Uitspraak · Personen- en familierecht
Rechtbank Noord-Holland, 3 augustus 2026
ECLI:NL:RBNHO:2026:9866Zaaknummer C/15/380854
- Instantie
- Rechtbank Noord-Holland
- Datum uitspraak
- 3 augustus 2026
- Publicatiedatum
- 17 augustus 2026
- Zaaknummer
- C/15/380854
- Rechtsgebied
- Civiel recht, Personen- en familierecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Zittingsplaats
- Haarlem
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Beschikking van de kinderrechter over een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing.
5 De beslissing
De kinderrechter:
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] in een pleeggezin met ingang van 3 augustus 2026 tot 31 augustus 2026;
verklaart de beslissing onder 5.1. uitvoerbaar bij voorraad
houdt de behandeling van het verzoek voor het overige aan;
roept de GI, de vader en de moeder op voor de zitting van mr. C. Maat op [datum] in het gerechtsgebouw van deze rechtbank aan Kruseman van Eltenweg 2 in Alkmaar;
bepaalt dat deze beschikking geldt als oproep voor de zitting.
| Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 3 augustus 2026 door mr. N. Cuvelier, kinderrechter, in aanwezigheid van L. de Greef als griffier, en op schrift gesteld op 4 augustus 2026. |
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Amsterdam. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
- degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Haarlem
Zaaknummer: C/15/380854 / JU RK 26-1235
Datum uitspraak: 3 augustus 2026
Beschikking van de kinderrechter over een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Regio Amsterdam te Amsterdam,
hierna te noemen de GI,
over
[de minderjarige 1], geboren op [geboortedatum] in [plaats],
hierna te noemen [de minderjarige 1],
[de minderjarige 2], geboren op [geboortedatum] in [plaats],
hierna te noemen [de minderjarige 2].
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen de moeder,
wonende in [plaats],
[de vader],
hierna te noemen de vader,
wonende in [plaats].
1 Het verloop van de procedure
De kinderrechter neemt mee in de beoordeling:
- het schriftelijke verzoek van de GI met bijlagen, ontvangen op 3 augustus 2026.
2 De feiten
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2].
[de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] wonen bij de moeder maar verblijven op dit moment bij de vader.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 31 januari 2025 [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] onder toezicht gesteld. Deze ondertoezichtstelling is daarna steeds verlengd, laatstelijk tot 31 januari 2027.
3 Het verzoek
De GI verzoekt een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] in een pleeggezin te verlenen voor de duur van vier weken en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. De GI verzoekt hierop te beslissen zonder de belanghebbenden te horen.
De GI verzoekt aansluitend een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] in een pleeggezin te verlenen voor de resterende duur van de ondertoezichtstelling.
4 De beoordeling
De kinderrechter heeft de volgende informatie ontvangen. De moeder heeft na de verlening van de ondertoezichtstelling de samenwerking met de GI beëindigd en is uit contact gegaan. Ook de begeleiding vanuit de Blijf groep en Wmo/MEE zijn door de moeder recentelijk stop gezet. Bij de GI zijn vanaf juni meerdere zorgelijke signalen binnen gekomen over de thuissituatie bij de moeder. Zo is de woning ernstig vervuild en lopen de kinderen rond met vieze volle luiers. Er zijn grote zorgen over de leefomstandigheden en de verzorgingssituatie van de kinderen.
Uit de meest recente Veilig Thuis melding, die Jeugdbescherming op 3 augustus 2026 heeft ontvangen, blijkt dat er op 28 juli 2026 een 112-melding is gedaan door de moeder. Hieruit komt naar voren dat er gedurende langere tijd een onbekende man in de woning van de moeder verblijft. Er is sprake geweest van een ernstig conflict tussen hen waarbij sprake zou zijn geweest van wurging van de moeder door deze man in het bijzijn van de kinderen.
Uit een mailbericht van de moeder van 3 augustus blijkt verder dat de moeder, in strijd met de opgemaakte veiligheidsafspraken, buiten de GI om contact heeft opgenomen met haar ex partner, de vader van de kinderen.
De GI constateert aldus dat de kinderen opgroeien in een instabiele en onvoorspelbare opvoedsituatie waarin sprake is van terugkerende onveiligheid, wisselende partnerrelaties, conflicten en onvoldoende samenwerking met hulpverlening. Hierdoor ontbreekt het aan structureel zicht op het welzijn, de ontwikkeling en de dagelijkse veiligheid van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2]. Op dit moment kan Jeugdbescherming de veiligheid van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] in de thuissituatie onvoldoende waarborgen.
Ten tijde van het opstellen van een verzoek van de GI tot uithuisplaatsing van de kinderen, te weten op 3 augustus om 14.30 uur, heeft zich
een nieuwe ontwikkeling voorgedaan. De vader van de kinderen heeft de GI die dag telefonisch geïnformeerd dat de moeder de kinderen de avond ervoor, op
2 augustus 2026 omstreeks 23.00 uur, onverwacht bij hem heeft achtergelaten. Volgens de vader had hij de kinderen sinds december 2025 niet meer gezien.
De moeder heeft de kinderen bij hem afgeleverd met slechts een beperkt aantal luiers, wat voeding en een kinderwagen maar zonder kleding en andere noodzakelijke spullen.De moeder heeft geen duidelijke afspraken gemaakt over de duur van het verblijf van de kinderen bij de vader. Zij heeft alleen aangegeven dat zij gedurende twee weken weg zou zijn.
Daargelaten dat de vader de kinderen een half jaar niet heeft gezien vertrekt hij op 7 augustus voor een geplande vakantie naar Duitsland en Denemarken en kunnen zij dan dus niet langer bij hem verblijven. De moeder heeft de vader desgevraagd aangegeven dit later met hem te zullen bespreken en gaf verder geen duidelijkheid. De GI heeft de moeder hier verder niet over kunnen spreken.
Op basis van deze informatie is de kinderrechter van oordeel dat het noodzakelijk is in het belang van onderzoek van hun geestelijke toestand en onderzoek van hun lichamelijke toestand dat [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] met spoed uit huis worden geplaatst.[_aa3122d8-cc0f-4ad8-91ce-a6952e025ea8]
De kinderrechter is ook van oordeel dat een zitting niet kan worden afgewacht zonder onmiddellijk en ernstig gevaar voor [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2]. Daarom machtigt de kinderrechter de GI om [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] per direct uit huis te plaatsen voor de duur van vier weken.
De kinderrechter verklaart de beslissing om de machtiging tot uithuisplaatsing af te geven uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
De GI en de belanghebbenden worden in de gelegenheid gesteld hun mening te geven. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.
5 De beslissing
De kinderrechter:
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] in een pleeggezin met ingang van 3 augustus 2026 tot 31 augustus 2026;
verklaart de beslissing onder 5.1. uitvoerbaar bij voorraad
houdt de behandeling van het verzoek voor het overige aan;
roept de GI, de vader en de moeder op voor de zitting van mr. C. Maat op [datum] in het gerechtsgebouw van deze rechtbank aan Kruseman van Eltenweg 2 in Alkmaar;
bepaalt dat deze beschikking geldt als oproep voor de zitting.
| Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 3 augustus 2026 door mr. N. Cuvelier, kinderrechter, in aanwezigheid van L. de Greef als griffier, en op schrift gesteld op 4 augustus 2026. |
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Amsterdam. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
- degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.