Uitspraak · Verbintenissenrecht
Rechtbank Noord-Holland, 15 juli 2026
ECLI:NL:RBNHO:2026:8986Zaaknummer 11731581 \ CV EXPL 25-2112
- Instantie
- Rechtbank Noord-Holland
- Datum uitspraak
- 15 juli 2026
- Publicatiedatum
- 28 juli 2026
- Zaaknummer
- 11731581 \ CV EXPL 25-2112
- Rechtsgebied
- Civiel recht, Verbintenissenrecht
- Procedure
- Verstek
- Zittingsplaats
- Alkmaar
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Ambtshalve toetsing. Verstek. Eindvonnis na akte. Combinatie van bedingen die ontbindingsmogelijkheid geven in de algemene voorwaarden niet oneerlijk. Vernietiging incassokostenbeding vanwege oneerlijkheid.
3 De beslissing
De kantonrechter:
veroordeelt de gedaagde partij tot betaling aan de eisende partij van € 2.783,58, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 2.664,96 vanaf 27 mei 2025 tot aan de dag van de gehele betaling;
veroordeelt de gedaagde partij tot betaling van de proceskosten, die de kantonrechter aan de kant van de eisende partij tot en met vandaag vaststelt op:
dagvaarding € 120,78;
griffierecht € 514,00;
salaris gemachtigde € 253,00;
verklaart de veroordeling(en) in dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
wijst de vordering voor het overige af.
Dit vonnis is gewezen door mr. W.S.J. Thijs en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.
De griffier De kantonrechter
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Handel, Kanton en Bewind
locatie Alkmaar
Zaaknr./rolnr.: 11731581 \ CV EXPL 25-2112
Uitspraakdatum: 15 juli 2026
Verstekvonnis van de kantonrechter in de zaak van:
Axus Nederland N.V., h.o.d.n. Ayvens Nederland voorheen genaamd LeasePlan Nederland N.V.
te Amsterdam
de eisende partij
gemachtigde: mr. F. de Meijer
tegen
[gedaagde]
te [plaats]
de gedaagde partij
niet verschenen
1 De verdere procedure
In het tussenvonnis heeft de eisende partij de gelegenheid gekregen om te reageren op het voorlopige oordeel van de kantonrechter over de oneerlijkheid van een aantal bedingen. De eisende partij heeft gereageerd door middel van een akte.
2 De verdere beoordeling
Ambtshalve toetsing van de algemene voorwaarden
De eisende partij stelt zich op het standpunt dat artikel 22 van de algemene voorwaarden niet oneerlijk is omdat deze bepaling niet los kan worden gelezen van artikel 31 van de overeenkomst. Dat laatste beding luidt, voor zover relevant, als volgt:
‘Wij kunnen de lease eerder stoppen dan in de overeenkomst staat. Wij mogen dit in de volgende situaties doen: 1. U houdt zich niet aan de afspraken. Dan nemen wij schriftelijk contact met u op. Houdt u zich daarna nog steeds niet aan de afspraken? En is dat zo ernstig dat wij de overeenkomst mogen stoppen? Dan mogen wij de lease binnen veertien dagen na het schriftelijke contact stoppen.’
Uit dit beding blijkt volgens de eisende partij dat zij de overeenkomst alleen mag ontbinden als de tekortkoming ernstig genoeg is. Daarmee wordt artikel 22 van de algemene voorwaarden aangescherpt en de eventuele oneerlijkheid daarvan weggenomen.
De kantonrechter volgt de eisende partij in dit betoog. In artikel 31 van de overeenkomst wordt immers gedeeltelijk afgeweken van artikel 22 van de algemene voorwaarden, in die zin dat daarin, in iets andere bewoordingen, is opgenomen dat de eisende partij alleen tot ontbinding mag overgaan als de tekortkoming de ontbinding ook rechtvaardigt. Dit ontneemt de oneerlijkheid aan de op zichzelf te ruim geformuleerde ontbindingsmogelijkheid van artikel 22 van de algemene voorwaarden. De combinatie van deze bedingen is dan ook niet oneerlijk en deze zullen in zoverre ook in stand worden gelaten.
Over het incassokostenbeding in artikel 7 van de overeenkomst stelt de eisende partij dat dit niet oneerlijk is omdat deze bepaling, wat de incassokosten betreft, wordt uitgewerkt in artikel 14, onder f van de overeenkomst. Dit betoog slaagt niet omdat in dit laatste beding evenmin is opgenomen dat een veertiendagenbrief moet worden gestuurd voordat incassokosten in rekening kunnen worden gebracht.
Daarnaast stelt de eisende partij zich op het standpunt dat artikel 7 van de overeenkomst niet oneerlijk is omdat in de algemene voorwaarden een incassokostenbeding is opgenomen waarin wel expliciet is opgenomen dat eerst een veertiendagenbrief moet worden gestuurd. Dit betoog slaagt evenmin. In artikel 7 van de overeenkomst is namelijk geen verwijzing opgenomen naar het (op zich niet oneerlijke) incassokostenbeding in de algemene voorwaarden. Daarmee blijft het op basis daarvan mogelijk om zonder veertiendagenbrief incassokosten in rekening te brengen, hetgeen ten nadele van de consument afwijkt van de wettelijke regeling.
Dat de eisende partij, zoals zij stelt, nooit uitvoering heeft gegeven aan het beding, doet aan het voorgaande niet af. Of de eisende partij de consument ook daadwerkelijk aan de bedongen afspraken houdt of in de praktijk alleen naleving van wettelijke bepalingen verlangt, is namelijk voor de beoordeling van de (on)eerlijkheid van algemene voorwaarden niet relevant. Het beding moet immers worden beoordeeld naar het moment waarop de overeenkomst is aangegaan en beslissend is daarom niet of en hoe de handelaar het beding heeft toegepast, maar hoe het zou kunnen worden toegepast.
Al met al ziet de kantonrechter geen reden om anders over artikel 7 van de overeenkomst te oordelen dan in het tussenvonnis overwogen en vernietigt daarom dit beding, voor zover dit de buitengerechtelijke incassokosten betreft. De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten zal daarom worden afgewezen.
Wat is toewijsbaar?
Gelet op het voorgaande zal de vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten worden afgewezen. De vordering wordt voor het overige toegewezen omdat deze de kantonrechter niet onrechtmatig of ongegrond voorkomt.
De gedaagde partij wordt (overwegend) in het ongelijk gesteld en zal daarom in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten voor het opstellen van de akte komen echter voor rekening van de eisende partij omdat het aan haarzelf te wijten is dat het nodig was om deze kosten te maken.
3 De beslissing
De kantonrechter:
veroordeelt de gedaagde partij tot betaling aan de eisende partij van € 2.783,58, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 2.664,96 vanaf 27 mei 2025 tot aan de dag van de gehele betaling;
veroordeelt de gedaagde partij tot betaling van de proceskosten, die de kantonrechter aan de kant van de eisende partij tot en met vandaag vaststelt op:
dagvaarding € 120,78;
griffierecht € 514,00;
salaris gemachtigde € 253,00;
verklaart de veroordeling(en) in dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
wijst de vordering voor het overige af.
Dit vonnis is gewezen door mr. W.S.J. Thijs en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.
De griffier De kantonrechter
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.