Uitspraak · Bestuursrecht
Rechtbank Noord-Holland, 9 april 2026
ECLI:NL:RBNHO:2026:4227Zaaknummer HAA 26/1801
- Instantie
- Rechtbank Noord-Holland
- Datum uitspraak
- 9 april 2026
- Publicatiedatum
- 21 april 2026
- Zaaknummer
- HAA 26/1801
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht
- Procedure
- Voorlopige voorziening
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Deze mondelinge uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de weigering van het college om verzoekers (afkomstig uit de Oekraïne) op te vangen en in te schrijven in de Basisregistratie personen (Brp). De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe. Het college heeft een resultaatsverplichting en niet slechts een inspanningsverplichting.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Zittingsplaats Alkmaar
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 26/1801
proces verbaal van de mondeling uitspraak van de voorzieningenrechter van 9 april 2026 in de zaak tussen
[verzoekers] , verzoekers,(gemachtigde: mr. L.A. Fischer)
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zaanstad, het college,(gemachtigde: mr. C.J. Loggen-ten Hoopen)
Samenvatting
Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de weigering van het college om verzoekers op te vangen en in te schrijven in de Basisregistratie personen (Brp). Verzoekers zijn het hier niet mee eens. Zij hebben hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek toe. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Inleiding
Verzoekers zijn Oekraïners en hebben op 15 maart 2026 een e-mail aan noodopvang@zaanstad.nl gestuurd. Zij hebben daarin geschreven de Oekraïne te hebben ontvlucht vanwege de oorlog, geen geld te hebben en nergens heen te kunnen. Zij hebben verzocht om een (tijdelijke) veilige opvangplek.
De coördinator vluchtelingenopvang en projectleider, afdeling projecten, van de gemeente Zaanstad heeft hierop op 16 maart 2026 per e-mail gereageerd. Vermeld is dat er geen opvangplekken meer zijn voor Oekraïense vluchtelingen in Zaanstad en omgeving. De bezettingsgraad in Nederland is 99,8%. Gelet hierop is de kans dat zij een plek in Nederland vinden is volgens haar dan ook nihil.
Verzoekers hebben hiertegen op 17 maart 2026 bezwaar gemaakt. Het bezwaar richt zich tegen het niet toelaten tot de gemeentelijke opvang voor ontheemden uit Oekraïne en de weigering om hun asielaanvraag te registreren. Verzoekers wijzen op de verplichtingen die op het college rusten zoals neergelegd in de Richtlijn Tijdelijke Bescherming van de Europese Unie (hierna de Europese Richtlijn).[_55806cfa-c8b9-4709-9dc4-8bf19cf27d0a] De verplichting om hen in te schrijven in de Brp volgt volgens verzoekers uit de Vreemdelingenwet en uit de Wet Brp zelf. Van het college wordt een proactieve houding verwacht.
Het college heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift. Daarin heeft het college gesteld dat er sprake is van een inspanningsverplichting. In de gemeente is geen enkele opvangplek meer beschikbaar. Verder heeft het college aangevoerd dat artikel 3 van de Regeling opvang ontheemden Oekraïne (Rooo) een ‘kan’ bepaling betreft, zodat geen sprake is van een resultaatverplichting.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 9 april 2026 op zitting behandeld. Per e-mailbericht van 8 april 2026 heeft de gemachtigde van verzoekers bericht dat zij niet zal verschijnen en haar cliënten evenmin. Wel hebben deelgenomen: de gemachtigde van het college en mevrouw [naam], namens het college.
Na afloop van de zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak gedaan.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
De voorzieningenrechter overweegt allereerst dat verzoekers evident een beroep hebben gedaan op de Europese Richtlijn en de Rooo en dat de e-mail houdende de weigering om opvang te verlenen naar aanleiding van de aanvraag van verzoekers, kan worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb.Verder overweegt de voorzieningenrechter dat uit het verweerschrift volgt en ter zitting is bevestigd dat verzoekers inmiddels zijn ingeschreven in het Brp, en dat zij tijdelijk zijn opgevangen in een hotel in Oostzaan, nadat de rechtbank een ordemaatregel had afgegeven.
Verzoekers verzoeken de voorzieningenrechter te bepalen dat deze tijdelijke opvang moet worden verlengd in afwachting van de uitkomst van de bezwaarprocedure. De voorzieningenrechter is van oordeel dat, gezien de ontstane situatie, verzoekers een spoedeisend belang hebben.
Bij de beoordeling van het verzoek is de volgende regelgeving van belang. In de Europese richtlijn, meer in het bijzonder artikel 13, eerste lid, en artikel 25, worden de lidstaten opgedragen om voor opvang van begunstigden van tijdelijke bescherming zorg te dragen. Uit artikel 13 van de Europese Richtlijn volgt dat de opvang een ‘fatsoenlijk onderkomen’ moet betreffen. Voor ontheemden Oekraïners is de opvang geregeld in de Tijdelijke wet opvang ontheemden Oekraïne. In artikel 2 van deze Tijdelijke Wet is bepaald dat het college de zorg voor de materiële en immateriële opvang draagt van ontheemden. Dit is verder uitgewerkt in de Rooo. Het college van de gemeente waar een verzoeker zich meldt, draagt zorg voor de opvang. In dit geval, de gemeente Zaanstad.In artikel 25, derde lid, van de Europese richtlijn is nog bepaald dat als het aantal personen de opvangcapaciteit te boven gaat, er passende maatregelen moeten worden genomen en aanvullende steun moet worden verleend.
Het betreft derhalve een verplichting opgelegd aan de lidstaten, waarvan de uitvoering van de onderhavige opvang door de Minister is opgedragen aan de colleges. De Minister bepaalt of een verzoeker wordt aangemerkt als een ontheemde Oekraïner. De opvang wordt vanuit het Ministerie bekostigd op grond van de Bekostigingsregeling opvang ontheemden Oekraïne.
Tussen het Rijk en de colleges is sprake van een inspanningsverplichting om het benodigde aantal opvangplekken te realiseren. Het opvangen van ontheemden betreft een resultaatsverplichting. Dit volgt niet alleen uit vermelde regelgeving, maar is inmiddels door diverse rechtbanken bevestigd. Er is geen grondslag voor het weigeren van opvang in een situatie dat er geen opvangplekken beschikbaar zijn. In dat geval kan het college, met gebruikmaking van artikel 3 van de Rooo in een alternatieve opvang voorzien.In het van rijkswege opgestelde Naslagwerk voor de Gemeentelijke Opvang Oekraïners 2026 (GOO) wordt ten behoeve van de gemeenten nader toegelicht wat de regelingen omvatten. Op pagina 20 van dit Naslagwerk wordt, onder meer, nadrukkelijk gewezen op de plicht tot opvang, die voortkomt uit de Europese Richtlijn en dat gemeenten er aan gebonden zijn ontheemden te voorzien in hun elementaire levensbehoeften, zoals voedsel en onderdak. Ook wordt nog vermeld dat het niet is toegestaan ontheemden die recht hebben op opvang zonder meer uit de locatie te zetten, ook niet tijdelijk.
Al het voorgaande betekent dat het college ten onrechte in de veronderstelling verkeerd dat het college bepaalt of er wel of geen opvang zal worden verleend indien een Oekraïner om opvang en inschrijving verzoekt. Uit vermelde regelgeving volgt dat het college aan het verzoek dient te voldoen en uitvoering dient te geven, omdat sprake is van een resultaatsverplichting.
Het college heeft de ‘kan’ bepaling van artikel 3 van de Rooo in die zin verkeerd uitgelegd. Dat artikel ziet op de mogelijkheid om – in geval de opvanglocatie vol zit – een alternatieve opvangplek aan te bieden. Het biedt geen mogelijkheid om opvang (en inschrijving) te weigeren. Dat kan alleen op grond van artikel 4 van de Rooo. Daarbij geldt nog dat in het onderhavige geval desgevraagd ter zitting is bevestigd dat van de weigeringsgronden als vermeld in artikel 4 van de Rooo geen sprake is.
De voorzieningenrechter begrijpt dat het college zich gesteld ziet voor een moeilijke taak, maar dat laat de wettelijke verantwoordelijkheid van het college om voor opvang van ontheemden zorg te dragen onverlet. Het ontslaat het college niet van de verplichting om zo nodig voor alternatieve opvang zorg te dragen. In de Bekostigingsregeling als voornoemd, is in een dergelijke situatie ook voorzien. Dat verzoekers nu tijdelijk worden opgevangen elders “op kosten van het college” kan in die zin dan ook niet worden gevolgd.
De conclusie kan geen andere zijn dan dat het zeer aannemelijk is dat het bezwaar kans van slagen heeft. Dat geldt bovendien, nu niet duidelijk is geworden, ook niet ter zitting, of de ambtenaar die het verzoek heeft afgewezen wel gemandateerd was om dergelijke besluiten namens het college te nemen.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe op hierna te vermelden wijze.
Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst moet het college het griffierecht aan verzoekers vergoeden. Daarom krijgen verzoekers ook een vergoeding van hun proceskosten. Het college moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding wordt berekend op grond van het besluit proceskosten bestuursrecht en bedraagt € 934,-- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift met wegingsfactor 1). Beslissing
De voorzieningenrechter:- wijst het verzoek om voorlopige voorziening toe;- bepaalt dat het college verzoekers moet inschrijven en moet voorzien van passende opvang als bedoeld in de Europese richtlijn, tot in ieder geval zes weken na de te nemen beslissing op het bezwaar van verzoekers;- draagt het college op het door verzoekers betaalde griffierecht van € 54,-- te vergoeden;- veroordeelt het college tot betaling van € 934,-- aan proceskosten aan verzoekers.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.M. de Vries, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van F. Voskamp, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 9 april 2026.
| griffier | voorzieningenrechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.