Uitspraak · Verbintenissenrecht

Rechtbank Noord-Holland, 27 mei 2026

ECLI:NL:RBNHO:2026:6701Zaaknummer C/15/370585

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
27 mei 2026
Publicatiedatum
22 oktober 2026
Zaaknummer
C/15/370585
Rechtsgebied
Civiel recht, Verbintenissenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats
Alkmaar
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

In deze zaak vordert een kunstenaar schadevergoeding van Gemeente Den Helder, omdat Gemeente Den Helder bij de ontruiming van het Museum in 2018 ook beslag heeft gelegd op een kunstwerk dat eigendom was van de kunstenaar. Vijf jaar later heeft de kunstenaar het kunstwerk teruggekregen, maar toen was het kunstwerk volgens de kunstenaar incompleet en bovendien zwaar beschadigd. De rechtbank wijst de schadevergoedingsvordering af, omdat de kunstenaar in de periode na de beslaglegging meerdere keren en in duidelijke woorden afstand heeft gedaan van het kunstwerk.

De rechtbank

5.1.

wijst de vorderingen af;

5.2.

veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 7.286,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet [eiser] € 98,00 extra betalen, plus de kosten van betekening;

5.3.

veroordeelt [eiser] in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan;

5.4.

verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. H. Bruin en in het openbaar uitgesproken op 27 mei 2026.

1538

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. 1 De procedure
  2. 2 De feiten
  3. 3 Het geschil
  4. 4 De beoordeling
  5. 5 De beslissing

RECHTBANK Noord-Holland

Civiel recht

Zittingsplaats Alkmaar

Zaaknummer: C/15/370585 / HA ZA 25-674

Vonnis van 27 mei 2026

in de zaak van

[eiser],

te [woonplaats],

eisende partij,

hierna te noemen: [eiser],

advocaat: mr. R.P. Groot,

tegen

GEMEENTE DEN HELDER,

te Den Helder,

gedaagde partij,

hierna te noemen: Gemeente Den Helder,

advocaat: mr. E.C.W. van der Poel.

De zaak in het kort

In deze zaak vordert een kunstenaar schadevergoeding van Gemeente Den Helder, omdat Gemeente Den Helder bij de ontruiming van het [naam 1] Museum in 2018 ook beslag heeft gelegd op een kunstwerk dat eigendom was van de kunstenaar. Vijf jaar later heeft de kunstenaar het kunstwerk teruggekregen, maar toen was het kunstwerk volgens de kunstenaar incompleet en bovendien zwaar beschadigd.

De rechtbank wijst de schadevergoedingsvordering af, omdat de kunstenaar in de periode na de beslaglegging meerdere keren en in duidelijke woorden afstand heeft gedaan van het kunstwerk.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • het tussenvonnis van 7 januari 2026 waarin een mondelinge behandeling is gelast, en de daarin genoemde stukken;
  • de akte eiswijziging en aanvullende producties van [eiser] met producties 8 tot en met 21;
  • de akte aanvullende producties met producties 22 en 23 van [eiser];
  • de akte aanvullende producties 8 tot en met 14 van Gemeente Den Helder;
  • de mondelinge behandeling van 16 april 2026, waarbij beide partijen pleitaantekeningen hebben overgelegd en waarvan de griffier voor het overige aantekeningen heeft gemaakt.
1.2.

Ten slotte is een datum voor vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiser] is een kunstenaar. In 2016/2017 heeft hij een kunstwerk met de naam “Vlot van Den Helder”, althans “De Poort van Den Helder” gemaakt (hierna: het kunstwerk).

2.2.

Begin 2018 heeft [eiser] het kunstwerk opgeslagen in de kelder van het [naam 1] Museum in Den Helder.

2.3.

Dit museum was gevestigd in een pand dat eigendom was van Gemeente Den Helder (het voormalig postkantoor). Gemeente Den Helder had het pand in bruikleen gegeven aan [naam 1] (hierna: [naam 1] ). In juni 2017 heeft Gemeente Den Helder de bruikleenovereenkomst voor het pand opgezegd.

2.4.

Op 17 april 2018 heeft Gemeente Den Helder het pand ontruimd. Ter gelegenheid van de ontruiming heeft Gemeente Den Helder ten laste van [naam 1] conservatoir beslag gelegd op roerende zaken, waaronder begrepen kunstvoorwerpen in of rond het pand, in verband met de vergoeding van de door Gemeente Den Helder te maken ontruimingskosten.

2.5.

De deurwaarder die namens Gemeente Den Helder betrokken is geweest bij de beslaglegging, heeft op het moment van de beslaglegging de volgende foto gemaakt, waarop (een gedeelte van) het kunstwerk is afgebeeld:

2.6.

Imming Logistics Fine Art (hierna: Imming) is aangewezen als gerechtelijk bewaarder van de inbeslaggenomen kunstwerken. Zij heeft de kunstwerken getransporteerd en opgeslagen.

2.7.

Vanaf mei 2018 heeft [eiser] in verschillende brieven en e-mails aan Gemeente Den Helder medegedeeld dat het beslag ook één van zijn kunstwerken heeft getroffen en aanspraak gemaakt op teruggave van het kunstwerk. In reactie daarop heeft Gemeente Den Helder [eiser] gevraagd om bewijs waaruit blijkt dat het kunstwerk zijn eigendom is, bijvoorbeeld een verklaring van [naam 1] dat sprake was van bruikleen van het kunstwerk.

2.8.

In een e-mail van 14 juni 2018 van [eiser] aan (onder meer) Gemeente Den Helder en [naam 1] heeft [eiser] het volgende geschreven:

“Onderwerp: Schenking, De poort van Den Helder.

Geacht Ben W, Den Helder, en [naam 1], Ik heb besloten om afstand te doen van het werk de

poort van Den Helder. Of dit nu ten goeden komt aan de gemeente Den Helder of een

eventueel nieuw museum of iets dergelijks, dit lijkt mij het beste in de gegeven

omstandigheden.

Het is net zoals met de situatie omtrent [LRS], waarbij mijn aanwezige assistent

wel degelijk zag hoe zei mij een knietje gaf om mij boos te maken en ook wat ze zei, maar

om die situaties uit te melken is mij allemaal veel te veel energie verspilling en loss of peace

of mind.

Ik heb al weer genoeg te doen met die Slingerende fractie leider in IJmuiden.

(…)

[naam 1], ik zal wel in de media vernemen hoe het verder met je afloopt, het aller beste, bij deze

heb ik afstand gedaan van mijn kunstwerk dat bij jouw stond,.

Ik weet de wet trouwens omtrent het is inderdaad zo dat het in beslag genomen kan worden

in zn geval, Maar op het moment dat ik het vast pak weer is het niet mogelijk om kosten

zoals benw den helder schreef op mijn te verhalen, ik ben namelijk geen schuldenaar] en ik

zou het zo mee kunnen nemen daar het mijn eigendom is. Moet je maar weten he. [ook

ben ik betaald door de kunsthal 1 dus val me geen buil.

Nu kan ik dat niet meer want heb afstand gedaan van het kunstwerk: De Poort van Den

Helder.

Nou is er toch nog wat over van mijn werk periode [in opdracht, zout]

Ha ha het is het zout in de pap niet waard. (…)”

2.9.

[eiser] heeft op 5 september 2018 een e-mail gestuurd aan [naam 1] en mevrouw [naam 2] van Gemeente Den Helder met de volgende inhoud:

“Onderwerp: Afstand van mijn werk

(…)

Beste [naam 1], Jammer dat je niet reageerde op mijn verzoeken en dreigen met een proces laat

je ook koud. ik moet zeggen ik heb het er niet voor over ook.

En doe afstand van het werk.

Ik kom daar niet meer op terug, schenken was geen optie ivm schenking belasting

enzovoorts maar afstand van doen wel is mijn verteld. (…)”

2.10.

Op 13 november 2019 heeft [eiser] aan [naam 2] van Gemeente Den Helder een e-mail gestuurd met de volgende inhoud:

“Onderwerp: Doe maar.

(…)

Geachte mevrouw [naam 2], Ik ga er niet verder op in u zoekt het maar uit,

met dat werk, uw organisatie is niet oplossend gericht

Dus doe bij deze afstand van het werk, (…)”

2.11.

Op 13 juli 2020 heeft [eiser] per e-mail aan Gemeente Den Helder het volgende geschreven:

“In beslag genomen werk van [eiser].

(…)Graag zou ik mijn in beslag genomen kunstwerk terug krijgen dit is bij de ontruiming van het [naam 1] Museum. beslag genomen. Maar is en blijft mijr geloof ik niet meer bij machte om te erkennen dat het werk daadwerkelijk aan mij toe behoort, maar ik heb in het verleden al per mail en mondeling u BenW, diverse bewijs mijn woord dat het werk van mij is.

Even is er sprake van geweest dat ik het u en of [naam 1] zou schenken maar helaas ging dat niet door daar [naam 1] waarschijnlijk niet bij machte is om de schenking aan te n (…)

waarde vol, dus dat kon niet uitgevoerd worden.

Zoals ik aangaf is het werk in totaal 25.000 waard maar er zijn onderdelen weg ook schijnt het werk beschadigt te zijn.

Als u de deurwaarder eenvoudig als benw opdracht wil geven het werk aan mij over te dragen en ik het kan ophalen zonder kosten te betalen, dan is de zaak klaar daar mee

beste, Ik wil het werk in een tentoonstelling gebruiken in Sept. in Alkmaar. (…)”

2.12.

De beslagen kunstvoorwerpen, waaronder (een deel van) het kunstwerk, zijn op 11 september 2020 door Imming getransporteerd naar een opslaglocatie van BVA Auctions (thans Troostwijk Auctions).

2.13.

Per e-mail van 18 december 2020 heeft [eiser] aan Gemeente Den Helder gevraagd wanneer hij het kunstwerk kan ophalen. Gemeente Den Helder heeft in reactie daarop medegedeeld dat zij de executie uit handen heeft gegeven aan de deurwaarder.

2.14.

Uiteindelijk is een deel van het kunstwerk op 29 maart 2023 aan [eiser] teruggegeven, in beschadigde toestand.

2.15.

Per brief van 14 september 2023 heeft [eiser] Gemeente Den Helder aansprakelijk gesteld voor zijn schade. Gemeente Den Helder heeft aansprakelijkheid van de hand gewezen.

2.16.

In opdracht van Gemeente Den Helder heeft Sedgwick onderzoek gedaan naar de waarde van het kunstwerk. Het rapport van 20 november 2024 sluit af met de conclusie dat de deskundige van Sedgwick een minnelijke schaderegeling ter finale kwijting van € 2.500,- verdedigbaar acht.

2.17.

In opdracht van [eiser] heeft een deskundige van Arteomnium onderzoek gedaan naar de schade van [eiser]. De schade-inschatting bedraagt volgens het rapport van 5 augustus 2025 € 93.000,- tot € 139.000,- (inclusief gemiste inkomsten, arbeidskosten en overige kosten).

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert - samengevat en na wijziging van eis - dat de rechtbank, bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

  • Gemeente Den Helder veroordeelt tot betaling aan [eiser] van een schadevergoeding van € 93.000,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van inbeslagname van het kunstwerk;
  • Gemeente Den Helder veroordeelt tot betaling van een immateriële schadevergoeding van € 25.000,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het vonnis;
  • Gemeente Den Helder veroordeelt in de proceskosten en de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.
3.2.

[eiser] legt hieraan het volgende ten grondslag. Gemeente Den Helder heeft onrechtmatig gehandeld door beslag te leggen op het kunstwerk dat geen eigendom was van [naam 1], maar van [eiser], en door het kunstwerk pas na vijf jaar incompleet en zwaar beschadigd terug te geven. Ook is Gemeente Den Helder aansprakelijk voor de beschadiging van het kunstwerk door de gerechtelijk bewaarder, omdat de gerechtelijk bewaarder is aan te merken als ondergeschikte van de beslaglegger. Het kunstwerk is volgens [eiser] na de beslaglegging meerdere keren gevallen en was bovendien onbeschermd opgeslagen in een daarvoor ongeschikte fabriekshal. Het kunstwerk is daardoor onherstelbaar beschadigd. De schade bestaat daarom uit de waarde van het kunstwerk, de gemaakte kosten en het inkomensverlies. Ook is sprake van geestelijk letsel, nu met de onherstelbare beschadiging van het kunstwerk het geesteskind van [eiser] is vermoord, aldus nog steeds het betoog van [eiser].

3.3.

De conclusie van Gemeente Den Helder strekt tot afwijzing van de vorderingen. Gemeente Den Helder betwist dat de beslagleging onrechtmatig was. Ook betwist Gemeente Den Helder dat zij aansprakelijk is voor het handelen van de deurwaarder en de gerechtelijk bewaarder, omdat zij niet als ondergeschikten van Gemeente Den Helder kunnen worden aangemerkt en de bewaarder haar zorgplicht niet heeft geschonden. Gemeente Den Helder weerspreekt verder dat [eiser] eigenaar is van het kunstwerk. Voor zover [eiser] wel eigenaar was, heeft hij daarvan afstand gedaan. Ook is de vordering van [eiser] tot vergoeding van de schade verjaard. De waarde van het kunstwerk, en dus de eventuele schade van [eiser], bedraagt bovendien maximaal € 200,-, dan wel € 2.500,-, aldus Gemeente Den Helder.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4 De beoordeling

[eiser] was eigenaar van het kunstwerk ten tijde van de beslaglegging

4.1.

Omdat [eiser] aan zijn vorderingen ten grondslag legt dat hij de eigenaar is van het kunstwerk, moet eerst worden beoordeeld of daarvan sprake is. De rechtbank overweegt hierover als volgt.

4.2.

Vast staat dat [eiser] de maker is van het kunstwerk en dus aanvankelijk de eigenaar was van het kunstwerk. [eiser] heeft het kunstwerk vervolgens opgeslagen in het [naam 1] Museum. De rechtbank gaat er van uit dat op dat moment niet de eigendom van het kunstwerk is overgedragen aan [naam 1] (of het [naam 1] Museum). [eiser] heeft namelijk gemotiveerd gesteld dat sprake was van een (mondelinge) bruikleenovereenkomst tussen hem en [naam 1], waarbij de eigendom van het kunstwerk bij [eiser] is gebleven. [eiser] heeft in dat kader toegelicht dat hij van plan was het kunstwerk (later) te gaan gebruiken voor een theatervoorstelling. Voor zover Gemeente Den Helder betwist dat [eiser] ten tijde van de beslaglegging eigenaar was van het kunstwerk (omdat mogelijk sprake is geweest van een schenking aan [naam 1] of het museum), heeft zij dat standpunt onvoldoende gemotiveerd. De rechtbank gaat daar daarom aan voorbij. Ten tijde van de beslaglegging was [eiser] dus de eigenaar en (middellijk) bezitter van het kunstwerk.

[eiser] heeft de eigendom van het kunstwerk daarna prijsgegeven

4.3.

Beoordeeld moet vervolgens worden of [eiser] ná de beslaglegging de eigendom van het kunstwerk is verloren, zoals Gemeente Den Helder aanvoert. Eigendom van een roerende zaak gaat (onder meer) verloren wanneer de eigenaar het bezit ervan prijsgeeft, met het oogmerk zich van de eigendom te ontdoen.[_07e67c21-380c-4710-afc0-9aca152d7169] Van prijsgeving is sprake wanneer de eigenaar zich op zo’n manier van zijn zaak ontdoet dat daaruit blijkt dat hij er niets meer mee te maken wil hebben. Het afstand doen van het eigendomsrecht kan worden afgeleid uit een handeling of verklaring van de eigenaar waarin deze zijn wil om de eigendom prijs te geven heeft geopenbaard.[_81d992d4-5301-4f8c-aeec-d580a145e6ba]

4.4.

De rechtbank is van oordeel dat de e-mails van [eiser] van 14 juni 2018, 5 september 2018 én 13 november 2019 (geciteerd in randnummers 2.8 tot en met 2.10 van dit vonnis) moeten worden aangemerkt als verklaringen van [eiser], waaruit blijkt dat hij zijn (middellijk) bezit en de eigendom van het kunstwerk wilde eindigen. Dat schrijft [eiser] namelijk meermaals en met zoveel woorden: “Ik heb besloten om afstand te doen van het werk”, “heb afstand gedaan van het kunstwerk”, “bij deze heb ik afstand gedaan van mijn kunstwerk”, “doe afstand van het werk”, en “doe bij deze afstand van het werk”. Ook heeft [eiser] duidelijk gemaakt dat hij niets meer met het kunstwerk te maken wilde hebben: “u zoekt het maar uit, met dat werk”.

4.5.

Op de zitting heeft [eiser] hierover toegelicht dat hij met deze e-mails probeerde om met Gemeente Den Helder een schikking te bereiken, en dat hij afstand wilde doen van de situatie en de agressie van Gemeente Den Helder. Dat is volgens [eiser] ook in overeenstemming met de e-mail van 14 juni 2018, waarin hij schrijft over “energie verspilling” en “loss of peace of mind”. Dit neemt echter niet weg dat [eiser] (uitdrukkelijk) heeft verklaard dat hij (ook) afstand deed van het kunstwerk zelf. De rechtbank is daarom van oordeel dat de verklaring van [eiser] gericht is geweest op het prijsgeven van (het bezit van) het kunstwerk, met het oogmerk zich van de eigendom te ontdoen.

4.6.

Voor zover [eiser] stelt dat zijn verklaring niet overeenstemde met zijn wil (bijvoorbeeld omdat sprake was van een vergissing of onjuiste overbrenging), heeft hij dat onvoldoende concreet toegelicht. Zelfs als veronderstellenderwijs wordt aangenomen dat de verklaring van [eiser] niet overeenstemde met zijn wil, kan hij daarop bovendien geen beroep doen tegenover Gemeente Den Helder. Gemeente Den Helder mocht de genoemde e-mails van [eiser] namelijk opvatten als afstandsverklaringen en zij mocht er daarom op vertrouwen dat [eiser] daadwerkelijk afstand wilde doen van (de eigendom van) het kunstwerk.[_e409abd1-6333-4824-beb7-0f69406d63c3] Hierbij is in de eerste plaats van belang dat de door [eiser] gebruikte bewoordingen ondubbelzinnig zijn. Kennelijk was het besluit van [eiser] ook goed doordacht (en heeft hij zich daarover ook laten adviseren), omdat hij in zijn e-mail van 5 september 2018 schrijft dat hem is verteld dat schenken geen optie is in verband met de schenkbelasting, maar het doen van afstand wel mogelijk is. Daarbij komt dat [eiser] niet slechts éénmaal afstand heeft gedaan van het kunstwerk, maar dat hij dit - in niet mis te verstane bewoordingen - over een periode van zeventien maanden in drie afzonderlijke e-mails heeft gedaan. Hoewel men in zijn algemeenheid er niet snel op zal mogen vertrouwen dat een ander beoogt afstand te doen van een deel van zijn vermogen, is de rechtbank in dit geval van oordeel dat er voor Gemeente Den Helder geen aanleiding bestond om te twijfelen aan de verklaringen van [eiser]. Hierbij acht de rechtbank ook van belang dat [eiser] in de genoemde e-mails heeft toegelicht wáárom hij afstand deed van het kunstwerk: hij vond de discussie daarover energieverspilling en hij wilde niet aangesproken kunnen worden voor de opslagkosten van het kunstwerk.

4.7.

[eiser] heeft aangevoerd dat geen vastlegging in een akte heeft plaatsgevonden. Een akte is echter geen vereiste voor het prijsgeven van (het bezit en de eigendom van) het kunstwerk; de verklaring is vormvrij.[_ebc9f993-75dd-4659-8516-1237940114a4] Ook is niet vereist dat het kunstwerk door Gemeente Den Helder of [naam 1] (of iemand anders) is aanvaard. Het prijsgeven van het bezit is namelijk een eenzijdige (en ongerichte) rechtshandeling. Dat de afstand van het kunstwerk na de e-mails van 14 juni 2018, 5 september 2018 en 13 november 2019 niet is geformaliseerd, betekent daarom niet dat die afstand geen werking heeft gehad.

4.8.

Het voorgaande leidt tot de tussenconclusie dat [eiser] het (middellijk) bezit van het kunstwerk heeft prijsgegeven, met het oogmerk zich van de eigendom te ontdoen, althans dat Gemeente Den Helder er gerechtvaardigd op heeft vertrouwd dat [eiser] dat heeft gedaan. Daarmee is [eiser] de eigendom van het kunstwerk verloren.

[eiser] kon het prijsgeven van het kunstwerk niet herroepen

4.9.

Nadien heeft [eiser] in zijn e-mail van 13 juli 2020 (geciteerd in alinea 2.11 van dit vonnis), en dus acht maanden na zijn laatste afstandsverklaring in zijn e-mail van 13 november 2019, aanspraak gemaakt op teruggave van het kunstwerk (en overigens ook in latere e-mails).

4.10.

Het prijsgeven van het kunstwerk is een eenzijdige rechtshandeling. Eenzijdige rechtshandelingen zijn in beginsel onherroepelijk, tenzij herroepelijkheid is voorbehouden. Van dat laatste is geen sprake. Integendeel: [eiser] heeft in zijn e-mail van 5 september 2018 juist vermeld: “Ik kom daar niet meer op terug”. Het voorgaande betekent dat voor zover [eiser] zijn afstandsverklaringen met zijn e-mail van 13 juli 2020 heeft willen herroepen, dit geen effect heeft gehad.

Teruggave van (een deel van) het kunstwerk in beschadigde staat

4.11.

Vast staat dat Gemeente Den Helder op 29 maart 2023, op verzoek van [eiser], een deel van het kunstwerk feitelijk aan [eiser] heeft teruggegeven. Dit deel van het kunstwerk is sinds 29 maart 2023 dus weer in bezit van [eiser]. Gemeente Den Helder heeft toegelicht dat zij daarmee niet heeft erkend dat [eiser] eigenaar was van het kunstwerk, maar dat zij in overleg met [naam 1] en zijn andere schuldeisers (het resterende deel van) het kunstwerk heeft teruggegeven aan [eiser], gelet op de (volgens Gemeente Den Helder) beperkte waarde daarvan en om aan de verzoeken van [eiser] tegemoet te komen.

4.12.

Of [eiser] daarmee (weer) eigenaar is geworden van dat deel van het kunstwerk, staat tussen partijen niet vast, maar kan in het kader van dit geschil in het midden blijven. Anders dan [eiser] veronderstelt, is de rechtbank namelijk van oordeel dat [eiser] hiermee hooguit de eigendom heeft verkregen van het kunstwerk, in de staat waarin het kunstwerk op dat moment (op 29 maart 2023) verkeerde. Toen had de door [eiser] gestelde beschadiging en gedeeltelijke vermissing van het kunstwerk al plaatsgevonden.

Gemeente Den Helder hoeft schade aan kunstwerk niet te vergoeden aan [eiser]

4.13.

De omstandigheid dat [eiser] de eigendom van het oorspronkelijke kunstwerk heeft verloren, en op 29 maart 2023 (hooguit) eigenaar is geworden van het kunstwerk in incomplete en beschadigde staat, leidt tot de conclusie dat [eiser] geen recht heeft op schadevergoeding in verband met de eerdere beschadiging van het kunstwerk.

4.14.

Aan de beoordeling van de vraag of Gemeente Den Helder (en/of de deurwaarder of de gerechtelijk bewaarder) onrechtmatig heeft/hebben gehandeld ten aanzien van het kunstwerk bij of na de beslaglegging op 17 april 2018, komt de rechtbank daarom niet toe.

Gemeente Den Helder hoeft ook geen immateriële schade te vergoeden

4.15.

[eiser] vordert naast vergoeding van zijn vermogensrechtelijke schade, ook vergoeding van immateriële schade.

4.16.

Wat in het voorgaande is overwogen over de vermogensrechtelijke schade, geldt in beginsel ook voor de eventuele vordering tot vergoeding van immateriële schade. Voor zover [eiser] stelt dat ook los van de vraag of hij (nog) eigenaar was van het kunstwerk, hij immateriële schade heeft geleden door de beschadiging van het kunstwerk, overweegt de rechtbank hierover verder als volgt. [eiser] heeft deze vordering (uitsluitend) gebaseerd op zijn stelling dat hij door de beschadiging en vermissing van het kunstwerk geestelijk letsel heeft opgelopen. Weliswaar heeft [eiser] een verklaring overgelegd van Bosch Coaching, maar die verklaring is onvoldoende concreet. Daarin wordt slechts (samengevat) vermeld dat sprake is van een emotionele reactie en psychische belasting, zoals gevoelens van onrecht en stress. Verder is daarin vermeld dat de beschreven gebeurtenissen hebben bijgedragen aan de angst- en depressieve klachten van [eiser]. De rechtbank vindt dit onvoldoende specifiek om aan te nemen dat sprake is van geestelijk letsel dat is veroorzaakt door Gemeente Den Helder. Hierbij weegt ook mee dat de vordering verder is gebaseerd op de stelling dat het kunstwerk is beschadigd, dus een geval van (zuivere) zaakschade. De enkele stelling dat het kunstwerk verloren is gegaan, is niet voldoende om een recht op vergoeding van immateriële schade aan te nemen. Dat het kunstwerk niet alleen een vermogensrechtelijke, maar ook een emotionele waarde vertegenwoordigde, maakt dat niet anders.[_0bcab67b-60ed-4d36-a177-5778a12f87ba]

4.17.

Het voorgaande betekent dat Gemeente Den Helder ook geen vergoeding voor immateriële schade hoeft te betalen aan [eiser].

Slotsom en proceskosten

4.18.

De vorderingen van [eiser] zullen worden afgewezen.

4.19.

[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Gemeente Den Helder worden begroot op:

- griffierecht € 2.995,00

- salaris advocaat € 4.102,00 (2 punten × tarief V)

- nakosten € 189,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)

Totaal € 7.286,00.

4.20.

De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

wijst de vorderingen af;

5.2.

veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 7.286,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet [eiser] € 98,00 extra betalen, plus de kosten van betekening;

5.3.

veroordeelt [eiser] in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan;

5.4.

verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. H. Bruin en in het openbaar uitgesproken op 27 mei 2026.

1538

Voetnoten

  1. Artikelen 5:18 van het Burgerlijk Wetboek (BW).
  2. Artikel 3:33 BW.
  3. Artikel 3:35/36 BW en PG Boek 5 BW, TM, p. 115
  4. Artikel 3:37 lid 1 BW.
  5. Vgl. HR 15 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1465 en HR 16 november 1984, NJ 1985, 270.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Deze uitspraak verwijst naar

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.