Uitspraak · Verbintenissenrecht

Rechtbank Noord-Holland, 4 februari 2026

ECLI:NL:RBNHO:2026:4239Zaaknummer 11330272

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
4 februari 2026
Publicatiedatum
30 juli 2026
Zaaknummer
11330272
Rechtsgebied
Civiel recht, Verbintenissenrecht
Procedure
Bodemzaak
Zittingsplaats
Haarlem
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Hoofdsom erkend, geschil over de BIK. Aangezien de BIK wordt afgewezen ziet de ktr aanleiding om de proceskosten te compenseren.

5 De beslissing

De kantonrechter:

5.1.

veroordeelt de vervoerder tot betaling aan de passagiers van € 2.400,00, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 14 augustus 2023;

5.2.

bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;

5.3.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

5.4.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.N. Schipper, kantonrechter en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van bovengenoemde datum in aanwezigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. 1 Het procesverloop
  2. 2 Feiten
  3. 3 Het geschil
  4. 4 De beoordeling
  5. 5 De beslissing

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Insolventie

locatie Haarlem

Zaaknr./rolnr.: 11330272 \ CV EXPL 24-6893

Uitspraakdatum: 4 februari 2026

Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:

1 [eiser 1],

2. [eiser 2]beiden pro se en in hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger voor hun minderjarige kind 3. [minderjarige],allen wonende te [plaats],

eisers

hierna gezamenlijk te noemen: de passagiers

gemachtigde: Yource B.V.

tegen

de rechtspersoon naar buitenlands recht

Delta Air Lines Inc.

gevestigd te Schiphol

gedaagde

hierna te noemen: de vervoerder

gemachtigde: mr. M. Lustenhouwer

1 Het procesverloop

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding:

- de conclusie van antwoord;

- de conclusie van repliek;

- de conclusie van dupliek.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 Feiten

2.1.

De passagiers hebben met de vervoerder een vervoersovereenkomst gesloten. Op grond daarvan moest de vervoerder hen op 14 augustus 2023 vervoeren van Amsterdam via Atlanta (Verenigde Staten) naar Miami (Verenigde Staten), met vluchten DL71 en DL1328.

2.2.

De passagiers zijn met een vertraging van meer dan drie uur aangekomen op de eindbestemming.

2.3.

De passagiers hebben daarom compensatie van de vervoerder gevorderd.

2.4.

De vervoerder heeft op 10 december 2024 een schikkingsvoorstel gedaan.

3 Het geschil

3.1.

De passagiers vorderen dat de vervoerder, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis, veroordeeld zal worden tot betaling van:- € 2.400,00, te vermeerderen met de wettelijke rente;- € 435,60 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met wettelijke rente;- de proceskosten en de nakosten.

3.2.

De passagiers baseren hun vordering op de Verordening (EG) nr. 261/2004 (hierna: de Verordening) en de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof). De passagiers stellen dat de vervoerder hen vanwege de vertraging van de vlucht moet compenseren met een bedrag van € 600,00 per passagier (artikel 7 van de Verordening).

3.3.

De vervoerder betwist de vordering (gedeeltelijk). Op zijn verweer wordt bij de beoordeling van het geschil ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

De kantonrechter stelt ambtshalve vast dat hij bevoegd is om van de vordering kennis te nemen.

4.2.

De vervoerder heeft geen verweer gevoerd tegen de gevorderde compensatie, zodat deze zal worden toegewezen. Ten aanzien van de gevorderde wettelijke rente over de compensatie overweegt de kantonrechter dat sprake is van een vordering tot vergoeding van forfaitair berekende schade. Deze schade is terstond opeisbaar. Dat betekent dat het verzuim zonder ingebrekestelling intreedt op het moment dat de schade wordt geacht te zijn geleden. De wettelijke rente over de hoofdsom wordt daarom toegewezen vanaf de datum van de vlucht, 14 augustus 2023.

4.3.

Ter voorkoming van een (verdere) procedure heeft de vervoerder op 10 december 2024 aangeboden om de hoofdsom, de wettelijke rente en de proceskosten (het griffierecht, 1 punt salaris gemachtigde en de explootkosten) te voldoen. De passagiers hebben dit voorstel afgewezen, omdat zij buitengerechtelijke kosten hebben gemaakt die een afzonderlijke vergoeding rechtvaardigen. De kantonrechter volgt deze stelling niet. Naar het oordeel van de kantonrechter hebben passagiers onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de verrichte werkzaamheden meer hebben omvat dan de verzending van een enkele (eventueel herhaalde) aanmaning, het enkel doen van een schikkingsvoorstel, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier. De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten (en de daarover gevorderde rente) moet daarom worden afgewezen. De kantonrechter ziet gelet op deze uitkomst aanleiding om de proceskosten te compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.

5 De beslissing

De kantonrechter:

5.1.

veroordeelt de vervoerder tot betaling aan de passagiers van € 2.400,00, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 14 augustus 2023;

5.2.

bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;

5.3.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

5.4.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.N. Schipper, kantonrechter en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van bovengenoemde datum in aanwezigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.