Uitspraak · Verbintenissenrecht

Rechtbank Noord-Holland, 17 juni 2026

ECLI:NL:RBNHO:2026:7419Zaaknummer 11771244

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
17 juni 2026
Publicatiedatum
18 augustus 2026
Zaaknummer
11771244
Rechtsgebied
Civiel recht, Verbintenissenrecht
Procedure
Bodemzaak
Zittingsplaats
Haarlem
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Luchtvaart; Vertraging. Buitengewone omstandigheden worden niet betwist door de passagiers. Echter heeft de vervoerder niet alle redelijke maatregelen getroffen. Het betoog van de vervoerder slaagt niet. De vordering wordt toegewezen.

5 De beslissing

De kantonrechter:

5.1.

veroordeelt de vervoerder tot betaling aan de passagiers van € 1.380,00 te vermeerderen met de wettelijke rente over € 1.200,00 vanaf 15 juli 2023, en over € 180,00 vanaf 4 juli 2025, tot aan de dag van voldoening van deze bedragen;

5.2.

veroordeelt de vervoerder tot betaling van de proceskosten die aan de kant van de passagiers tot en met vandaag worden begroot op de bedragen zoals deze hieronder zijn gespecificeerd:

dagvaarding € 144,47;griffierecht € 226,00;salaris gemachtigde € 434,00;

5.3.

veroordeelt de vervoerder tot betaling van € 108,50 aan nakosten, voor zover de passagiers daadwerkelijk nakosten zullen maken;

5.4.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. S. Kleij, kantonrechter en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van bovengenoemde datum in aanwezigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. 1 Het procesverloop
  2. 2 De feiten
  3. 3 Het geschil
  4. 4 De beoordeling
  5. 5 De beslissing

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Insolventie

locatie Haarlem

Zaaknr./rolnr.: 11771244 \ CV EXPL 25-4142

Uitspraakdatum: 17 juni 2026

Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:

1 [eiser 1],

2. [eiser 2], beiden wonende te [plaats]

eisers

hierna gezamenlijk te noemen: de passagiers

gemachtigde: [gemachtigde] (ProBe-ASP B.V.)

tegen

de vennootschap naar buitenlands recht

Deutsche Lufthansa Aktiengesellschaft

gevestigd te Keulen (Duitsland)

gedaagde

hierna te noemen: de vervoerder

gemachtigden: mr. J. Nooij en mr. N. van der Graaf (Russell Advocaten)

De zaak in het kort

De passagiers hebben van de vervoerder compensatie gevraagd voor een meer dan 3 uur vertraagde vlucht. De vervoerder voert aan dat de vertraging het gevolg was van buitengewone omstandigheden. Dit wordt niet betwist door de passagiers. Echter heeft de vervoerder niet alle redelijke maatregelen getroffen. Het betoog van de vervoerder slaagt niet. De vordering wordt toegewezen.

1 Het procesverloop

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding:

- de conclusie van antwoord;

- de conclusie van repliek;

- de conclusie van dupliek.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

De passagiers hebben een vervoersovereenkomst gesloten. Op grond daarvan moest de vervoerder hen op 15 juli 2023 vervoeren van Amsterdam-Schiphol Airport, via Frankfurt International Airport (Duitsland), naar Bangkok Airport (Thailand), met vluchtnummers LH997 en TG923.

2.2.

De vervoerder heeft de vlucht geannuleerd. De passagiers zijn omgeboekt naar een alternatieve vlucht. Hierdoor zijn zij met een vertraging van meer dan drie uur op de eindbestemming aangekomen.

2.3.

De passagiers hebben daarom compensatie van de vervoerder gevorderd.

2.4.

De vervoerder heeft niet uitbetaald.

3 Het geschil

3.1.

De passagiers vorderen dat de vervoerder, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis, veroordeeld zal worden tot betaling van:- € 1.200,00, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de dag van de annulering van de vlucht, althans vanaf de datum van de ingebrekestelling dan wel vanaf de datum van betekening van deze dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening;- € 180,00 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met wettelijke rente;- de proceskosten;

- en de nakosten.

3.2.

De passagiers baseren hun vordering op de Verordening (EG) nr. 261/2004 (hierna: de Verordening) en de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof). De passagiers stellen dat de vervoerder hen vanwege de annulering van de vlucht moet compenseren met een bedrag van € 600,00 per passagier (artikel 7 van de Verordening).

3.3.

De vervoerder voert verweer. Hij voert aan dat de annulering van de vlucht gevolg was van een buitengewone omstandigheid. Deze konden ondanks het treffen van alle redelijke maatregelen niet voorkomen worden (artikel 5 lid 3 van de Verordening).

4 De beoordeling

4.1.

De kantonrechter stelt ambtshalve vast dat zij bevoegd is om van de vordering kennis te nemen.

4.2.

Vast staat dat de vlucht is geannuleerd. In beginsel moet de vervoerder dan compenseren. Dit is anders als de vervoerder kan aantonen dat de annulering het gevolg is geweest van een buitengewone omstandigheid die ondanks het treffen van alle redelijke maatregelen niet voorkomen konden worden.

4.3.

De vervoerder heeft een beroep gedaan op een buitengewone omstandigheid. De kantonrechter overweegt echter dat, ongeacht of de vertraging het gevolg was van een buitengewone omstandigheid, de vervoerder niet voldoende heeft aangetoond dat hij alle redelijke maatregelen heeft genomen om de vertraging van de passagiers op de eindbestemming te beperken. De vervoerder heeft de passagiers omgeboekt op een alternatieve vlucht. Met deze vlucht zouden zij met meer dan 24 uur vertraging aankomen op de eindbestemming.

4.4.

De vervoerder heeft aangevoerd dat de verplichting tot het omboeken van de passagiers een inspanningsplicht betreft. Dat betekent dat het treffen van redelijke maatregelen is gelegen bij de inspanning en niet bij de beoogde uitkomsten. In dit geval heeft de vervoerder gebruik gemaakt van een automatische omboeksysteem die de passagiers op de eerst volgende alternatieve vlucht omboekt (ongeacht van de eigen of een andere luchtvaartmaatschappij en ongeacht of het een rechtstreekse of indirecte vlucht betreft). Op de door de passagiers overgelegde alternatieve vluchten was er geen plaats beschikbaar. Het omboekingssysteem kiest altijd de eerst mogelijke vlucht. Als er wel een plaats beschikbaar was op een eerdere vlucht dan was dat wel naar voren gekomen in het omboekingssysteem. Daarnaast is het niet mogelijk voor de vervoerder om achteraf vast te stellen hoeveel stoelen beschikbaar waren op het moment van omboeking op alle alternatieve vluchten van alle luchtvaartmaatschappijen. Deze gegevens worden niet opgeslagen en zelfs als de vervoerder toegang heeft tot de archieven dan heeft hij geen inzicht in de daadwerkelijke beschikbare plaatsen, omdat concurrerende luchtvaartmaatschappijen deze bedrijfsgevoelige informatie niet publiceert. Bovendien als de vervoerder wel inzicht had in het aantal beschikbare plaatsen op een bepaalde vlucht, kan dat geen bewijs vormen omdat een beschikbare stoel (fare class) geen garantie vormt dat de stoel daadwerkelijk kan worden geboekt, aldus de vervoerder.

4.5.

De kantonrechter oordeelt als volgt. In beginsel is geen sprake van een redelijke maatregel, indien passagiers met een door de vervoerder zelf uitgevoerde alternatieve vlucht de dag na de oorspronkelijk vastgestelde dag aankomen. Dit is anders indien er geen enkele andere mogelijkheid voor een rechtstreekse of indirecte alternatieve vlucht bestond met een door haarzelf of door een andere luchtvaartmaatschappij uitgevoerde vlucht die op een minder laat tijdstip aankwam dan de volgende vlucht van de betrokken luchtvaartmaatschappij, of dat het organiseren van een dergelijke alternatieve vlucht voor die laatste een onaanvaardbaar offer betekende gelet op de mogelijkheden van haar onderneming op het relevante tijdstip.

4.6.

De passagiers hebben enkele vluchten genoemd die hen met minder vertraging op de eindbestemming zou brengen. Het had op de weg van de vervoerder gelegen om te onderbouwen waarom hij de passagiers niet op een van deze vluchten kon omboeken. Dit had wel op zijn weg gelegen, nu de stelplicht en de eventuele bewijslast daarvan op de vervoerder rusten. Ook nu de passagiers in deze zaak concreet meerdere mogelijkheden hebben genoemd die zouden hebben geleid tot geringere vertragingen, heeft de vervoerder naar het oordeel van de kantonrechter daarop onvoldoende concreet gereageerd. De algemene, niet onderbouwde stelling dat zij op de eerst mogelijke alternatieve vlucht naar de eindbestemming zijn omgeboekt is onvoldoende. Het betoog van de vervoerder slaagt niet. De vordering van de passagiers wordt toegewezen.

4.7.

De passagiers hebben een bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten gevorderd. De vordering heeft geen betrekking op één van de situaties waarin het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) van toepassing is. Daarom moet de kantonrechter de vraag of buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd zijn, toetsen aan het rapport Voorwerk II. De passagiers hebben voldoende aannemelijk gemaakt dat zij buitengerechtelijke werkzaamheden hebben laten verrichten en dat hiervoor kosten zijn gemaakt. De omvang van de buitengerechtelijke incassokosten moet worden getoetst aan de tarieven uit het Besluit in plaats van aan de tarieven van het rapport Voorwerk II. De tarieven uit het Besluit worden redelijk geacht. Omdat het gevorderde bedrag niet hoger is dan het volgens het Besluit berekende tarief, zullen de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten worden toegewezen.

4.8.

De gevorderde rente over de buitengerechtelijke kosten is ook toewijsbaar, behalve dat deze wordt toegewezen vanaf de datum van de dagvaarding. De passagiers hebben daar in ieder geval vanaf die datum recht op. Het is niet gesteld of gebleken dat zij dit ook al vanaf een eerdere datum hadden.

4.9.

De vervoerder zal in het ongelijk worden gesteld. Daarom zal hij worden veroordeeld in de kosten van de procedure. Ook de nakosten worden toegewezen, voor zover deze kosten daadwerkelijk door de passagiers worden gemaakt.

5 De beslissing

De kantonrechter:

5.1.

veroordeelt de vervoerder tot betaling aan de passagiers van € 1.380,00 te vermeerderen met de wettelijke rente over € 1.200,00 vanaf 15 juli 2023, en over € 180,00 vanaf 4 juli 2025, tot aan de dag van voldoening van deze bedragen;

5.2.

veroordeelt de vervoerder tot betaling van de proceskosten die aan de kant van de passagiers tot en met vandaag worden begroot op de bedragen zoals deze hieronder zijn gespecificeerd:

dagvaarding € 144,47;griffierecht € 226,00;salaris gemachtigde € 434,00;

5.3.

veroordeelt de vervoerder tot betaling van € 108,50 aan nakosten, voor zover de passagiers daadwerkelijk nakosten zullen maken;

5.4.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. S. Kleij, kantonrechter en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van bovengenoemde datum in aanwezigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.