Uitspraak · Omgevingsrecht
Rechtbank Noord-Holland, 11 juni 2026
ECLI:NL:RBNHO:2026:7682Zaaknummer HAA 26/2032
- Instantie
- Rechtbank Noord-Holland
- Datum uitspraak
- 11 juni 2026
- Publicatiedatum
- 30 juni 2026
- Zaaknummer
- HAA 26/2032
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht, Omgevingsrecht
- Procedure
- Voorlopige voorziening
- Zittingsplaats
- Haarlem
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Voorlopige voorziening. Omgevingsvergunning voor legaliseren buitentrap, het vergroten van een dakterras en het doorvoeren van inpandige wijzigingen in pand. Afwijzing verzoek wegens ontbreken spoedeisend belang. Verleende vergunning behelst geen wijziging van bestaand gebruik.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
2. De omgevingsvergunning heeft betrekking op het pand op het perceel met huisnummers [adres] en [nummer]. [adres] betreft de begane grond. Dit deel van het pand wordt gebruikt als horecagelegenheid, te weten een wijnbar. [adres] [nummer] betreft de etage daarboven. De etage zal volgens de derde-partij gebruikt worden als woning. De derde-partij heeft het college verzocht om een omgevingsvergunning voor de reeds aanwezige, maar nog niet eerder vergunde buitentrap en voor een (aangepast) dakterras (met hekwerk rondom) als toegang tot de buitentrap en daarmee tot het overpad vanaf de etage en voor verblijf aldaar. Daarnaast heeft de derde-partij vergunning gevraagd voor inpandige wijzigingen, deels ook ter legalisatie, op zowel de begane grond als de verdieping.
3. Met het besluit van 16 maart 2026 heeft het college een omgevingsvergunning verleend voor een omgevingsplanactiviteit als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Omgevingswet (Ow) en voor een technische bouwactiviteit als bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder a, Ow. De vergunde omgevingsplanactiviteit betreft de legalisatie van de reeds bestaande buitentrap en van het reeds gerealiseerde, maar nog enigszins aan te passen dakterras, in die zin dat de afmeting daarvan maximaal 9 m2 mag zijn. De vergunning betreft ook de toestemming om het dakterras rondom te voorzien van een deels transparant hekwerk van een meter hoog. De vergunde technische bouwactiviteit betreft (uitsluitend) de inpandige verbouwing. Voor de buitentrap en het terras is volgens het college geen vergunning voor een technische bouwactiviteit vereist.
4. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) alleen een voorlopige voorziening als “onverwijlde spoed” dat vereist.
5. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter hebben verzoekers geen spoedeisend belang bij de door hen gevraagde voorlopige voorziening, die uitsluitend zou moeten zien op de buitentrap en het dakterras, te weten een schorsing van de verleende omgevingsvergunning tot op de daartegen gemaakte bezwaren is beslist.
6. Daartoe is redengevend dat de voorzieningenrechter na lezing van de vergunningaanvraag en het bestreden besluit heeft geconstateerd, hetgeen ter zitting door het college en derde-partij ook is bevestigd, dat de verleende vergunning geen wijziging behelst van het ter plaatse bestaande gebruik, te weten horeca op de begane grond en wonen op de eerste verdieping. Met de verleende vergunning is het door verzoekers gevreesde gebruik van de steeg en het dakterras ten behoeve van horeca dan ook niet vergund. De steeg maakt geen onderdeel uit van de verleende vergunning, maar biedt – middels een daarop rustende erfdienstbaarheid van overpad – toegang tot de achter [adres] gelegen woning op het adres [adres] [letter] en ook tot de trap die leidt naar de woning op de etage aan de Hoofdstaat [nummer].
7. Daar komt bij dat de trap en het dakterras reeds aanwezig zijn en met de verleende vergunning alleen worden gelegaliseerd (met dien verstande dat het dakterras kleiner wordt dan in de bestaande situatie het geval is en het dakterras rondom mag worden voorzien van een hekwerk van een meter hoog). De gevraagde schorsing van de verleende vergunning brengt in de bestaande situatie daarom in feite geen verandering, zodat verzoekers daarom bij de gevraagde voorziening niet kunnen zijn gebaat.
8. Omdat het spoedeisend belang bij de gevraagde voorlopige voorziening ontbreekt, wijst de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening af.
9. Ter voorlichting van verzoekers deelt de voorzieningenrechter nog mee, dat de afwijzing van de voorziening nog onverlet laat dat het college wel nog op hun bezwaren zal moeten beslissen.
10. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 11 juni 2026 door mr. R.H.M. Bruin, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. P.C. van der Vlugt, griffier.
| griffier | voorzieningenrechter |
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 26/2032
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van 11 juni 2026 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen
[verzoeker] en [verzoekster], uit Santpoort-Noord, verzoekers
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Velsen
gemachtigde: mr. R.A.J. de Jong, ambtenaar in dienst van de gemeente.
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: de besloten vennootschap Van Sprang & Tempo B.V. uit Santpoort-Noord.
Inleiding
In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekers hangende hun bezwaar tegen de omgevingsvergunning die ziet op het legaliseren van een buitentrap, het vergroten van een dakterras en het doorvoeren van inpandige wijzigingen in het pand aan de [adres] en [nummer] in Santpoort-Noord.
Het college heeft de omgevingsvergunning verleend aan de derde-partij bij besluit van 16 maart 2026. Verzoekers hebben hiertegen bezwaar gemaakt.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 11 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekers, de gemachtigde van het college en [naam], bestuurder en aandeelhouder van de derde-partij.
Na afloop van de zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak gedaan.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
2. De omgevingsvergunning heeft betrekking op het pand op het perceel met huisnummers [adres] en [nummer]. [adres] betreft de begane grond. Dit deel van het pand wordt gebruikt als horecagelegenheid, te weten een wijnbar. [adres] [nummer] betreft de etage daarboven. De etage zal volgens de derde-partij gebruikt worden als woning. De derde-partij heeft het college verzocht om een omgevingsvergunning voor de reeds aanwezige, maar nog niet eerder vergunde buitentrap en voor een (aangepast) dakterras (met hekwerk rondom) als toegang tot de buitentrap en daarmee tot het overpad vanaf de etage en voor verblijf aldaar. Daarnaast heeft de derde-partij vergunning gevraagd voor inpandige wijzigingen, deels ook ter legalisatie, op zowel de begane grond als de verdieping.
3. Met het besluit van 16 maart 2026 heeft het college een omgevingsvergunning verleend voor een omgevingsplanactiviteit als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Omgevingswet (Ow) en voor een technische bouwactiviteit als bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder a, Ow. De vergunde omgevingsplanactiviteit betreft de legalisatie van de reeds bestaande buitentrap en van het reeds gerealiseerde, maar nog enigszins aan te passen dakterras, in die zin dat de afmeting daarvan maximaal 9 m2 mag zijn. De vergunning betreft ook de toestemming om het dakterras rondom te voorzien van een deels transparant hekwerk van een meter hoog. De vergunde technische bouwactiviteit betreft (uitsluitend) de inpandige verbouwing. Voor de buitentrap en het terras is volgens het college geen vergunning voor een technische bouwactiviteit vereist.
4. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) alleen een voorlopige voorziening als “onverwijlde spoed” dat vereist.
5. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter hebben verzoekers geen spoedeisend belang bij de door hen gevraagde voorlopige voorziening, die uitsluitend zou moeten zien op de buitentrap en het dakterras, te weten een schorsing van de verleende omgevingsvergunning tot op de daartegen gemaakte bezwaren is beslist.
6. Daartoe is redengevend dat de voorzieningenrechter na lezing van de vergunningaanvraag en het bestreden besluit heeft geconstateerd, hetgeen ter zitting door het college en derde-partij ook is bevestigd, dat de verleende vergunning geen wijziging behelst van het ter plaatse bestaande gebruik, te weten horeca op de begane grond en wonen op de eerste verdieping. Met de verleende vergunning is het door verzoekers gevreesde gebruik van de steeg en het dakterras ten behoeve van horeca dan ook niet vergund. De steeg maakt geen onderdeel uit van de verleende vergunning, maar biedt – middels een daarop rustende erfdienstbaarheid van overpad – toegang tot de achter [adres] gelegen woning op het adres [adres] [letter] en ook tot de trap die leidt naar de woning op de etage aan de Hoofdstaat [nummer].
7. Daar komt bij dat de trap en het dakterras reeds aanwezig zijn en met de verleende vergunning alleen worden gelegaliseerd (met dien verstande dat het dakterras kleiner wordt dan in de bestaande situatie het geval is en het dakterras rondom mag worden voorzien van een hekwerk van een meter hoog). De gevraagde schorsing van de verleende vergunning brengt in de bestaande situatie daarom in feite geen verandering, zodat verzoekers daarom bij de gevraagde voorziening niet kunnen zijn gebaat.
8. Omdat het spoedeisend belang bij de gevraagde voorlopige voorziening ontbreekt, wijst de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening af.
9. Ter voorlichting van verzoekers deelt de voorzieningenrechter nog mee, dat de afwijzing van de voorziening nog onverlet laat dat het college wel nog op hun bezwaren zal moeten beslissen.
10. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 11 juni 2026 door mr. R.H.M. Bruin, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. P.C. van der Vlugt, griffier.
| griffier | voorzieningenrechter |
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.