Uitspraak · Bestuursrecht

Rechtbank Noord-Holland, 3 juli 2026

ECLI:NL:RBNHO:2026:8429Zaaknummer HAA 24/7901

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
3 juli 2026
Publicatiedatum
10 juli 2026
Zaaknummer
HAA 24/7901
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig, Mondelinge uitspraak
Zittingsplaats
Haarlem
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Beroep tegen de uitschrijving van de dochters van eiser uit de basisregistratie personen. Het beroep is niet-ontvankelijk verklaard wegens een niet verschoonbare termijnoverschrijding. Eiser betwist de ontvangst van de beslissing op bezwaar. Deze is per mail en per aangetekende brief toegezonden aan de gemachtigde van eiser. De mail bevat een bijlage met de track-and-tracecode. Er is een afhaalbericht bij de gemachtigde van eiser achtergelaten omdat deze niet aanwezig was. De brief is later teruggestuurd omdat deze niet is afgehaald. Het is de verantwoordelijkheid van de geadresseerde om een poststuk af te halen. Eiser had ook per mail kennis kunnen nemen van de beslissing op bezwaar. De door eiser ingediende ingebrekestelling is onvoldoende om te twijfelen aan de verzending van de beslissing op bezwaar. Eiser heeft verder geen argumenten aangevoerd waarom de overschrijding van de beroepstermijn niet aan hem kan worden toegerekend. Eiser heeft geen recht op een vergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn van artikel 6 EVRM. Er doet zich een bijzondere omstandigheid voor waardoor de termijn van twee jaar voor de fases van bezwaar en beroep kan worden verlengd. Eiser heeft zelf voor vertraging gezorgd door niet verschoonbaar te laat beroep in te stellen. Deze vertraging wordt meegenomen. De redelijke termijn wordt niet overschreden.

De rechtbank:

- verklaart het beroep niet-ontvankelijk;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Gronden van de beslissing

1. Voor het indienen van een beroepschrift geldt op grond van de Algemene wet bestuursrecht een termijn van zes weken. Deze termijn begint op de dag na de dag waarop het bestreden besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. Dat is in deze zaak de dag na de dag waarop het bestreden besluit aan eiser is toegezonden. Een beroepschrift is op tijd ingediend wanneer het voor het einde van de termijn is ontvangen. Wanneer een beroepschrift te laat is ingediend, verklaart de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk, tenzij het niet tijdig indienen van het beroepschrift niet verwijtbaar is.

2. Het bestreden besluit dateert van 26 augustus 2024 en is op 27 augustus 2024 zowel per aangetekende brief als per e-mail aan de gemachtigde van eiser gezonden. De laatste dag voor het instellen van beroep was dus op 8 oktober 2024. Eiser heeft bijna twee maanden later, op 2 december 2024, beroep ingesteld. Eiser betwist dat zijn gemachtigde de aangetekende brief en de e-mail heeft ontvangen.

3. De e-mail is verzonden aan het mailadres van de gemachtigde van eiser. Uit deze mail blijkt dat de beslissing op bezwaar ook per aangetekende brief is verzonden. Een van de bijlagen bij de mail is namelijk een track-and-tracecode van de aangetekende zending. Het college heeft toegelicht dat een afhaalbericht bij de gemachtigde van eiser is achtergelaten, omdat hij bij het aanbieden van de brief niet aanwezig bleek te zijn, en dat de brief later wegens niet afhalen is teruggestuurd. Het is de verantwoordelijkheid van de geadresseerde om een poststuk af te halen. Los hiervan heeft de gemachtigde van eiser ook per e-mail van de beslissing op bezwaar kennis kunnen nemen. De door eiser op 12 november 2024 ingediende ingebrekestelling omdat volgens eiser toen nog geen besluit op bezwaar zou zijn toegezonden, geeft geen aanleiding om de verzending op 27 augustus 2024 te betwijfelen. Het college heeft deze ingebrekestelling bovendien afgewezen, zoals eiser ter zitting heeft erkend. Eiser heeft verder geen argumenten aangevoerd waarom het te laat indienen van het beroepschrift hem niet kan worden aangerekend. Het beroep is daarom niet-ontvankelijk.

4. Bij de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden geldt dat in beginsel geen sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn indien de fases van bezwaar en beroep gezamenlijk niet langer dan twee jaar hebben geduurd. In bijzondere omstandigheden kan de termijn worden verlengd. In deze zaak doet zich een bijzondere omstandigheid voor. Eiser heeft immers zelf voor vertraging gezorgd door 55 dagen, niet verschoonbaar, te laat beroep in te stellen. Deze 55 dagen moeten bij de termijn van twee jaar worden opgeteld. De termijn ving aan met de ontvangst van het bezwaar door het college op 21 mei 2024. Met de uitspraak van heden wordt de termijn van twee jaar en 55 dagen niet overschreden. Het verzoek om schadevergoeding wordt daarom afgewezen.

5. Omdat het beroep niet-ontvankelijk is, wordt de ambtshalve wijziging van het adres van de dochters van eiser niet inhoudelijk behandeld. Om dezelfde reden krijgt eiser het griffierecht niet terug. Wegens de niet-ontvankelijkheid van het beroep en de afwijzing van het verzoek om schadevergoeding krijgt hij ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

6. Partijen zijn bij de mondelinge uitspraak gewezen op de mogelijkheid om daartegen in hoger beroep te gaan op de hieronder omschreven wijze.

Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 3 juli 2026 door mr. drs. J. de Vries, rechter, in aanwezigheid van mr. I.W. Neleman, griffier.

griffierrechter

Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. [eiser] , uit Badhoevedorp, eiser
  2. Inleiding
  3. Beslissing
  4. Gronden van de beslissing
  5. Informatie over hoger beroep

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 24/7901

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 juli 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit Badhoevedorp, eiser

(gemachtigde A. van Velsen),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Haarlemmermeer

(gemachtigden: mr. E.J.P. Huijbregts en mr. R.E. Laman).

Inleiding

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de ontvankelijkheid van het beroep van eiser met betrekking tot de uitschrijving van twee dochters van eiser uit de basisregistratie personen wegens vertrek naar Rusland.

Bij besluit van 8 april 2024 heeft het college deze uitschrijving ambtshalve verricht. Met het in beroep bestreden besluit van 26 augustus 2024 op het bezwaar van eiser is het college bij dat besluit gebleven.

De rechtbank heeft eiser schriftelijk verzocht om toe te lichten waarom hij zijn beroepschrift na afloop van de beroepstermijn heeft ingediend. Eiser heeft hierop een schriftelijke reactie aan de rechtbank gestuurd.

Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Eiser heeft daarna nadere stukken ingediend en daarbij verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn voor een uitspraak.

De rechtbank heeft het beroep op 3 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigden van het college, vergezeld door stagiair [naam].

Na afloop van de zitting heeft de rechtbank onmiddellijk mondeling uitspraak gedaan.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep niet-ontvankelijk;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Gronden van de beslissing

1. Voor het indienen van een beroepschrift geldt op grond van de Algemene wet bestuursrecht een termijn van zes weken. Deze termijn begint op de dag na de dag waarop het bestreden besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. Dat is in deze zaak de dag na de dag waarop het bestreden besluit aan eiser is toegezonden. Een beroepschrift is op tijd ingediend wanneer het voor het einde van de termijn is ontvangen. Wanneer een beroepschrift te laat is ingediend, verklaart de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk, tenzij het niet tijdig indienen van het beroepschrift niet verwijtbaar is.

2. Het bestreden besluit dateert van 26 augustus 2024 en is op 27 augustus 2024 zowel per aangetekende brief als per e-mail aan de gemachtigde van eiser gezonden. De laatste dag voor het instellen van beroep was dus op 8 oktober 2024. Eiser heeft bijna twee maanden later, op 2 december 2024, beroep ingesteld. Eiser betwist dat zijn gemachtigde de aangetekende brief en de e-mail heeft ontvangen.

3. De e-mail is verzonden aan het mailadres van de gemachtigde van eiser. Uit deze mail blijkt dat de beslissing op bezwaar ook per aangetekende brief is verzonden. Een van de bijlagen bij de mail is namelijk een track-and-tracecode van de aangetekende zending. Het college heeft toegelicht dat een afhaalbericht bij de gemachtigde van eiser is achtergelaten, omdat hij bij het aanbieden van de brief niet aanwezig bleek te zijn, en dat de brief later wegens niet afhalen is teruggestuurd. Het is de verantwoordelijkheid van de geadresseerde om een poststuk af te halen. Los hiervan heeft de gemachtigde van eiser ook per e-mail van de beslissing op bezwaar kennis kunnen nemen. De door eiser op 12 november 2024 ingediende ingebrekestelling omdat volgens eiser toen nog geen besluit op bezwaar zou zijn toegezonden, geeft geen aanleiding om de verzending op 27 augustus 2024 te betwijfelen. Het college heeft deze ingebrekestelling bovendien afgewezen, zoals eiser ter zitting heeft erkend. Eiser heeft verder geen argumenten aangevoerd waarom het te laat indienen van het beroepschrift hem niet kan worden aangerekend. Het beroep is daarom niet-ontvankelijk.

4. Bij de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden geldt dat in beginsel geen sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn indien de fases van bezwaar en beroep gezamenlijk niet langer dan twee jaar hebben geduurd. In bijzondere omstandigheden kan de termijn worden verlengd. In deze zaak doet zich een bijzondere omstandigheid voor. Eiser heeft immers zelf voor vertraging gezorgd door 55 dagen, niet verschoonbaar, te laat beroep in te stellen. Deze 55 dagen moeten bij de termijn van twee jaar worden opgeteld. De termijn ving aan met de ontvangst van het bezwaar door het college op 21 mei 2024. Met de uitspraak van heden wordt de termijn van twee jaar en 55 dagen niet overschreden. Het verzoek om schadevergoeding wordt daarom afgewezen.

5. Omdat het beroep niet-ontvankelijk is, wordt de ambtshalve wijziging van het adres van de dochters van eiser niet inhoudelijk behandeld. Om dezelfde reden krijgt eiser het griffierecht niet terug. Wegens de niet-ontvankelijkheid van het beroep en de afwijzing van het verzoek om schadevergoeding krijgt hij ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

6. Partijen zijn bij de mondelinge uitspraak gewezen op de mogelijkheid om daartegen in hoger beroep te gaan op de hieronder omschreven wijze.

Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 3 juli 2026 door mr. drs. J. de Vries, rechter, in aanwezigheid van mr. I.W. Neleman, griffier.

griffierrechter

Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.