Uitspraak · Verbintenissenrecht

Rechtbank Noord-Holland, 17 juni 2026

ECLI:NL:RBNHO:2026:7234Zaaknummer 11850796 \ CV EXPL 25-5570

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
17 juni 2026
Publicatiedatum
29 juni 2026
Zaaknummer
11850796 \ CV EXPL 25-5570
Rechtsgebied
Civiel recht, Verbintenissenrecht
Procedure
Verstek
Zittingsplaats
Haarlem
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Ambtshalve toetsing. Verstek. Eindvonnis na akte. Vernietiging oneerlijk incassokostenbeding in algemene voorwaarden.

3 De beslissing

De kantonrechter:

3.1.

veroordeelt de gedaagde partij tot betaling aan de eisende partij van € 803,33, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 7 augustus 2025 tot aan de dag van de gehele betaling;

3.2.

veroordeelt de gedaagde partij tot betaling van de proceskosten, die de kantonrechter aan de kant van de eisende partij tot en met vandaag vaststelt op:

dagvaarding € 120,78;

griffierecht € 226,00;

salaris gemachtigde € 144,00;

3.3.

veroordeelt de gedaagde partij tot betaling van € 72,00 aan nasalaris, voor zover daadwerkelijk nakosten door de eisende partij worden gemaakt;

3.4.

verklaart de veroordeling(en) in dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

3.5.

wijst de vordering voor het overige af.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.P.E. Oomens en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. 1 De verdere procedure
  2. 2 De beoordeling
  3. 3 De beslissing

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Insolventie

locatie Haarlem

Zaaknr./rolnr.: 11850796 \ CV EXPL 25-5570

Uitspraakdatum: 17 juni 2026

Verstekvonnis van de kantonrechter in de zaak van:

de vennootschap onder firma

[eiser]

te [plaats 1]

de eisende partij

gemachtigde: [gemachtigde]

tegen

[gedaagde]

te [plaats 2]

de gedaagde partij

niet verschenen

1 De verdere procedure

1.1.

Bij tussenvonnis van 22 april 2026 is de eisende partij in de gelegenheid gesteld om zich uit te laten over het in het tussenvonnis voorshands uitgesproken oordeel omtrent de oneerlijkheid van een incassokostenbeding in de toepasselijke algemene voorwaarden. Ter uitvoering daarvan heeft de eisende partij een akte genomen.

2 De beoordeling

2.1.

De kantonrechter ziet in het gestelde in de akte geen reden om anders over het incassokostenbeding uit artikel 6 van de algemene voorwaarden te denken. Dat de eisende partij, zoals zij stelt, nooit uitvoering heeft gegeven aan dit beding, doet aan de oneerlijkheid daarvan niet af. Of de eisende partij de consument ook daadwerkelijk aan de bedongen afspraken houdt of in de praktijk alleen naleving van wettelijke bepalingen verlangt, is namelijk voor de beoordeling van de (on)eerlijkheid van algemene voorwaarden niet relevant. Het beding moet immers worden beoordeeld naar het moment waarop de overeenkomst is aangegaan en beslissend is daarom niet of en hoe de handelaar het beding heeft toegepast, maar hoe het zou kunnen worden toegepast. Ook de opstelling van de gedaagde partij in de buitengerechtelijke fase met betrekking tot zijn betalingsverplichtingen maakt dit niet anders. Daarom vernietigt de kantonrechter dit beding. Dit betekent dat de buitengerechtelijke incassokosten zullen worden afgewezen.

Wat is toewijsbaar?

2.2.

De eisende partij heeft een bedrag aan vervallen wettelijke rente gevorderd. Zij heeft echter niet toegelicht over welke periode deze rente is berekend en waarom. De kantonrechter kan daardoor niet beoordelen of er een grondslag voor deze vordering bestaat. Daarom wordt dit onderdeel van de vordering afgewezen. De wettelijke rente zal worden toegewezen vanaf de datum van de dagvaarding.

2.3.

De gevorderde hoofdsom wordt toegewezen, omdat deze de kantonrechter niet onrechtmatig of ongegrond voorkomt. De gevorderde buitengerechtelijke incassokosten worden gelet op het voorgaande afgewezen.

2.4.

De gedaagde partij wordt (overwegend) in het ongelijk gesteld en zal daarom in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten voor het opstellen van de akte komen echter voor rekening van de eisende partij omdat het aan haarzelf te wijten was dat het nodig was om deze kosten te maken. Daarbij wordt de gedaagde partij ook veroordeeld tot betaling van € 72,00 aan nasalaris, voor zover daadwerkelijk nakosten door de eisende partij worden gemaakt.

3 De beslissing

De kantonrechter:

3.1.

veroordeelt de gedaagde partij tot betaling aan de eisende partij van € 803,33, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 7 augustus 2025 tot aan de dag van de gehele betaling;

3.2.

veroordeelt de gedaagde partij tot betaling van de proceskosten, die de kantonrechter aan de kant van de eisende partij tot en met vandaag vaststelt op:

dagvaarding € 120,78;

griffierecht € 226,00;

salaris gemachtigde € 144,00;

3.3.

veroordeelt de gedaagde partij tot betaling van € 72,00 aan nasalaris, voor zover daadwerkelijk nakosten door de eisende partij worden gemaakt;

3.4.

verklaart de veroordeling(en) in dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

3.5.

wijst de vordering voor het overige af.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.P.E. Oomens en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.