Uitspraak · Personen- en familierecht
Rechtbank Noord-Holland, 17 maart 2026
ECLI:NL:RBNHO:2026:3781Zaaknummer C/15/374823 / JU RK 26-278
- Instantie
- Rechtbank Noord-Holland
- Datum uitspraak
- 17 maart 2026
- Publicatiedatum
- 24 augustus 2026
- Zaaknummer
- C/15/374823 / JU RK 26-278
- Rechtsgebied
- Civiel recht, Personen- en familierecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Zittingsplaats
- Haarlem
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige bij de moeder voor de duur van de ondertoezichtstelling. Op dit moment heeft de minderjarige geen ruimte voor contact herstel met de vader. Voor de komende periode is het van belang dat onderzoek wordt gedaan naar de complexe problematiek bij de minderjarige en uitspraken over mishandeling en seksueel misbruik. Het contact tussen de ouders dient door middel van hulpverlening te worden hersteld en verder dient er onderzocht te worden wat de mogelijkheden zij om toe te werken aan contactherstel tussen de minderjarige en de vader.
7 De beslissing
De kinderrechter:
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] bij de moeder tot 10 oktober 2026;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
| Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 17 maart 2026 door mr. B.M.A. Bataille, kinderrechter, in aanwezigheid van B.H.E. Zuidam en S.M.J. Boon als griffiers, en op schrift gesteld op 3 april 2026. |
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Amsterdam. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
- degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Haarlem
Zaaknummer: C/15/374823 / JU RK 26-278
Datum uitspraak: 17 maart 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling De Jeugd- & Gezinsbeschermers,
gevestigd te Amsterdam,
hierna te noemen de GI,
over
[de minderjarige], geboren op [geboortedatum] in [plaats],
hierna te noemen [de minderjarige].
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen de moeder,
wonende in [plaats],
advocaat: mr. D.E. Post, kantoorhoudende te Heerhugowaard.
[de vader],
hierna te noemen de vader,
wonende in [plaats].
advocaat: mr. A. Krim, kantoorhoudende te Haarlem.
1 Het verloop van de procedure
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 9 februari 2026;
- de brief, met bijlagen, van de zijde van de vader van 12 maart 2026;
- het plan van aanpak inclusief het verslag van het verloop van de ondertoezichtstelling van de GI, ontvangen op 13 maart 2026.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 17 maart 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
- de Raad voor de Kinderbescherming, hierna te noemen de Raad, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad], als informant;
- de GI, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI].
De zaak is gelijktijdig behandeld met de bodemprocedure betreffende de zorgregeling, bij de rechtbank bekend onder zaaknummer C/15/363994 / FA RK 25-1815.
2 De feiten
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige].
Het hoofdverblijf van [de minderjarige] is – op grond van het ouderschapsplan – bij de vader
bepaald, maar [de minderjarige] verblijft bij haar moeder.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 10 oktober 2025
[de minderjarige] onder toezicht gesteld tot 10 oktober 2026. Ook heeft de kinderrechter bij
beschikking van 10 oktober 2025 een machtiging verleend [de minderjarige] uit huis te plaatsen bij de moeder tot 10 april 2026.
3 Het verzoek
De GI verzoekt de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] bij de moeder te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
De GI heeft het verzoek als volgt toegelicht.
Sinds [de minderjarige] bij de vader is weggelopen in januari 2025, heeft zij geen contact meer met hem gehad. Kenter is als hulpverlengingsinstantie betrokken, maar deze hulp staat zit nog in de beginfase. Er zijn regelmatig gesprekken geweest met [de minderjarige], die vooral nog gericht zijn op het opbouwen van een vertrouwensband. Omdat [de minderjarige] op alle gebieden in haar ontwikkeling achteruit lijkt te gaan, is het nu nog te onrustig en onveilig om stappen te zetten in het contactherstel met de vader. Gelet op het feit dat de hoofdverblijfplaats bij de vader is en de situatie momenteel onveranderd is sinds de start van het onderzoek van de Raad, is er geen andere mogelijkheid dan de machtiging tot uithuisplaatsing te verlengen met zes maanden. Binnen deze zes maanden moet er meer duidelijkheid ontstaan over de wijze waarop er kan worden toegewerkt naar contactherstel. Hoewel de vader de wens uitspreekt om weer contact te hebben met zijn dochter en zegt het moeilijk te hebben om haar niet te zien, lukt het de vader om zich te houden aan de afspraak rondom contact.
De GI heeft hier ter zitting aan toegevoegd dat de moeder en [de minderjarige] zijn aangemeld voor Videohometraining, maar het is nog onduidelijk wanneer die kan starten. De hulpverlening vanuit Kenter zal in de tussentijd worden voortgezet. De vader en de moeder hebben allebei gesprekken met hun eigen hulpverleners. Er zijn nog geen concrete stappen gezet in het contactherstel tussen [de minderjarige] en de vader. Omdat er sprake was van een wachtlijst bij de GI en een wisseling van therapeut, en [de minderjarige] emotioneel nu nog niet toe is aan contact met de vader, is het lastig om aan te kunnen geven binnen welke termijn dit plaats zou kunnen vinden. [de minderjarige] heeft eerst de tijd nodig om te wennen aan haar nieuwe therapeut. Daarnaast is het van belang dat het veilig en rustig genoeg voor haar is, voordat er stappen kunnen worden gezet in het contactherstel met de vader. Bovendien zijn ook de uitspraken van [de minderjarige] over seksueel overschrijdend gedrag en mishandeling door de vader hierop van invloed. Dit heeft ook een impasse in het contact tussen de vader en de moeder veroorzaakt. Het is dus van belang dat hiernaar onderzoek wordt gedaan en dat van daaruit (ook) aan contactherstel tussen de vader en de moeder wordt gewerkt.
4 De standpunten
De vader is het eens met het verzoek van de GI. De vader betwist dat sprake is van mishandeling en seksueel misbruik van [de minderjarige]. Hij meent dat [de minderjarige] onder grote loyaliteitsdruk dergelijke beschuldigingen aan zijn adres heeft gedaan. De vader is van mening dat er risico is op ouderonthechting, een constatering die door hulpverleners al eerder is uitgesproken. [de minderjarige] wijst de vader volledig af. Voor de vader is het een hard gelag dat hij [de minderjarige] inmiddels al meer dan een jaar niet ziet en dat, naar het er naar uit ziet, op korte termijn ook niet gaat plaatsvinden. Momenteel is er sprake van een schijnrust. Ook vanuit school worden nog steeds zorgen geuit over uitspraken van [de minderjarige]. Hoewel een wisseling van therapeut niet fijn zal zijn voor [de minderjarige], zal daar nog niet zo veel schade zijn aangericht nu de vorige therapeut heeft aangegeven dat zij in gesprekken nog aan het aftasten was. [de minderjarige] heeft nog veel stappen te zetten om vertrouwen te krijgen.
De vader is zich ervan bewust dat [de minderjarige] in de toekomst waarschijnlijk niet meer bij hem zal wonen, maar hij wil graag dat het contact met haar weer wordt hersteld.
De moeder staat ook achter het verzoek van de GI. [de minderjarige] heeft nu echt rust en hulpverlening nodig. De wisseling van hulpverlener heeft bij [de minderjarige] erg veel stress en spanning veroorzaakt, waardoor er momenteel helemaal geen sprake is van rust. Daarnaast vindt de moeder de uitspraken van [de minderjarige] over seksueel misbruik en mishandeling erg zorgelijk. Daar heeft de moeder zelf ook verwerking voor nodig.
5 De mening van de informant
De Raad heeft ter zitting naar voren gebracht dat de uithuisplaatsing bij de moeder op dit moment nog nodig is, maar het is de vraag of dat ook zo moet blijven. Gedurende de ondertoezichtstelling zal verder moet worden onderzocht of dit een passende oplossing blijft. De vader geeft namelijk zelf aan dat hij het niet ziet gebeuren dat [de minderjarige] (weer) bij hem gaat wonen, maar dat de situatie af lijkt te stevenen op een omgangsregeling. De ouders stellen de belangen van [de minderjarige] voorop maar hebben ieder daarop een andere visie. Daarnaast maken de uitspraken van [de minderjarige] over mishandeling en seksueel misbruik door de vader de situatie complex. De vraag is of dit daadwerkelijk is gebeurd of dat de uitspraken voortkomen uit het feit dat [de minderjarige] door de echtscheidingsstrijd tussen de ouders in twee werelden leeft en daardoor dergelijke uitspraken doet. Het doel is om daar meer zicht op te krijgen, waarbij het uitgangspunt is dat het contact tussen de ouders en tussen [de minderjarige] en de vader wordt hersteld.
6 De beoordeling
Op basis van de stukken en de zitting is de kinderrechter van oordeel dat de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding, onderzoek van haar geestelijke toestand en onderzoek van haar lichamelijke toestand.[_d319ca20-fa6d-4db9-8915-c78ba7efa5e4] Gebleken is dat [de minderjarige] op dit moment geen ruimte heeft voor het contactherstel met de vader; zij wijst hem nog volledig af. Het verblijf bij haar moeder is daarom nog steeds noodzakelijk, zodat rust en veiligheid kan worden geboden. Uit die situatie kan vervolgens het onderzoek naar de complexe problematiek van [de minderjarige] en de uitspraken die zij heeft gedaan over mishandeling en seksueel misbruik worden voortgezet. Daarnaast is het van belang dat het contact tussen de ouders door middel van (individuele) hulpverlening wordt hersteld en dat zij leren om in het belang van [de minderjarige] samen te werken en tot afspraken te komen. Hierbij dient ook verder te worden onderzocht wat de mogelijkheden zijn om toe te werken aan contactherstel tussen [de minderjarige] en de vader. Gelet op het voorgaande zal het verzoek worden toegewezen.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
7 De beslissing
De kinderrechter:
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] bij de moeder tot 10 oktober 2026;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
| Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 17 maart 2026 door mr. B.M.A. Bataille, kinderrechter, in aanwezigheid van B.H.E. Zuidam en S.M.J. Boon als griffiers, en op schrift gesteld op 3 april 2026. |
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Amsterdam. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
- degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.