Uitspraak · Verbintenissenrecht

Rechtbank Noord-Holland, 20 mei 2026

ECLI:NL:RBNHO:2026:6700Zaaknummer C/15/366089

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
20 mei 2026
Publicatiedatum
22 oktober 2026
Zaaknummer
C/15/366089
Rechtsgebied
Civiel recht, Verbintenissenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats
Alkmaar
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

In deze zaak vordert de eigenaar van een woning schadevergoeding van de aannemer die de vloerverwarming in zijn woning heeft aangelegd. Hij vindt dat de aannemer de vloerverwarmingsbuizen in twee slaapkamers op een te grote afstand van elkaar heeft geplaatst en dat de aannemer ten onrechte heeft medegedeeld dat het vloerverwarmingssysteem voldoende capaciteit zou hebben om zijn woning te verwarmen. De rechtbank wijst de vorderingen af. Dat de aannemer een fout heeft gemaakt bij het aanleggen van de vloerverwarmingsbuizen of dat hij heeft toegezegd dat de vloerverwarming voldoende capaciteit zou hebben om de (nog te verbouwen woning) te verwarmen, is niet gebleken.

De rechtbank

5.1.

wijst de vorderingen af;

5.2.

veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 4.856,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [eiser] niet tijdig aan deze veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet [eiser] € 98,00 extra betalen, plus de kosten van betekening;

5.3.

verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. H. Bruin en in het openbaar uitgesproken op 20 mei 2026.

1538

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. 1 De procedure
  2. 2 De feiten
  3. 3 Het geschil
  4. 4 De beoordeling
  5. 5 De beslissing

RECHTBANK Noord-Holland

Civiel recht

Zittingsplaats Alkmaar

Zaaknummer: C/15/366089 / HA ZA 25-334

Vonnis van 20 mei 2026

in de zaak van

[eiser],

te [woonplaats],

eisende partij,

hierna te noemen: [eiser],

advocaat: mr. H.M. Punt,

tegen

1 [de VOF],

te Alkmaar,2. [gedaagde sub 2],

te [woonplaats] ,3. [gedaagde sub 3],

te [woonplaats],

gedaagde partijen,

hierna samen te noemen: [de VOF],

advocaat: mr. P. Thole.

De zaak in het kort

In deze zaak vordert de eigenaar van een woning schadevergoeding van de aannemer die de vloerverwarming in zijn woning heeft aangelegd. Hij vindt dat de aannemer de vloerverwarmingsbuizen in twee slaapkamers op een te grote afstand van elkaar heeft geplaatst en dat de aannemer ten onrechte heeft medegedeeld dat het vloerverwarmingssysteem voldoende capaciteit zou hebben om zijn woning te verwarmen. De rechtbank wijst de vorderingen af. Dat de aannemer een fout heeft gemaakt bij het aanleggen van de vloerverwarmingsbuizen of dat hij heeft toegezegd dat de vloerverwarming voldoende capaciteit zou hebben om de (nog te verbouwen woning) te verwarmen, is niet gebleken.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • het vonnis in incident van 14 mei 2025, waarin de zaak door de kantonrechter van deze rechtbank is verwezen naar de sector Civiel recht;
  • het tussenvonnis van 20 augustus 2025, waarbij een mondelinge behandeling is gelast, en de daarin genoemde stukken;
  • de door [de VOF] in het geding gebrachte productie 1;
  • de mondelinge behandeling van 10 april 2026, waarbij door [eiser] pleitaantekeningen zijn overgelegd en waarvan de griffier voor het overige aantekeningen heeft bijgehouden.
1.2.

Ten slotte is een datum voor vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[de VOF] Groep is een vennootschap onder firma. [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] zijn haar vennoten.

2.2.

[de VOF] heeft op 3 september 2019 in de woning van [eiser] een vloerverwarmingssysteem aangelegd. De afspraken tussen [eiser] en [de VOF] zijn vastgelegd in een offerte van [de VOF], die op 4 juni 2019 door [eiser] is ondertekend (hierna: de overeenkomst). De totale aanneemsom bedroeg € 5.685,06. In de overeenkomst is onder meer het volgende vermeld:

“1x Vloerverwarming op noppen-platen.

(Door middel van slakkenhuizen in hoofdverwarming 10 x 10)

- -

De groepen/zones worden ter plekke bepaald door de specialist (…)”

2.3.

Het plaatsen van het vloerverwarmingssysteem maakte onderdeel uit van een grotere verbouwing van de woning van [eiser]. Hij woonde op dat moment niet in de woning. In het voorjaar van 2020 is [eiser] in de woning gaan wonen.

2.4.

Op 8 april 2021 heeft [eiser] per e-mail aan [de VOF] gemeld dat het vloerverwarmingssysteem twee slaapkamers van de woning onvoldoende verwarmt. Daarbij heeft [eiser] foto’s meegestuurd. Volgens [eiser] is daarop zichtbaar dat in die twee kamers de afstand tussen de vloerverwarmingsbuizen 15 tot 20 centimeter bedraagt. Namens [de VOF] is daarop dezelfde dag per e-mail geantwoord dat het niet gebruikelijk is dat zij de vloerverwarmingsbuizen om de 20 centimeter leggen.

2.5.

Nadat [eiser] [de VOF] per brief van 20 april 2021 had gesommeerd zijn klacht op te lossen, heeft een servicemonteur van [de VOF] op 30 april 2021 het vloerverwarmingssysteem onderzocht en een nieuw thermostaatsysteem geadviseerd. [de VOF] heeft daarvoor een offerte gestuurd ter hoogte van € 1.458,05. [eiser] heeft die offerte niet geaccepteerd en heeft verzocht om een andere oplossing voor zijn klacht.

2.6.

Per brief van 19 augustus 2021 heeft [eiser] aanspraak gemaakt op vervangende schadevergoeding en een deskundigenonderzoek aangekondigd.

2.7.

Op 15 december 2021 heeft IAC in opdracht van [eiser] onderzoek gedaan naar het vloerverwarmingssysteem. In het rapport van 21 februari 2022 heeft IAC een berekening gemaakt van de warmtevraag en de warmteafgifte van het vloerverwarmingssysteem. Op basis daarvan heeft zij geconcludeerd dat het vloerverwarmingssysteem de woning onvoldoende verwarmt. Volgens het rapport van IAC heeft [de VOF] ten onrechte niet gewaarschuwd dat de woning door middel van vloerverwarming überhaupt niet voldoende verwarmd kan worden. Verder merkt IAC op dat met vloerverwarming geen significante verbetering haalbaar is en dat er aanvullende verwarming (middels radiatoren of convectors) moet worden aangebracht. De kosten daarvan kunnen volgens IAC gezien het afwerkingsniveau van de woning oplopen tot € 20.000,-. Verder wordt in het rapport opgemerkt:

“Door de vloerverwarming in een aantal vertrekken verder uit elkaar aan te brengen is het probleem groter geworden maar dat is niet beslissend in deze tekortkoming.”

2.8.

Op 1 juli 2024 heeft [eiser] een offert ontvangen van Mphilippe Tegelzetters voor “Het herstel van de vloerverwarming in de algemene ruimte en twee slaapkamers” ter hoogte van € 33.214,50.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert - samengevat - dat de rechtbank, bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, gedaagden hoofdelijk veroordeelt tot betaling aan [eiser] van € 33.214,50, de onderzoekskosten van € 1.597,20, de kosten van vervangende verblijf voor de duur van de herstelwerkzaamheden (PM) en de wettelijke rente vanaf de dag van de dagvaarding, een en ander met hoofdelijke veroordeling van gedaagden in de kosten van dit geding, waaronder de nakosten en te vermeerderen met de wettelijke rente.

3.2.

[eiser] legt hieraan het volgende ten grondslag. [de VOF] heeft de vloerverwarmingsbuizen in twee slaapkamers van de woning niet op de overeengekomen afstand van maximaal tien centimeter geplaatst. Ook heeft [de VOF] ten onrechte medegedeeld dat de vloerverwarming voldoende capaciteit zou hebben om de woning te verwarmen. Verder heeft [de VOF] nagelaten [eiser] ervoor te waarschuwen dat het vloerverwarmingssysteem niet kon leiden tot een voldoende verwarmde woning. Daarom is [de VOF] tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen uit de overeenkomst en moet [de VOF] vervangende schadevergoeding betalen. Die schadevergoeding bestaat uit de kosten van het verwijderen van de door [de VOF] geplaatste verwarmingsbuizen in de twee slaapkamers van de woning, het plaatsen van buizen op de juiste afstand en het opnieuw plaatsen van de tegelvloer.

3.3.

[de VOF] vindt dat de vordering moet worden afgewezen. [de VOF] betwist dat is afgesproken dat de vloerverwarmingsbuizen op maximaal tien centimeter afstand moesten worden geplaatst. Volgens de eigen deskundige van [eiser] levert de buisafstand van 15 tot 20 centimeter bovendien geen tekortkoming op. Voor [de VOF] gold geen waarschuwingsplicht, want er is niet afgesproken dat het vloerverwarmingssysteem bedoeld was om de woning te verwarmen. Bovendien werd de woning nog verbouwd door derden, waardoor de isolatiewaarde van de woning bij [de VOF] onbekend was. Verder voert [de VOF] aan dat [eiser] zijn klachtplicht heeft geschonden, dat sprake is van schuldeisersverzuim en dat de eventuele tekortkoming niet de omzetting in een vervangende schadevergoeding rechtvaardigt, althans dat de gevorderde schadevergoeding in strijd is met de redelijkheid en billijkheid.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Tussen [eiser] en [de VOF] is een overeenkomst van aanneming van werk[_71871357-1884-426e-9e20-bf28206df2e2] tot stand gekomen voor de aanleg van een vloerverwarmingssysteem in de woning van [eiser]. Op grond van die overeenkomst is [de VOF] verplicht haar werkzaamheden uit te voeren naar de bepalingen van de overeenkomst. Ook is zij verplicht tot het leveren van goed en deugdelijk werk.

4.2.

De rechtbank is van oordeel dat niet is gebleken dat [de VOF] haar verplichtingen uit de overeenkomst heeft geschonden. De vorderingen van [eiser] worden daarom afgewezen. Dit oordeel wordt hieronder uitgelegd.

Buisafstand

4.3.

Partijen zijn het er over eens dat in een deel van de woning van [eiser], de vloerverwarmingsbuizen op tien centimeter afstand van elkaar zijn aangelegd. In twee slaapkamers van de woning (een slaapkamer aan de achterzijde van de woning en een slaapkamer in het midden van de woning) zijn de buizen echter op een grotere afstand van elkaar aangelegd, namelijk op circa 15 tot 20 centimeter. Dat is zichtbaar op de foto’s die beide partijen hebben overgelegd en [de VOF] heeft dat ook bevestigd.

4.4.

Partijen zijn het echter niet eens over wat zij over de (maximale) buisafstand van het vloerverwarmingssysteem hebben afgesproken. Voor beantwoording van die vraag moet de overeenkomst tussen partijen worden uitgelegd. Daarbij komt het aan op de betekenis die partijen in de gegeven omstandigheden van het geval over en weer redelijkerwijs aan elkaars verklaringen en gedragingen mochten toekennen en op wat zij in dat opzicht redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Daarbij zijn alle omstandigheden van het geval van belang.

4.5.

In ieder geval staat vast dat tussen [eiser] en [de VOF] bij het sluiten van de overeenkomst of het plaatsen van het vloerverwarmingssysteem niet uitdrukkelijk is afgesproken dat de buizen op maximaal tien centimeter afstand zouden worden geplaatst. [eiser] heeft namelijk niet, of onvoldoende concreet, gesteld dat daarover met zoveel woorden tussen hen is gesproken.

4.6.

In de tekst van de overeenkomst is het volgende vermeld: “(…) slakkenhuizen in hoofdverwarming 10 x 10”. Anders dan [eiser] betoogt, volgt hieruit niet zonder meer dat sprake moet zijn van een tussenruimte tussen de buizen van maximaal tien (bij tien) centimeter. Er is immers niet vermeld dat het gaat om een maximale afstand, uitgedrukt in centimeters. [de VOF] heeft bovendien toegelicht dat deze passage in de overeenkomst uitdrukt hoeveel groepen zullen worden gebruikt per vierkante meter en/of het type noppenplaten dat zou worden gebruikt.

4.7.

Waar de passage “10 x 10” in de overeenkomst precies naar verwijst is dus niet duidelijk geworden. [de VOF] heeft er bovendien op gewezen dat in de overeenkomst direct na deze passage het volgende is vermeld: “De groepen/zones worden ter plekke bepaald door de specialist”. [de VOF] heeft toegelicht dat de keuzes die de specialist ter plekke maakt ten aanzien van de groepen en zones, direct invloed hebben op de buisafstand. [eiser] heeft dat niet weersproken, zodat dit vaststaat. Zelfs als [eiser] veronderstellenderwijs wordt gevolgd in zijn betoog dat de passage “10 x 10” verwijst naar de maximale buisafstand, moet de overeenkomst daarom aldus worden uitgelegd dat een buisafstand van tien (bij tien) centimeter het uitgangspunt is, maar dat de specialist van [de VOF] ter plekke keuzes kan maken, waardoor de buisafstand verandert.

4.8.

Het enkele feit dat in twee slaapkamers van de woning van [eiser] een grotere buisafstand is toegepast dan tien centimeter, betekent daarom nog niet dat [de VOF] in strijd heeft gehandeld met de bepalingen van de overeenkomst. De e-mail van (een medewerkster van) [de VOF] van 8 april 2021, waarop [eiser] zich beroept, is daarmee in overeenstemming. Daarin is slechts vermeld dat een buisafstand van 20 centimeter niet gebruikelijk is.

4.9.

De keuzes ten aanzien aan de groepen en de zones, en daarmee dus ook de buisafstand, zijn in de overeenkomst dus overgelaten aan [de VOF]. Die vrijheid is echter niet onbeperkt. [de VOF] moet immers niet alleen voldoen aan de bepalingen van de overeenkomst, maar heeft ook de verplichting tot het leveren van goed en deugdelijk werk. Dat [de VOF] een fout heeft gemaakt door de vloerverwarmingsbuizen in de twee slaapkamers op een grotere afstand te plaatsen dan tien centimeter, is door [eiser] echter onvoldoende onderbouwd. Dat volgt niet uit het door [eiser] in het geding gebrachte rapport van IAC.

4.10.

In dat rapport staat hierover slechts dat door “de vloerverwarming in een aantal vertrekken verder uit elkaar aan te brengen (…) het probleem groter [is] geworden”. Daaruit kan echter niet worden afgeleid dat [de VOF] de buizen dichter bij elkaar had kunnen en moeten leggen, zoals [eiser] stelt. Voor zover een grotere buisafstand leidt tot een lager vermogen van het vloerverwarmingssysteem (zoals ook [de VOF] lijkt te onderkennen, zij het dat volgens [de VOF] het verschil klein is), en/of leidt tot een ongelijkmatigere temperatuurverdeling, een langere opwarmtijd en een hoger energieverbruik (wat verder in het midden kan blijven), betekent nog niet dat in alle gevallen de buisafstand van maximaal tien centimeter moet worden aangehouden. [de VOF] heeft namelijk ter zitting toegelicht dat er verschillende redenen kunnen zijn waarom de buizen op een grotere afstand (of soms ook kleinere afstand) moeten worden geplaatst dan tien centimeter. Dat kan onder meer te maken hebben met de indeling van de woning, (de plek en het aantal van) de verdeler, de groepen en de lengte van de buizen. [eiser] heeft onvoldoende concreet gesteld en onderbouwd dat [de VOF] in dit specifieke geval een fout heeft gemaakt door in de twee slaapkamers een grotere buisafstand toe te passen. Anders dan [eiser] betoogt, lag dit wel op zijn weg, omdat hij zich op de rechtgevolgen daarvan beroept.[_4028cc3a-02d9-4994-9f17-66f5ddd4f2cc] Omdat [eiser] dat onvoldoende heeft gedaan, komt de rechtbank niet toe aan bewijslevering.

4.11.

Dat [de VOF] is tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen uit de aannemingsovereenkomst door de vloerverwarmingsbuizen in de twee slaapkamers op een grotere afstand te plaatsen dan tien centimeter, is daarom niet gebleken.

Mededeling/advies over capaciteit

4.12.

Ter zitting heeft [eiser] aangevoerd dat [de VOF] in het voortraject meermaals ten onrechte heeft medegedeeld dat de vloerwarming voldoende capaciteit heeft om de woning te verwarmen. Ook stelt [eiser] dat [de VOF] hem daarover onjuist heeft geadviseerd.

4.13.

[de VOF] heeft weersproken dat zij aan [eiser] heeft medegedeeld dat het vloerverwarmingssysteem voldoende capaciteit had om de woning te verwarmen. De woning stond volgens [de VOF] bovendien aan het begin van een ingrijpende verbouwing. Volgens [de VOF] wist zij niet of en hoe de woning geïsoleerd was (of zou worden) en of er bijvoorbeeld radiatoren bijgeplaatst zouden worden. [eiser] heeft op dit gemotiveerde standpunt van [de VOF] onvoldoende concreet gereageerd. Hij heeft niet toegelicht wanneer en door wie een toezegging over de capaciteit van de vloerverwarming is gedaan. Evenmin heeft [eiser] weersproken dat ten tijde van het sluiten van de overeenkomst (in juni 2019) [de VOF] niet bekend was met de werkzaamheden die nog in de woning zouden worden uitgevoerd en de invloed daarvan op de isolatiewaarde van de woning. Het ligt daarom voor de hand dat [de VOF] geen toezeggingen kón doen over de vraag of de capaciteit van het vloerverwarmingssysteem toereikend zou zijn voor de verwarming van de nog te renoveren woning. [eiser] heeft daarom op dit punt niet aan zijn stelplicht voldaan. Ook op dit punt komt de rechtbank dus niet aan bewijslevering toe.

4.14.

Een (onjuiste of geschonden) mededeling of advies van [de VOF] over de capaciteit van het vloerverwarmingssysteem, is dus niet gebleken. Er is daarom geen sprake van een tekortkoming van [de VOF].

Schending waarschuwingsplicht

4.15.

Het antwoord op de vraag of [de VOF] [eiser] had moeten adviseren of waarschuwen dat met het vloerverwarmingssysteem de woning van [eiser] niet volledig verwarmd kon worden, kan in het midden blijven. De stelling dat [de VOF] [eiser] daarvoor had moeten waarschuwen is ingenomen in de dagvaarding. Tijdens de zitting heeft [eiser] echter toegelicht dat aan dit verwijt geen schadepost is gekoppeld. Dat betekent dat de rechtbank aan de beoordeling van deze vraag niet toekomt.

Slotsom en proceskosten

4.16.

Omdat niet is gebleken van een tekortkoming van [de VOF] in de nakoming van haar verplichtingen uit de aannemingsovereenkomst, is [de VOF] niet schadevergoedingsplichtig. Dat betekent dat de vorderingen van [eiser] worden afgewezen. De overige verweren van [de VOF] hoeven daarom niet besproken te worden.

4.17.

[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [de VOF] worden begroot op:

- griffierecht € 2.995,00

- salaris advocaat € 1.672,00 (2 punten × tarief III)

- nakosten € 189,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)

Totaal € 4.856,00

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

wijst de vorderingen af;

5.2.

veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 4.856,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [eiser] niet tijdig aan deze veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet [eiser] € 98,00 extra betalen, plus de kosten van betekening;

5.3.

verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. H. Bruin en in het openbaar uitgesproken op 20 mei 2026.

1538

Voetnoten

  1. Artikel 7:750 Burgerlijk Wetboek (BW).
  2. De hoofdregel van artikel 150 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.