Uitspraak · Verbintenissenrecht
Rechtbank Noord-Holland, 28 januari 2026
ECLI:NL:RBNHO:2026:4241Zaaknummer 10657685
- Instantie
- Rechtbank Noord-Holland
- Datum uitspraak
- 28 januari 2026
- Publicatiedatum
- 30 juli 2026
- Zaaknummer
- 10657685
- Rechtsgebied
- Civiel recht, Verbintenissenrecht
- Procedure
- Bodemzaak
- Zittingsplaats
- Haarlem
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Fouten bij het invoeren van de betalingsgegevens komen voor rekening van de vervoerder. Het is dan ook niet gebleken dat de vervoerder bevrijdend heeft betaald.
5. De beslissing
De kantonrechter:
veroordeelt de vervoerder tot betaling aan de passagiers van € 1.800,00, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 4 september 2022 tot de dag van de gehele betaling;
veroordeelt de vervoerder in de proceskosten van € 883,14, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als de vervoerder niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.N. Schipper, kantonrechter en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van bovengenoemde datum in aanwezigheid van de griffier.
De griffier De kantonrechter
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Handel, Kanton en Insolventie
locatie Haarlem
Zaaknr./rolnr.: 10657685 \ CV EXPL 23-5295
Uitspraakdatum: 28 januari 2026
Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:
1 [eiser 1],
2. [eiser 2],beiden wonende te [plaats 1],
3. [eiser 3],wonende te [plaats 2],
eisers
hierna gezamenlijk te noemen: de passagiers
gemachtigde: Yource B.V.
tegen
de rechtspersoon naar buitenlands recht
Delta Air Lines Inc.
gevestigd te Wilmington (Verenigde Staten)
gedaagde
hierna te noemen: de vervoerder
gemachtigde: mr. M. Lustenhouwer
1 Het procesverloop
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding:
- de conclusie van antwoord;
- de conclusie van repliek;
- de conclusie van dupliek.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2 Feiten
De passagiers hebben met de vervoerder een vervoersovereenkomst gesloten. Op grond daarvan moest de vervoerder hen op 4 september 2022 vervoeren van Amsterdam Schiphol naar New York City JFK (Verenigde Staten), met vlucht DL47 (hierna: de vlucht).
De passagiers zijn met een vertraging van meer dan drie uur aangekomen op de eindbestemming.
De passagiers hebben compensatie van de vervoerder gevorderd.
De vervoerder heeft niet uitbetaald.
3. Het geschil
De passagiers vorderen dat de vervoerder, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis, veroordeeld zal worden tot betaling van:- € 1.800,00, te vermeerderen met de wettelijke rente;- € 326,70 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met wettelijke rente;- de proceskosten en de nakosten.
Daarnaast vorderen de passagiers afgifte van een certificaat zoals bedoeld in artikel 53 van de herziene EEX-Verordening.
De passagiers baseren hun vordering op de Verordening (EG) nr. 261/2004 (hierna: de Verordening) en de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof). De passagiers stellen dat de vervoerder hen vanwege de vertraging van de vlucht moet compenseren met een bedrag van € 600,00 per passagier (artikel 7 van de Verordening).
De vervoerder betwist de vordering. Op zijn verweer wordt bij de beoordeling van het geschil ingegaan.
4 De beoordeling
De kantonrechter stelt ambtshalve vast dat hij bevoegd is om van de vordering kennis te nemen.
Compensatie
De vervoerder heeft erkend dat de passagiers sub 1 en sub 2 recht hebben op compensatie. Dit deel van de vordering ligt daarom voor directe toewijzing gereed.
Ten aanzien van de passagier sub 3 heeft de vervoerder aangevoerd dat hij de compensatie reeds heeft uitgekeerd. Ter onderbouwing daarvan heeft hij een betalingsbewijs overgelegd. Uit dit betalingsbewijs volgt dat de betaling is gekoppeld aan het referentienummer van passagier ‘Robin de Zeeuw’ (1310511222). De vervoerder heeft in dit verband aangevoerd dat bij de betaling per abuis een verkeerd kenmerk is ingevoerd. Volgens de vervoerder had Yource kunnen en moeten weten dat deze betaling op een vergissing berust, aangezien de vordering van passagier De Zeeuw meermaals is afgewezen.
De kantonrechter overweegt dat wat daar ook van zij, fouten bij het invoeren van de betalingsgegevens in beginsel voor rekening van de vervoerder komen. Het is begrijpelijk dat Yource de betaling heeft opgevat als een betaling aan passagier De Zeeuw. Het enkele feit dat de vervoerder meermaals heeft aangegeven dat passagier De Zeeuw géén recht heeft op compensatie, maakt dat niet anders. Het is dan ook niet gebleken dat de vervoerder reeds bevrijdend aan Yource heeft betaald. Dat betekent dat ook het deel van de vordering dat ziet op de passagier sub 3 wordt toegewezen.
Nevenvorderingen
Resteert de vraag of de vervoerder rauwelijks is gedagvaard. De vervoerder heeft bij conclusie van dupliek erkend dat zij op 6 oktober 2022 (via haar care centre) een aanmaning van de passagier sub 1 heeft ontvangen. Uit het door de passagiers overgelegde afschrift van deze aanmaning, blijkt dat de aanmaning óók betrekking heeft op de medereiziger van de passagier sub 1, te weten de passagier sub 2. Dat de passagier sub 3 in de buitengerechtelijke fase om compensatie heeft verzocht, staat in deze zaak niet ter discussie. De conclusie is dan ook dat de passagiers de vervoerder voldoende mogelijkheid hebben geboden om het geschil buiten rechte op te lossen. Van rauwelijks dagvaarden is dan ook geen sprake.
De passagiers hebben een bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten gevorderd. De vordering heeft geen betrekking op één van de situaties waarin het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten van toepassing is. Daarom moet de kantonrechter de vraag of buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd zijn, toetsen aan het rapport Voorwerk II. De passagiers hebben onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de verrichte werkzaamheden meer hebben omvat dan de verzending van een enkele (eventueel herhaalde) aanmaning, het enkel doen van een schikkingsvoorstel, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier. De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten (en de daarover gevorderde rente) moet daarom worden afgewezen.
Het gevorderde certificaat wordt wegens gebrek aan belang afgewezen.
De vervoerder is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van de passagiers worden begroot op:
| - kosten van de dagvaarding | € | 129,14 | |
| - griffierecht | € | 244,00 | |
| - salaris gemachtigde | € | 408,00 | (2 punten × € 204,00) |
| - nakosten | € | 102,00 | (plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing) |
| Totaal | € | 883,14 |
5. De beslissing
De kantonrechter:
veroordeelt de vervoerder tot betaling aan de passagiers van € 1.800,00, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 4 september 2022 tot de dag van de gehele betaling;
veroordeelt de vervoerder in de proceskosten van € 883,14, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als de vervoerder niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.N. Schipper, kantonrechter en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van bovengenoemde datum in aanwezigheid van de griffier.
De griffier De kantonrechter
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.