Uitspraak · Personen- en familierecht
Rechtbank Noord-Holland, 5 augustus 2026
ECLI:NL:RBNHO:2026:9943Zaaknummer C/15/380895 / JU RK 26-1239
- Instantie
- Rechtbank Noord-Holland
- Datum uitspraak
- 5 augustus 2026
- Publicatiedatum
- 19 augustus 2026
- Zaaknummer
- C/15/380895 / JU RK 26-1239
- Rechtsgebied
- Civiel recht, Personen- en familierecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Zittingsplaats
- Haarlem
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Spoedmachtiging tot uithuisplaatsing
5 De beslissing
De kinderrechter:
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige], geboren op [geboortedatum] in [plaats], in een pleeggezin met ingang van 5 augustus 2026 tot 2 september 2026;
verklaart de beslissing onder 5.1. uitvoerbaar bij voorraad;
houdt de behandeling van het verzoek voor het overige aan en bepaalt de voorzetting daarvan op een nader te bepalen zitting;
bepaalt dat de griffier de GI en de moeder tijdig zal oproepen voor die zitting.
| Deze beschikking is gegeven door mr. S. Ok, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 5 augustus 2026, in aanwezigheid van M.P. van Driel als griffier. |
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Amsterdam. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
- degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Haarlem
Zaaknummer: C/15/380895 / JU RK 26-1239
Datum uitspraak: 5 augustus 2026
Beschikking van de kinderrechter over een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering,
hierna te noemen: de GI,
gevestigd te Amsterdam,
over
[de minderjarige], geboren op [geboortedatum] in [plaats],
hierna te noemen: [de minderjarige].
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [plaats].
1 Het verloop van de procedure
De kinderrechter neemt mee in de beoordeling:
- het schriftelijke verzoek van de GI met bijlagen, ontvangen op 4 augustus 2026.
2 De feiten
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige].
[de minderjarige] verblijft sinds 10 juli 2026 met de moeder in het moeder-kind-huis van [moeder-kind-huis] (hierna: het MKH).
Uit de stukken blijkt dat [de vader] de vader is van [de minderjarige]. Hij heeft haar niet erkend en heeft geen gezag. Uit de stukken blijkt verder niet dat hij betrokken is bij de opvoeding en verzorging van [de minderjarige].
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 28 juni 2026 [de minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld tot 28 september 2026.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 28 juni 2026 een spoedmachtiging verleend [de minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg tot 26 juli 2026, welke machtiging per 7 juli 2026 is opgeheven.
3 Het verzoek
De GI verzoekt opnieuw een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een pleeggezin te verlenen voor de duur van vier weken en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. De GI verzoekt hierop te beslissen zonder de belanghebbenden te horen.
De GI verzoekt aansluitend een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een pleeggezin te verlenen voor de duur de ondertoezichtstelling en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
4 De beoordeling
De kinderrechter heeft de volgende informatie ontvangen. [de minderjarige] verblijft sinds 10 juli 2026 samen met haar moeder in het MKH nadat een eerdere plaatsing bij een ander MKH voortijdig was beëindigd vanwege grote zorgen over het gedrag van de moeder en de verzorging, opvoeding en veiligheid van [de minderjarige]. Na plaatsing bij het MKH zijn die blijven bestaan. Zo heeft er op 18 juli 2026 een incident voorgedaan waarbij de moeder met [de minderjarige], zonder instemming van de begeleiding, is weggegaan van het MKH en tot de volgende ochtend weggebleven. Later bleek dat zij naar haar partner in [plaats] is gegaan. Op 2 augustus 2026 heeft zich wederom een incident voorgedaan waarbij de moeder samen met [de minderjarige] naar haar partner in [plaats] is gereisd en zij in een winkelcentrum in het bijzijn van [de minderjarige] alcohol en/of drugs hebben gebruikt. Volgens de politie waren zij beiden onder invloed. De moeder erkent de zorgen over alcohol- en/of middelengebruik niet. Er zijn verder nog steeds zorgen over de verzorgings- en opvoedingstaken, zoals over onvoldoende aanbrengen van structuur, het voorbereiden van verzorgingsmomenten, de hygiëne en het organiseren van haar eigen leefomgeving. De moeder legt oorzaken veelal buiten zichzelf en accepteert hierbij de begeleiding en aansturing van het MKH onvoldoende. De moeder is daarnaast meerdere keren verbaal agressief geweest naar de begeleiding. Het MKH en de GI zien dat er onvoldoende ontwikkeling bij de moeder is, ondanks de geboden ondersteuning en de aangepaste begeleidingsstijl, waardoor de huidige situatie binnen het MKH niet langer houdbaar is. Het MKH heeft daartoe geconcludeerd dat de moeder daar niet langer met [de minderjarige] kan verblijven. De moeder heeft geen vaste woon- of verblijfplaats en er is intensieve begeleiding en ondersteuning voor haar nodig.
Op basis van deze informatie is de kinderrechter van oordeel dat het noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding dat [de minderjarige] uit huis wordt geplaatst in een pleeggezin.[_c324fa94-0003-4a14-9474-364190194a64] De GI geeft aan dat er al een pleeggezin voor haar gevonden is waar zij direct heen kan.
De kinderrechter is ook van oordeel dat een zitting niet kan worden afgewacht zonder onmiddellijk en ernstig gevaar voor [de minderjarige]. Daarom machtigt de kinderrechter de GI om [de minderjarige] uit huis te plaatsen voor de duur van vier weken.
De kinderrechter verklaart de beslissing om de machtiging tot uithuisplaatsing af te geven uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
De GI en de belanghebbenden worden in de gelegenheid gesteld hun mening te geven. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.
5 De beslissing
De kinderrechter:
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige], geboren op [geboortedatum] in [plaats], in een pleeggezin met ingang van 5 augustus 2026 tot 2 september 2026;
verklaart de beslissing onder 5.1. uitvoerbaar bij voorraad;
houdt de behandeling van het verzoek voor het overige aan en bepaalt de voorzetting daarvan op een nader te bepalen zitting;
bepaalt dat de griffier de GI en de moeder tijdig zal oproepen voor die zitting.
| Deze beschikking is gegeven door mr. S. Ok, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 5 augustus 2026, in aanwezigheid van M.P. van Driel als griffier. |
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Amsterdam. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
- degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.