Uitspraak · Verbintenissenrecht

Rechtbank Noord-Holland, 28 januari 2026

ECLI:NL:RBNHO:2026:4236Zaaknummer 11379216

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
28 januari 2026
Publicatiedatum
30 juli 2026
Zaaknummer
11379216
Rechtsgebied
Civiel recht, Verbintenissenrecht
Procedure
Bodemzaak
Zittingsplaats
Haarlem
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

De hoofdsom is betaald. De kantonrechter vindt het aannemelijk dat de passagier het schikkingsvoorstel van de vervoerder van de hand heeft gewezen vanwege het feit dat de BIK niet werd aangeboden. Aangezien de BIK in deze procedure wordt afgewezen, ziet de kantonrechter aanleiding om de proceskosten te compenseren.

5 De beslissing

De kantonrechter:

5.1.

veroordeelt de vervoerder tot betaling aan de passagier van de wettelijke rente over € 600,00 vanaf 6 juni 2024 tot 11 oktober 2024;

5.2.

bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;

5.3.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

5.4.

wijst de vordering voor het overige af.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.N. Schipper, kantonrechter en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van bovengenoemde datum in aanwezigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. 1 Het procesverloop
  2. 2 Feiten
  3. 3 Het geschil
  4. 4 De beoordeling
  5. 5 De beslissing

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Insolventie

locatie Haarlem

Zaaknr./rolnr.: 11379216 \ CV EXPL 24-7620

Uitspraakdatum: 28 januari 2026

Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:

[eiseres]

wonende te [plaats]

eiseres

hierna te noemen: de passagier

gemachtigde: Yource B.V.

tegen

de rechtspersoon naar buitenlands recht

Delta Air Lines Inc.

gevestigd te Schiphol

gedaagde

hierna te noemen: de vervoerder

gemachtigde: mr. M. Lustenhouwer

1 Het procesverloop

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding:

- de conclusie van antwoord;

- de conclusie van repliek;

- de conclusie van dupliek.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 Feiten

2.1.

De passagier heeft met de vervoerder een vervoersovereenkomst gesloten. Op grond daarvan moest de vervoerder haar op 6 juni 2024 vervoeren van Amsterdam naar New York JFK (Verenigde Staten), met vlucht DL49 (hierna: de vlucht).

2.2.

De vervoerder heeft de vlucht geannuleerd.

2.3.

De passagier heeft daarom om compensatie van de vervoerder verzocht.

2.4.

De vervoerder heeft de compensatie op 11 oktober 2024 voldaan.

2.5.

Op 7 januari 2025 heeft de vervoerder aangeboden om daarnaast een bedrag van € 153,00 aan reeds gemaakte proceskosten te vergoeden.

3 Het geschil

3.1.

De passagier vordert dat de vervoerder, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis, veroordeeld zal worden tot betaling van:- € 600,00, te vermeerderen met de wettelijke rente;- € 108,90 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met wettelijke rente;- de proceskosten en de nakosten.

3.2.

De passagier baseert haar vordering op de Verordening (EG) nr. 261/2004 (hierna: de Verordening) en de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof). De passagier stelt dat de vervoerder haar vanwege de annulering van de vlucht moet compenseren met een bedrag van € 600,00 (artikel 7 van de Verordening).

3.3.

De vervoerder betwist de vordering. Op zijn verweer wordt bij de beoordeling van het geschil ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

De kantonrechter stelt ambtshalve vast dat hij bevoegd is om van de vordering kennis te nemen.

4.2.

Tussen partijen is niet in geschil dat de vervoerder de verschuldigde compensatie inmiddels heeft voldaan. De vordering tot compensatie wordt daarom afgewezen. De vervoerder is echter nog wel de wettelijke rente verschuldigd. De wettelijke rente zal worden toegewezen over de periode vanaf 6 juni 2024 tot 11 oktober 2024.

4.3.

Vaststaat dat de vervoerder de vordering eerst na dagvaarding heeft voldaan. Ter voorkoming van een procedure heeft de vervoerder op 7 januari 2025 aangeboden de explootkosten te voldoen. Het griffierecht is niet aangeboden, aangezien het voorstel nog voor de eerst dienende dag is gedaan. De passagier heeft niet toegelicht waarom zij het voorstel van de vervoerder van de hand heeft gewezen. De kantonrechter acht het aannemelijk dat de reden daarvoor is geleden in de vordering tot vergoeding van de buitengerechtelijke incassokosten. De passagier heeft echter onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de verrichte werkzaamheden meer hebben omvat dan de verzending van een enkele (eventueel herhaalde) aanmaning, het enkel doen van een schikkingsvoorstel, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier. De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten (en de daarover gevorderde rente) moet daarom worden afgewezen. De kantonrechter ziet gelet op deze uitkomst aanleiding om de proceskosten te compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.

5 De beslissing

De kantonrechter:

5.1.

veroordeelt de vervoerder tot betaling aan de passagier van de wettelijke rente over € 600,00 vanaf 6 juni 2024 tot 11 oktober 2024;

5.2.

bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;

5.3.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

5.4.

wijst de vordering voor het overige af.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.N. Schipper, kantonrechter en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van bovengenoemde datum in aanwezigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.