Uitspraak · Verbintenissenrecht
Rechtbank Noord-Holland, 11 februari 2026
ECLI:NL:RBNHO:2026:3863Zaaknummer 11293319 \ CV EXPL 24-6120
- Instantie
- Rechtbank Noord-Holland
- Datum uitspraak
- 11 februari 2026
- Publicatiedatum
- 24 juli 2026
- Zaaknummer
- 11293319 \ CV EXPL 24-6120
- Rechtsgebied
- Civiel recht, Verbintenissenrecht
- Procedure
- Bodemzaak
- Zittingsplaats
- Haarlem
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Luchtvaart; Vertraging. De vervoerder heeft geen verweer gevoerd tegen de vordering. De vordering van passagiers wordt (gedeeltelijk) toegewezen.
5 De beslissing
De kantonrechter:
veroordeelt de vervoerder tot betaling aan de passagiers van € 2.400,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 7 maart 2023, tot aan de dag van voldoening van dit bedrag;
veroordeelt de vervoerder tot betaling van de proceskosten die aan de kant van de passagiers tot en met vandaag worden begroot op de bedragen zoals deze hieronder zijn gespecificeerd:
dagvaarding € 135,97;griffierecht € 248,00;salaris gemachtigde € 542,50;
veroordeelt de vervoerder tot betaling van € 108,50 aan nakosten, voor zover de passagiers daadwerkelijk nakosten zullen maken;
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. S. Kleij, kantonrechter en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van bovengenoemde datum in aanwezigheid van de griffier.
De griffier De kantonrechter
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Handel, Kanton en Insolventie
locatie Haarlem
Zaaknr./rolnr.: 11293319 \ CV24-6120
Uitspraakdatum: 11 februari 2026
Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:
1 [eiser 1], wonende te [plaats 1]
2. [eiser 2]wonende te [plaats 2]
3. [eiser 3]wonende te [plaats 1], pro se en handelend als wettelijk vertegenwoordiger van het minderjarige kind [minderjarige],
4. [eiser 4]wonende te [plaats 3], pro se en handelend als wettelijk vertegenwoordiger van het minderjarige kind [minderjarige],
eisers
hierna gezamenlijk te noemen: de passagiers
gemachtigde: [gemachtigde] (Yource B.V.)
tegen
de vennootschap naar buitenlands recht
Air Europa Lineas Aereas S.A.
gevestigd te Baleares (Spanje)
gedaagde
hierna te noemen: de vervoerder
gemachtigde: mr. N. Bekri (De La Fuente advocaten)
De zaak in het kort
De passagiers hebben van de vervoerder compensatie gevraagd voor een meer dan 3 uur vertraagde vlucht. De vervoerder heeft geen verweer gevoerd tegen de vordering. De vordering van passagiers wordt (gedeeltelijk) toegewezen.
1 Het procesverloop
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding:
- de conclusie van antwoord;
- de conclusie van repliek;
- de conclusie van dupliek.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2 De feiten
De passagiers hebben een vervoersovereenkomst gesloten. Op grond daarvan moest de vervoerder hen op 6 en 7 maart 2023 vervoeren van Las Américas International Airport, Santo Domingo (Dominicaans Republiek), via Madrid-Barajas Airport (Spanje), naar Amsterdam-Schiphol Airport, met vluchtnummers UX88 en UW1093.
De vervoerder heeft vlucht UX88 van Santo Domingo naar Madrid (hierna: de vlucht) vertraagd uitgevoerd. Hij heeft de passagiers omgeboekt naar een alternatieve vlucht. Hierdoor zijn de passagiers met een vertraging van meer dan drie uur aangekomen op de eindbestemming.
De passagiers hebben daarom compensatie van de vervoerder gevorderd.
De vervoerder heeft niet uitbetaald.
3 Het geschil
De passagiers vorderen dat de vervoerder, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis, veroordeeld zal worden tot betaling van:- € 3.000,00, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de dag van de vlucht tot aan de dag der algehele voldoening;- € 514,25 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf de dag van de dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening;- de proceskosten en de nakosten.
Ook verzoeken de passagiers de kantonrechter om een certificaat af te geven als bedoeld in artikel 53 van de herziene EEX-Verordening 1215/2012 (hierna: de Brussel I bis-Verordening).
De passagiers baseren hun vordering op de Verordening (EG) nr. 261/2004 (hierna: de Verordening) en de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof). De passagiers stellen dat de vervoerder hen vanwege de vertraging van de vlucht moet compenseren met een bedrag van € 600,00 per passagier (artikel 7 van de Verordening).
De vervoerder voert verweer. Op zijn verweer wordt bij de beoordeling ingegaan.
4 De beoordeling
De kantonrechter stelt ambtshalve vast dat zij bevoegd is om van de vordering kennis te nemen.
De kantonrechter moet ook ambtshalve beoordelen of de passagiers in hun vordering kunnen worden ontvangen. Vast staat dat [minderjarige] op het moment van het indienen van de dagvaarding niet bekwaam was om zelfstandig in rechte op te treden, omdat zij minderjarig was.
Passagiers [eiser 3] en [eiser 4] hebben de dagvaarding namens zichzelf ingediend en in hun hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger voor hun minderjarige kind. Voor zover de passagiers in hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger optreden, moeten zij over een machtiging van de kantonrechter beschikken.[_69d33cde-2202-40c7-bf3c-d6eff9dee86c] Zij hebben echter geen dergelijke machtiging overgelegd en daarmee niet onderbouwd dat zij hierover beschikken. Daarom zal de kantonrechter de passagiers niet-ontvankelijk verklaren, voor zover zij handelen in hun hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger voor de minderjarige kind.
Het gedeelte van de hoofdsom dat betrekking heeft op de compensatie voor [minderjarige] zal daarom worden afgewezen.
Voor de vordering tot compensatie geldt dat de daarover gevorderde rente toewijsbaar is met ingang van de datum waarop de passagiers schade hebben geleden. Dat is de datum waarop de passagiers op de eindbestemming hadden moeten aankomen. Het gaat om een vordering tot vergoeding van forfaitair berekende schade, zodat deze schade meteen opeisbaar is.[_3fef483a-e622-41f4-8211-ae6f1f31c245] Het verzuim treedt zonder ingebrekestelling in op het moment dat de schade geacht wordt te zijn geleden. De wettelijke rente over de compensatie wordt daarom toegewezen vanaf 7 maart 2023.
De passagiers hebben een bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten gevorderd. De vordering heeft geen betrekking op één van de situaties waarin het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten van toepassing is. Daarom moet de kantonrechter de vraag of buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd zijn, toetsen aan het rapport Voorwerk II. De passagiers hebben onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de verrichte werkzaamheden meer hebben omvat dan de verzending van een enkele (eventueel herhaalde) aanmaning, het enkel doen van een schikkingsvoorstel, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier. De bij repliek overgelegde aanmaningen maken dit niet anders omdat deze betrekking hebben op bijna 100 verschillende dossiers, zodat hieruit niet zonder meer volgt dat de passagier in kwestie buitengerechtelijke incassokosten heeft gemaakt. De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten (en de daarover gevorderde rente) moet daarom worden afgewezen.
De vervoerder zal in het ongelijk worden gesteld. Daarom zal hij worden veroordeeld in de kosten van de procedure. Ook de nakosten worden toegewezen, voor zover deze kosten daadwerkelijk door de passagiers worden gemaakt.
De gevorderde afgifte van het certificaat als bedoeld in artikel 53 van de Brussel I bis-Verordening wordt bij gebrek aan belang afgewezen. Een dergelijk certificaat is bedoeld voor de tenuitvoerlegging van beslissingen in een EU-lidstaat en de vervoerder is niet in een lidstaat gevestigd.
5 De beslissing
De kantonrechter:
veroordeelt de vervoerder tot betaling aan de passagiers van € 2.400,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 7 maart 2023, tot aan de dag van voldoening van dit bedrag;
veroordeelt de vervoerder tot betaling van de proceskosten die aan de kant van de passagiers tot en met vandaag worden begroot op de bedragen zoals deze hieronder zijn gespecificeerd:
dagvaarding € 135,97;griffierecht € 248,00;salaris gemachtigde € 542,50;
veroordeelt de vervoerder tot betaling van € 108,50 aan nakosten, voor zover de passagiers daadwerkelijk nakosten zullen maken;
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. S. Kleij, kantonrechter en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van bovengenoemde datum in aanwezigheid van de griffier.
De griffier De kantonrechter
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.