Uitspraak · Verbintenissenrecht
Rechtbank Noord-Holland, 29 juli 2026
ECLI:NL:RBNHO:2026:9754Zaaknummer K/4102/12012795
- Instantie
- Rechtbank Noord-Holland
- Datum uitspraak
- 29 juli 2026
- Publicatiedatum
- 10 augustus 2026
- Zaaknummer
- K/4102/12012795
- Rechtsgebied
- Civiel recht, Verbintenissenrecht
- Procedure
- Bodemzaak
- Zittingsplaats
- Haarlem
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Boete wegens het inrijden van een Lage Emissie Zone met een voertuig dat daartoe niet geschikt is.
4 De beslissing
De kantonrechter
veroordeelt [gedaagde] om aan de Stad Antwerpen te betalen een bedrag van € 200,00,
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 363,28, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
wijst het meer of anders gevorderde af;
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
| Dit vonnis is gewezen door mr. S.N. Schipper en in het openbaar uitgesproken op 29 juli 2026. |
| De griffier De kantonrechter |
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Haarlem
Zaaknummer: 12012795 \ CV EXPL 25-8442
Vonnis van 29 juli 2026
in de zaak van
de buitenlandse publiekrechtelijke rechtspersoon DE STAD ANTWERPEN,
te Antwerpen (België),
eisende partij,
hierna te noemen: de Stad Antwerpen,
gemachtigde: Modero Nederland B.V.,
tegen
[gedaagde],
te [plaats],
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde],
procederend in persoon.
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding;- de conclusie van antwoord;- de conclusie van repliek;- de conclusie van dupliek.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2 Het geschil
De Stad Antwerpen vordert - samengevat - veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 228,60, vermeerderd met de proceskosten.
De Stad Antwerpen legt aan de vordering ten grondslag dat (een motorvoertuig van) [gedaagde] op 26 december 2021 in een Lage Emissiezone (LEZ) is geconstateerd, terwijl het voertuig niet aan de geldende emissienormen voldeed. [gedaagde] was ook niet in het bezit van een LEZ-dagpas. De Stad Antwerpen heeft [gedaagde] vanwege bovengenoemde overtreding op grond van artikel 7.2 paragraaf 1 van het Gemeentelijk Reglement een administratieve boete van € 150,- opgelegd en dit kenbaar gemaakt aan [gedaagde] door middel van een brief. [gedaagde] heeft de boete niet betaald en geen gebruik gemaakt van de daarvoor openstaande bezwaarprocedure. De Stad Antwerpen heeft twee herinneringsbrieven aan [gedaagde] gestuurd, maar betaling is uitgebleven. [gedaagde] heeft de boete niet tijdig voldaan en de Stad Antwerpen vordert daarom betaling van € 200,-, bestaande uit de openstaande boete ad € 150,- en bijkomende administratie- en invorderingskosten van respectievelijk € 20,- en € 30,- op basis van het Retributiereglement. Daarnaast vordert de Stad Antwerpen € 22,70 aan kosten voor de ingebrekestelling.
[gedaagde] voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijkheid van de Stad Antwerpen, dan wel tot afwijzing van de vorderingen van de Stad Antwerpen, met veroordeling van de Stad Antwerpen in de kosten van deze procedure.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
3 De beoordeling
Rechtsmacht
Omdat [gedaagde] in Nederland woont en de stad Antwerpen in België is gevestigd, heeft deze zaak een internationaal karakter. Daarom moet eerst ambtshalve worden beoordeeld of de Nederlandse rechter bevoegd is om van deze zaak kennis te nemen.
Artikel 2.3 van het Gemeentelijk Reglement bepaalt dat motorvoertuigen die niet tot de Lage Emissiezone zijn toegelaten als bedoeld in de artikelen 2.1 en 2.2 van het Gemeentelijk Reglement, onderworpen zijn aan de sancties van hoofdstuk 7 daarvan in het geval van een overtreding. Artikel 7.2 paragraaf 1 van het Gemeentelijk Reglement bepaalt dat een overtreding, begaan vanaf 1 januari 2018, wordt bestraft met een administratieve boete van € 150,- voor de eerste overtreding. Een dergelijke sanctie moet worden gekwalificeerd als een verbintenis die voortvloeit uit de wet.
Het voorgaande betekent dat de ‘Brussel I-bis Verordening’ niet van toepassing is, omdat geen sprake is van een burgerlijke of handelszaak in de zin van artikel 1 lid 1 van deze verordening, maar van een administratieve sanctie. Nu geen verdragen of verordeningen van toepassing zijn en [gedaagde], als gedaagde, zijn woonplaats in Nederland heeft, is de kantonrechter op grond van artikel 2 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering internationaal bevoegd.
Toepasselijk recht
Voor de vaststelling van het op de onderliggende rechtsverhouding toepasselijke recht kan in beginsel niet worden teruggevallen op de ‘Rome II-Verordening’, omdat artikel 1 lid 1 van de Rome II-Verordening administratiefrechtelijke zaken uitsluit van haar toepassingsbereik. Nu geen andere verdragen of verordeningen van toepassing zijn aan de hand waarvan het toepasselijke recht kan worden vastgesteld, moet de kantonrechter terugvallen op de bepalingen van nationaal recht. Artikel 10:159 van het Burgerlijk Wetboek bepaalt dat geschillen zoals de onderhavige toch onder de werkingssfeer van de Rome II-Verordening vallen, ook al zou dit niet het geval zijn volgens de Rome II-Verordening zelf. Dit betekent dat de kantonrechter het in deze toepasselijke recht alsnog dient vast te stellen aan de hand van deze verordening.
Op grond van de Rome II-Verordening moet aansluiting worden gezocht bij de plaats waar de door een eisende partij gestelde feiten, op grond waarvan zij de boete heeft opgelegd, zich hebben voorgedaan. Dat is in dit geval België (Antwerpen). Daarnaast komt de vordering van de Stad Antwerpen voort uit een verbintenis die uitsluitend in België kan ontstaan. Verder is gesteld noch gebleken dat uit het geheel van omstandigheden volgt dat de rechtsverhouding tussen partijen nauwer verbonden is met een ander land dan België. Op basis hiervan is de kantonrechter van oordeel dat Belgisch recht van toepassing is op het onderhavige geschil.
Verschuldigdheid van de geldboete
[gedaagde] is volgens de stad Antwerpen op grond van artikel 7.2 paragraaf 1 Gemeentelijk Reglement een boete van € 150,- verschuldigd voor de in overweging 2.2. van dit vonnis bedoelde overtreding. Ondanks de herinneringsbrieven van 14 april 2022 en 5 september 2022 en de verhoging van de boete met € 50,- wegens bijkomende administratie- en invorderingskosten op grond van het Retributiereglement, is betaling door [gedaagde] uitgebleven. De totale vordering bedraagt daardoor op dit moment € 200,00.
[gedaagde] betwist dat hij de boete (en de daarop volgende aanmaningen) heeft ontvangen. Daardoor heeft hij de feitelijke situatie ter plaatse (waaronder de zichtbaarheid van de bebording) niet kunnen controleren en geen bezwaar kunnen maken.
De kantonrechter overweegt als volgt. De stad Antwerpen heeft de overgelegde aanmaningen verstuurd naar het huidige woonadres van [gedaagde]. Dat is hetzelfde adres waarop dagvaarding in de onderhavige procedure is betekend. De kantonrechter is van oordeel dat de stad Antwerpen in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs mocht aannemen dat [gedaagde] op zijn woonadres kon worden bereikt en dat de aanmaningen daar zijn aangekomen. Dit geldt te meer nu de Stad Antwerpen een verzendbewijs in het geding heeft gebracht. De omstandigheid dat de aangetekende zending nu (jaren later) niet meer traceerbaar is in het postsysteem, doet daar niets aan af. De conclusie is dan ook dat de boete correct en rechtsgeldig is opgelegd en dat [gedaagde] tijdig en op juiste wijze in kennis is gesteld van zowel de boete als de gevolgen van niet-betaling.
In het LEZ-decreet is bepaald dat een rechtsvordering tot voldoening van een administratieve geldboete verjaart door een verloop van vijf jaren, te rekenen vanaf de dag waarop zij is ontstaan. Dat betekent dat de dagvaarding binnen de wettelijke termijn (namelijk vóór 26 december 2026) is ingesteld. Het verjaringsverweer faalt.
De conclusie is dat [gedaagde] de boete aan de stad Antwerpen moet betalen.
De vordering van de Stad Antwerpen tot vergoeding van de bijkomende kosten betreft een administratieve verhoging op grond van de artikelen 3 en 4 van het Retributiereglement. Deze verhoging wijst de kantonrechter eveneens toe. Aan de voorwaarde op grond waarvan deze verhoging niet verschuldigd zou zijn, te weten een tijdige betaling, is door [gedaagde] niet voldaan. Dat het niet mogelijk was om tijdig te voldoen aan de sommatie is niet gebleken.
Het invorderingsereloon wordt afgewezen, omdat de stad Antwerpen dit deel van vordering onvoldoende heeft onderbouwd. Zij heeft niet (voldoende) toegelicht hoe zij tot het gevorderde bedrag van € 28,60 is gekomen.
[gedaagde] is (grotendeels) in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van de Stad Antwerpen worden begroot op:
| - kosten van de dagvaarding | € | 120,78 | |
| - griffierecht | € | 135,00 | |
| - salaris gemachtigde | € | 86,00 | (2 punten × € 43,00) |
| - nakosten | € | 21,50 | (plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing) |
| Totaal | € | 363,28 |
4 De beslissing
De kantonrechter
veroordeelt [gedaagde] om aan de Stad Antwerpen te betalen een bedrag van € 200,00,
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 363,28, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
wijst het meer of anders gevorderde af;
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
| Dit vonnis is gewezen door mr. S.N. Schipper en in het openbaar uitgesproken op 29 juli 2026. |
| De griffier De kantonrechter |
Wetsartikelen in deze uitspraak
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.