Uitspraak · Personen- en familierecht

Rechtbank Noord-Holland, 18 juni 2026

ECLI:NL:RBNHO:2026:7557Zaaknummer C/15/376477

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
18 juni 2026
Publicatiedatum
5 augustus 2026
Zaaknummer
C/15/376477
Rechtsgebied
Civiel recht, Personen- en familierecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats
Haarlem
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

De kinderen hebben verzocht om beëindiging van de machtiging tot uithuisplaatsing. Omdat de machtiging al is verlopen en niet is verlengd, verklaart de kinderrechter de kinderen niet-ontvankelijk in hun verzoeken vanwege een gebrek aan belang.

5 De beslissing

De kinderrechter:

C/15/376477 / JU RK 26-537

5.1.

verklaart [de minderjarige 1] niet-ontvankelijk in haar verzoek;

C/15/376479 / JU RK 26-538

5.2.

verklaart [de minderjarige 2] niet-ontvankelijk in zijn verzoek.

Deze beschikking is gegeven door mr. S. Ok, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 18 juni 2026, in aanwezigheid van mr. E.E. ten Kate als griffier.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Amsterdam. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. 1 Het verloop van de procedure
  2. 2 De feiten
  3. 3 De verzoeken
  4. 4 De beoordeling
  5. 5 De beslissing

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Familie- en Jeugdrecht

Locatie Haarlem

Zaaknummers: C/15/376477 / JU RK 26-537 & C/15/376479 / JU RK 26-538

Datum uitspraak: 18 juni 2026

Beschikking van de kinderrechter over een beëindiging machtiging tot uithuisplaatsing

in de zaken van

[de minderjarige 1],

wonende in [plaats],

hierna te noemen: [de minderjarige 1]

en

[de minderjarige 2],

hierna te noemen: [de minderjarige 2],

wonende in [plaats],

over

[de minderjarige 1] en [de minderjarige 2].

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[de moeder],

hierna te noemen: de moeder,

wonende in [plaats],

[de vader],

hierna te noemen: de vader,

wonende in [plaats],

hierna gezamenlijk ook te noemen: de ouders,

advocaat van de ouders: mr. F. Pool, kantoorhoudende te Rotterdam,

de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering,

hierna te noemen: de GI,

gevestigd te Amsterdam.

1 Het verloop van de procedure

1.1.

De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:

  • het verzoek van [de minderjarige 1] van 31 maart 2026 en de brief van [de minderjarige 1] van 6 mei 2026;
  • het verzoek van [de minderjarige 2] van 31 maart 2026 en de brief van [de minderjarige 2] van 6 mei 2026.
1.2.

De verzoeken van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] zijn gelijktijdig met het verzoek van de GI met zaaknummer C/15/377661 / JU RK 26-695 behandeld op de zitting met gesloten deuren op 5 juni 2026. Daarbij waren aanwezig:

  • de ouders, bijgestaan door de waarnemend advocaat mr. M. Krol;
  • [vertegenwoordiger van de GI] en [vertegenwoordiger van de GI], namens de GI;
  • [de huisarts], de huisarts van de ouders en de kinderen, aanwezig als informant;
  • [hulpverlener] hulpverleners van de ouders vanuit Trajectium, aanwezig als toehoorder.
1.3.

De kinderrechter heeft [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2], apart van elkaar, voorafgaand aan de zitting gesproken over hun verzoeken. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [de minderjarige 1] heeft verteld.

2 De feiten

2.1.

De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige 1].

2.2.

[de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] verblijven in het gezinshuis [gezinshuis] in [plaats].

2.3.

De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 6 maart 2025 [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] voorlopig onder toezicht gesteld tot 6 juni 2025. De kinderrechter heeft bij dezelfde beschikking voor de kinderen een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing in een (netwerk)pleeggezin verleend, welke machtiging bij beschikking van 12 maart 2025 is verlengd voor de duur van de voorlopige ondertoezichtstelling.

2.4.

De kinderrechter in deze rechtbank heeft vervolgens bij beschikking van 3 juni 2025 [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] onder toezicht gesteld tot 6 juni 2026 en voor de kinderen een machtiging tot uithuisplaatsing in een netwerkpleeggezin verleend tot 6 december 2025.

2.5.

De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikkingen van 26 juni 2025 en 27 juni 2025 voor [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing in een gezinshuis verleend. De machtiging is daarna drie keer verlengd, laatstelijk bij beschikking van de meervoudige kamer van 1 oktober 2025, tot 6 juni 2026.

3 De verzoeken

3.1.

[de minderjarige 1] verzoekt de machtiging tot uithuisplaatsing te beëindigen.

3.2.

Ter onderbouwing van het verzoek heeft [de minderjarige 1] naar voren gebracht dat zij inmiddels al een jaar uit huis is geplaatst. Sindsdien heeft zij hard gewerkt om de doelen gesteld door de GI te behalen, maar telkens komen er weer nieuwe doelen bij. [de minderjarige 1] verblijft inmiddels in de weekenden weer thuis en dat gaat goed. De GI heeft geen reden meer om [de minderjarige 1] langer uit huis geplaatst te houden en [de minderjarige 1] begrijpt niet waarom zij niet volledig thuis kan wonen. Thuis zijn is het fijnste wat er is en het is thuis altijd veilig geweest.

3.3.

Ook [de minderjarige 2] verzoekt de machtiging tot uithuisplaatsing te beëindigen.

3.4.

[de minderjarige 2] heeft het verzoek als volgt onderbouwd. [de minderjarige 2] en zijn zus zijn inmiddels ruim een jaar uit huis geplaatst. Inmiddels verblijft hij in de weekenden weer thuis maar het heeft lang geduurd voordat hij weer contact mocht hebben met de ouders en thuis mocht slapen. [de minderjarige 2] heeft geen vertrouwen in de GI; ze liegen regelmatig en komen afspraken niet na. De GI bedenkt telkens nieuwe doelen om te behalen. Nu wil de GI dat systeemtherapie ingezet wordt maar dat kan ook vanuit huis. [de minderjarige 2] wil graag weer naar huis, thuis is de fijnste plek voor hem.

4 De beoordeling

4.1.

Op grond van artikel 1:265d, tweede lid onder a en b, Burgerlijk Wetboek (BW) kan de minderjarige van twaalf jaar of ouder de GI verzoeken de uithuisplaatsing te beëindigen of de duur ervan te bekorten.

4.2.

De kinderrechter stelt vast dat de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] afliep op 6 juni 2026. Gelijktijdig met de behandeling van de verzoeken van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] is het verzoek van de GI tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen behandeld op 5 juni 2026. Bij mondelinge beslissing van 5 juni 2026 heeft de kinderrechter het verlengingsverzoek van de GI afgewezen. Nu op dit moment dus geen sprake is van een machtiging tot uithuisplaatsing, hebben [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] geen rechtens relevant belang meer om hun verzoek te laten beoordelen. De kinderrechter is daarom van oordeel dat [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] niet-ontvankelijk zijn in hun verzoeken omdat zij geen (proces)belang meer hebben bij de huidige procedure.

5 De beslissing

De kinderrechter:

C/15/376477 / JU RK 26-537

5.1.

verklaart [de minderjarige 1] niet-ontvankelijk in haar verzoek;

C/15/376479 / JU RK 26-538

5.2.

verklaart [de minderjarige 2] niet-ontvankelijk in zijn verzoek.

Deze beschikking is gegeven door mr. S. Ok, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 18 juni 2026, in aanwezigheid van mr. E.E. ten Kate als griffier.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Amsterdam. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.