.
Gelet op hetgeen in 5.3 en 5.4 is overwogen en het feit dat [naam 4] enkel ten aanzien van deze punten heeft geconcludeerd dat sprake is van strijd met het Bouwbesluit ziet de rechtbank geen aanleiding om conform het verzoek van eiser een deskundige te benoemen.
6. Eiser heeft gesteld dat sprake is van strijd met de redelijke eisen van welstand. Ter ondersteuning van dit standpunt heeft eiser [naam 5] van [deskundige 3] ingeschakeld.
Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 3 oktober 2012 in zaak nr. 201202738/1/A), mag het college, hoewel het niet aan een welstandsadvies is gebonden en de verantwoordelijkheid voor welstandstoetsing bij het college berust, aan het welstandsadvies in beginsel doorslaggevende betekenis toekennen. Tenzij het advies naar inhoud of wijze van totstandkoming zodanige gebreken vertoont dat het college dit niet, of niet zonder meer, aan zijn oordeel omtrent de welstand ten grondslag heeft mogen leggen, behoeft het overnemen van een welstandsadvies in beginsel geen nadere toelichting. Dit is anders indien de aanvrager of een derde-belanghebbende een advies overlegt van een andere deskundig te achten persoon of instantie dan wel gemotiveerd aanvoert dat het welstandsadvies in strijd is met de volgens de welstandsnota geldende criteria.
Eiser heeft adviezen van 30 juni 2014 en 25 november 2014 [naam 5] van [deskundige 3] overgelegd. [naam 5] heeft gesteld dat niet wordt voldaan aan het criterium dat sprake dient te zijn van 'een kwaliteitsvolle omgeving' die een verzameling is van op elkaar betrokken ruimten en die nooit uit losse elementen zonder onderling verband bestaat. Nu het bouwplan een sterk van de omgeving en bestaande bouw afwijkend futuristisch 'glazen kasachtige constructie' van glas en staal in een stedelijke vooroorlogse woonwijk is, wordt volgens [naam 5] niet aan genoemd criterium voldaan. Verder heeft het bouwplan een afwijkend en contrasterend effect ten opzichte van de bestaande bouw. Er is geen sprake van 'een beheerst en samenhangend stelsel van maatverhoudingen van het gevelvlak' en van 'eenduidigheid, structuur en logica binnen de bestaande situatie'. Tenslotte is de uitbreiding qua materiaal, textuur, kleur en lichtverwerking niet bijpassend en ondersteunend in de omgeving.
Verweerder heeft een gemotiveerd welstandsadvies van 6 mei 2014 overgelegd. Daarnaast heeft verweerder een reactie van de welstandscommissie van 19 augustus 2014 en een reactie van de stadsbouwmeester van 23 januari 2015 op de visie [naam 5] ingediend. De rechtbank stelt vast dat blijkens het advies van de welstandscommissie de aanvraag voldoet aan redelijke eisen van welstand. Daartoe is overwogen dat het plan voor de uitbreiding van het u-vormige bouwvolume een carré maakt dat met het nieuwe volume binnen de vleugels van het bestaande gebouw blijft en wat hoogte en massa betreft past bij de contouren van het bestaande gebouw. Voor het ontwerp is een afwijkende vormentaal gekozen, zodat het onderscheid tussen het bestaande gebouw en de uitbreiding goed zichtbaar is. Daarmee conformeert de aanvraag zich niet aan de criteria en aanbevelingen zoals die gelden voor gebied 5 van de welstandsatlas, zodat aan de Algemene Groninger Criteria getoetst moet worden. Volgens het advies levert het bouwwerk een positieve bijdrage aan de ruimtelijke kwaliteit van de omgeving. Het bouwwerk past wat omvang betreft goed bij de bestaande bebouwing en sluit op een zorgvuldige manier hierop aan. De nieuwe vleugel is van het bestaande gebouw visueel los gehouden. Een glazen kasachtige constructie verbindt de nieuwe vleugel met het bestaande gebouw en het nieuwe binnenplein is met een glazen kap overdekt. Zo blijft goed zichtbaar hoe het bestaande en het nieuwe bouwdeel zich tot elkaar verhouden. Ook de schaal en schaalbeleving van de uitbreiding past goed bij de opgave en de context waarin het wordt gerealiseerd. Materiaalgebruik en detaillering zorgen ervoor dat het gebouw een eigen karakter heeft. In de reactie van de stadsbouwmeester van 23 januari 2015 wordt het advies onderschreven.
De rechtbank acht met de ingediende visie [naam 5] niet aannemelijk gemaakt dat het door verweerder gevolgde welstandsadvies in strijd is met de in de Welstandsnota opgenomen criteria, of dat advies naar inhoud of wijze van totstandkoming zodanige gebreken vertoont, dat verweerder dit niet, of niet zonder meer, aan zijn oordeel omtrent de welstand ten grondslag heeft mogen leggen. Dat daarmee aan het door eiser overgelegde advies niet die waarde wordt toegekend, die hij daaraan gehecht wilden zien, maakt dat niet anders. Gelet op het voorgaande bestaat geen grond voor het oordeel dat verweerder het welstandsadvies niet aan zijn oordeel over de welstand ten grondslag had mogen leggen.
Gelet op hetgeen in 6.4 is overwogen, ziet de rechtbank geen aanleiding om conform het verzoek van eiser een deskundige te benoemen.
7. Eiser heeft verder gesteld dat verweerder ten onrechte geen gebruik heeft gemaakt van de in het bestemmingsplan gegeven bevoegdheid om nadere eisen te stellen.
De rechtbank stelt vast dat verweerder op grond van artikel 11.3 van het bestemmingsplan nadere eisen kan stellen aan de plaats en afmeting van bebouwing ten behoeve van de woonsituatie, het straat- en bebouwingbeeld, de verkeersveiligheid, de sociale veiligheid, de milieusituatie en de gebruiksmogelijkheden voor aangrenzende percelen. Vooropgesteld moet worden dat de bevoegdheid om nadere eisen te stellen een discretionaire bevoegdheid van het college is, waarvan de rechter het gebruik terughoudend moet toetsen. Dat wil zeggen, zich moet beperken tot de vraag, of het college in redelijkheid tot zijn besluit heeft kunnen komen.
Eiser heeft met betrekking tot de woonsituatie een bezonningsstudie overgelegd op basis waarvan hij heeft gesteld dat sprake is van een reductie van de lichtinval in de woning en op het perceel tot een onacceptabel niveau. Ook zal volgens eiser sprake zijn van een aantasting van de privacy door de realisering van het bouwplan. Via de ramen in de nieuwbouw zal er inkijk in de woning, op het terras en in de achtertuin van eiser zijn. Door de sloop van de kantine zal eveneens inkijk in de woning van eiser worden gecreëerd vanaf [straatnaam]. Bovendien zal er overlast zijn door de uitstraling van licht vanuit de nieuwbouw.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder kunnen besluiten geen nadere eisen te stellen ten behoeve van de woonsituatie. Verweerder heeft daartoe aangegeven dat de uitbreiding van de school volledig wordt ingesloten door de reeds aanwezige u-vormige bebouwing van de school, waardoor de invloed van het bouwplan op de omgeving ruimtelijk acceptabel is. Verweerder heeft toegelicht dat de privacy en lichttoetreding niet buitenproportioneel worden aangetast. Daarbij heeft verweerder erop gewezen dat zich ook in de huidige situatie al vensters aan de achterzijde van het gebouw bevinden en dat de bezonningssituatie ook bij de vaststelling van het bestemmingsplan is meegewogen. De rechtbank is van oordeel dat verweerder gevolgd kan worden in deze toelichting. Daarbij acht de rechtbank met name van belang dat de uitbreiding van de school binnen de begrenzing van het bestaande u-vormige gebouw wordt gerealiseerd. Dit betekent dat de school na de uitbreiding niet dichterbij de woning van eiser is gesitueerd dan in de huidige situatie. Zoals verweerder ook heeft erkend staat vast dat het bouwplan invloed heeft op de privacy en de lichtinval in de tuin en de woning van eiser, maar niet gebleken is dat deze invloed zodanig is dat verweerder nadere eisen had moeten stellen aan de afmetingen of plaatsing van het bouwplan. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat voor zover eiser heeft gewezen op de door hem overgelegde bezonningsstudie, deze een zeer beperkt beeld geeft van de invloed van het bouwplan op de lichtinval gedurende het jaar in de woning en op het perceel van eiser, zodat ook daarin geen aanleiding kan worden gevonden om te concluderen dat verweerder op dit punt nadere eisen had moeten stellen. Ook de stelling van eiser dat overlast door verlichting wordt verwacht geeft daartoe geen aanleiding, nu zoals verweerder heeft toelicht, 's nachts enkel sprake zal zijn van noodverlichting. Voor zover eiser tenslotte heeft gesteld dat overlast van leerlingen wordt verwacht doordat in de nieuwe situatie geen plein wordt gecreëerd, volgt de rechtbank eiser niet. Daarbij acht de rechtbank van belang dat, zoals door de architect van het bouwplan ter zitting is toegelicht, de huidige situatie in deze niet verschilt van de situatie zoals die ontstaat na de realisering van de uitbreiding. Op de locatie waar het bouwplan is gesitueerd zijn thans namelijk de fietsenstallingen geplaatst, zodat deze buitenruimte ook nu niet benut kan worden door leerlingen.
Met betrekking tot het straat en bebouwingsbeeld heeft eiser gesteld dat geen sprake is van een samenhangend straat- en bebouwingsbeeld, nu een sterk van de omgeving en de bestaande bouw afwijkend, futuristisch, glazen, kasachtige constructie van glas en staal in een stedelijke, vooroorlogse woonwijk wordt geplaatst. Eiser heeft een impressie overgelegd ter ondersteuning van zijn standpunt dat de uitbreiding vanaf [straatnaam 2] zichtbaar is.
De rechtbank stelt vast dat verweerder in de omgevingsvergunning het volgende heeft opgenomen: "Het straat- en bebouwingsbeeld wordt niet nadelig aangetast. Omdat de toegevoegde bebouwing op het binnenterrein van het schoolgebouw wordt geplaatst, in een zelfde hoogte en vormentaal als de reeds aanwezige bebouwing, is er geen invloed op het straatbeeld. Het bebouwingsbeeld wordt enkel vanaf de binnenzijde van het gesloten bouwblok ervaren. Omdat het zover terug ligt ten opzichte van omringende woningen is de wijziging ruimtelijk acceptabel. Een goede verhouding tussen bouwmassa en open ruimte blijft bestaan. Een goede hoogte- en breedteverhouding tussen de bebouwing onderling blijft ook aanwezig. Qua vormentaal en afmetingen sluit de nieuwbouw aan op de aanwezige bebouwing, waardoor stedenbouwkundig voldoende samenhang is tussen de bebouwing die ruimtelijk op elkaar is georiënteerd". De rechtbank is van oordeel dat verweerder op basis van deze onderbouwing heeft kunnen besluiten geen nadere eisen te stellen aan de afmetingen en plaatsing van de uitbreiding. In dat kader is wederom de situering van de uitbreiding binnen de bestaande bebouwing van groot belang. Deze situering maakt naar het oordeel van de rechtbank dat de invloed van de uitbreiding op het straat- en bebouwingsbeeld zeer beperkt blijft. De door eiser overgelegde impressie geeft de rechtbank geen aanleiding hier anders over te denken, nu uit de impressie blijkt dat slechts een beperkt deel van de nieuwbouw vanaf [straatnaam 2] zichtbaar zal zijn en deze daarmee een geringe invloed heeft op het straat- en bebouwingsbeeld.
Verder heeft eiser zich op het standpunt gesteld dat de verkeersveiligheid onevenredig wordt aangetast door de realisering van het bouwplan. Eiser heeft aangegeven dat de omgevingsdruk van de school op [straatnaam 2] in de huidige situatie al hoog is. De toegang van de school aan [straatnaam 2] wordt zeer intensief gebruikt, waarbij ook veelvuldig gebruik wordt gemaakt van de stoep. Na de uitbreiding van de school zal deze toegang als centrale toegang tot de school worden gebruikt, waardoor de onveilige situatie ter plaatse zal toenemen.
De rechtbank acht voor de vraag of verweerder heeft kunnen besluiten geen nadere eisen te stellen van belang of de verkeersveiligheid door de realisering van de uitbreiding van de school onevenredig wordt aangetast. Naar het oordeel van de rechtbank is hier niet van gebleken. Verweerder heeft toegelicht dat het eerder voor de hand ligt dat het aantal verkeersbewegingen van en naar de school afneemt, omdat de dependance aan [straatnaam 3] wordt gesloten, zodat leerlingen zich gedurende schooltijd niet meer tussen de twee school-gebouwen hoeven te bewegen. Voor zover eiser heeft gesteld dat het aantal verkeers-bewegingen zal toenemen doordat het aantal leerlingen toeneemt, vindt de rechtbank hiervoor geen steun in de gedingstukken. Uit antwoorden op de door verweerder voorafgaand aan de vergunningverlening aan de aanvrager van de vergunning gestelde vragen blijkt dat geen sprake zal zijn van een toename van het aantal leerlingen, zodat verweerder ook op grond daarvan geen onevenredige aantasting van de verkeersveiligheid had hoeven verwachten. Voor zover eiser heeft gesteld dat [straatnaam 2] als centrale toegang voor de school gebruikt zal worden, is de rechtbank van oordeel dat verweerder, gelet op het feit dat er ook aan [straatnaam] een toegang tot de school is en eiser zijn stelling niet nader heeft onderbouwd, hierin geen aanleiding heeft hoeven vinden om nadere eisen te stellen.
Vervolgens heeft eiser met betrekking tot de sociale veiligheid gesteld dat deze zal worden aangetast. Daartoe heeft eiser naar voren gebracht dat niet voorkomen kan worden dat er een ruimtelijke situatie (hangplek) in de fietsenstalling, achter zijn woning, ontstaat die onoverzichtelijk, onherkenbaar en niet sociaal controleerbaar is. Ook het feit dat er in de nieuwe situatie geen plein wordt gerealiseerd leidt tot overlast door leerlingen die zich buiten de school ophouden. Eiser heeft er daarbij op gewezen dat ook in de huidige situatie overlast wordt ervaren door de aanwezigheid van rondhangende jongeren.
Zoals verweerder terecht heeft opgemerkt kunnen op basis van het bestemmingsplan geen nadere eisen worden gesteld in de vorm van de maatregelen (camera's, hek, toezicht) die door eiser worden genoemd. Verweerder kan vergunninghouder niet via de nadere eisen verplichten deze maatregelen te nemen, nu de nadere eisen enkel kunnen worden gesteld ten aanzien van de afmetingen en de plaatsing van de bebouwing. Nu eisers grond zich in deze richt op maatregelen die buiten de bevoegdheid van verweerder liggen, kan het beroep in zoverre niet slagen.
Voor wat betreft de milieusituatie heeft eiser betoogd dat nadere eisen gesteld dienen te worden in verband met de te verwachten overlast. Eiser heeft ter zitting toegelicht dat het gaat om privacy, zonlicht, geluid en uitzicht.
Ten aanzien van de aspecten privacy, zonlicht en uitzicht verwijst de rechtbank naar de overwegingen onder 7.3, waarbij geconcludeerd wordt dat de overwegingen voor het antwoord op de vraag of verweerder in redelijkheid heeft kunnen afzien van het stellen van nadere eisen in verband met de milieusituatie niet afwijken van de in genoemde rechtsoverwegingen opgenomen beoordeling. De rechtbank overweegt voorts dat genoemde aspecten naar haar oordeel ook enkel ten behoeve van de woonsituatie nadere eisen gesteld zouden kunnen worden, nu een wijziging van één van de genoemde aspecten niet gelijk staat met een wijziging van de milieusituatie. Naar het oordeel van de rechtbank is dit anders als het gaat om geluidshinder waarbij wel sprake zou kunnen zijn van hinder die onder artikel 11.3, onder e, van het bestemmingsplan valt. Voor verweerder bestaat daarbij evenwel, zoals reeds eerder overwogen, de beperking dat enkel eisen kunnen worden gesteld aan de plaatsing en afmetingen van de bebouwing. De bevoegdheid van verweerder reikt niet zover dat verweerder, zoals eiser wenst, nadere eisen kan stellen ten aanzien van de entree van de school en de locatie van het muzieklokaal binnen het schoolgebouw. In zoverre heeft verweerder dan ook kunnen besluiten geen nadere eisen te stellen ten aanzien van dit onderwerp.
Tenslotte heeft eiser gesteld dat verweerder onvoldoende heeft nagedacht over de gevolgen van de nieuwbouw op de directe woonomgeving. Eiser heeft naar voren gebracht dat door omwonenden een alternatief is aangedragen, waar verweerder ten onrechte niets mee heeft gedaan.
De rechtbank stelt vast dat eiser niet concreet heeft gemaakt in hoeverre en op welke wijze de gebruiksmogelijkheden van zijn perceel worden aangetast door het bouwplan. Verweerder heeft dan ook kunnen besluiten geen nadere eisen te stellen. Voor zover eiser heeft gesteld dat het onbegrijpelijk is dat verweerder niet bereid is geweest het door omwonenden voorgestelde alternatief bij zijn beoordeling te betrekken volgt de rechtbank hem niet. Verweerder is gehouden een besluit te nemen op de ingediende aanvraag. Het is niet aan verweerder om te treden in alternatieve mogelijkheden. Indien eiser hieromtrent overleg zou willen voeren dan ligt het in de rede om dit met vergunninghouder te doen.
8. Voor zover eiser heeft betoogd dat verweerder in het bestreden besluit in het geheel niet dan wel onvoldoende is ingegaan op de ook reeds in bezwaar naar voren gebrachte gronden volgt de rechtbank dit betoog niet. Blijkens het bestreden besluit en het daarbij behorende advies van de bezwaarschriftencommissie heeft verweerder inhoudelijk gereageerd op de gronden van bezwaar, zodat geen aanleiding bestaat om het bestreden besluit op deze grond te vernietigen.
9. Eiser heeft in het beroepsschrift meermalen betoogd dat verweerder bij zijn besluitvorming uit is gegaan van onjuiste gegevens en dat hierin aanleiding moet worden gevonden het besluit te vernietigen wegens strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel. De rechtbank is evenwel van oordeel dat niet is gebleken dat verweerder zich bij zijn besluitvorming op onjuiste gegevens heeft gebaseerd. Het betoog slaagt dan ook niet.
10. Het beroep is ongegrond.
11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L. Mulder, rechter, in aanwezigheid van mr. E. Nolles als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 juli 2015.
griffier rechter
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Afschrift verzonden op:
Wetsartikelen in deze uitspraak
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.