Uitspraak · Verbintenissenrecht
Rechtbank Noord-Holland, 1 april 2026
ECLI:NL:RBNHO:2026:3513Zaaknummer 11339925 \ CV EXPL 24-7095
- Instantie
- Rechtbank Noord-Holland
- Datum uitspraak
- 1 april 2026
- Publicatiedatum
- 9 juli 2026
- Zaaknummer
- 11339925 \ CV EXPL 24-7095
- Rechtsgebied
- Civiel recht, Verbintenissenrecht
- Procedure
- Bodemzaak
- Zittingsplaats
- Haarlem
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Luchtvaart. De passagiers vorderen compensatie van de vervoerder voor een vertraagde vlucht. De vervoerder voert aan dat de vertraging het gevolg was van (de doorwerking van) buitengewone omstandigheden, te weten (met name) latere opgelegde vertrektijden door de luchtverkeersleiding. Hij heeft echter onvoldoende onderbouwd dat de luchtverkeersleiding deze latere vertrektijden ook zou hebben opgelegd als het toestel tijdig gereed zou hebben gestaan voor vertrek, hetgeen niet het gevolg was van een buitengewone omstandigheid. Het verweer slaagt daarom niet en de vorderingen worden toegewezen.
5 De beslissing
De kantonrechter:
veroordeelt de vervoerder tot betaling aan de passagiers van € 1.890,40, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 1.600,00 vanaf 14 juli 2022, en over € 290,40 vanaf 9 juli 2024, tot aan de dag van voldoening van deze bedragen;
veroordeelt de vervoerder tot betaling van de proceskosten die aan de kant van de passagiers tot en met vandaag worden begroot op de bedragen zoals deze hieronder zijn gespecificeerd:
dagvaarding € 135,97;griffierecht € 248,00;salaris gemachtigde € 542,50;
vermeerderd met de wettelijke rente over deze bedragen vanaf de datum gelegen 14 dagen na betekening van dit vonnis;
veroordeelt de vervoerder tot betaling van € 108,50 aan nakosten, voor zover de passagiers daadwerkelijk nakosten zullen maken, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum gelegen 14 dagen na betekening van dit vonnis;
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.N. Schipper, kantonrechter, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van bovengenoemde datum in aanwezigheid van de griffier.
De griffier De kantonrechter
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Handel, Kanton en Insolventie
locatie Haarlem
Zaaknr./rolnr.: 11339925 \ CV EXPL 24-7095
Uitspraakdatum: 1 april 2026
Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:
1 [eiser 1]
2. [eiser 2], pro se en in hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van haar minderjarige kinderen [minderjarige 1] en [minderjarige 2]allen wonende te [plaats]
eisers
hierna gezamenlijk te noemen: de passagiers
gemachtigde: mr. R.A.C. Telkamp (EUclaim B.V.)
tegen
de buitenlandse vennootschapTurk Havayollari A.O., tevens handelend onder de naam Turkish Airlines
gevestigd te Ankara, Turkije
gedaagde
hierna te noemen: de vervoerder
gemachtigde: mr. M.J. Leuvenink-Verwijs (LVH Advocaten)
De zaak in het kort
De passagiers vorderen compensatie van de vervoerder voor een vertraagde vlucht. De vervoerder voert aan dat de vertraging het gevolg was van (de doorwerking van) buitengewone omstandigheden, te weten (met name) latere opgelegde vertrektijden door de luchtverkeersleiding. Hij heeft echter onvoldoende onderbouwd dat de luchtverkeersleiding deze latere vertrektijden ook zou hebben opgelegd als het toestel tijdig gereed zou hebben gestaan voor vertrek, hetgeen niet het gevolg was van een buitengewone omstandigheid. Het verweer slaagt daarom niet en de vorderingen worden toegewezen.
1 Het procesverloop
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding;
- het bericht met aanvullende producties van de passagiers van 16 oktober 2024;
- de conclusie van antwoord;
- de conclusie van repliek;
- de conclusie van dupliek;- de akte eisers.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2 De feiten
De passagiers hebben een vervoersovereenkomst gesloten. Op grond daarvan moest de vervoerder hen op 14 juli 2022 vervoeren van Amsterdam-Schiphol Airport, via Istanbul, Turkije, naar Ankara, Turkije, met vluchtcombinatie TK1958 en TK2182.
De vervoerder heeft vlucht TK1958 van Amsterdam naar Istanbul (hierna: de vlucht) vertraagd uitgevoerd. De passagiers hebben de aansluitende vlucht gemist. De passagiers zijn omgeboekt naar een alternatieve vlucht waarmee zijn met een vertraging van meer dan drie uur zijn aangekomen op de eindbestemming.
De passagiers hebben daarom compensatie van de vervoerder gevorderd.
De vervoerder heeft niet uitbetaald.
Passagier sub 2 is door de kantonrechter gemachtigd om in deze procedure op te treden als wettelijk vertegenwoordiger van haar (destijds) minderjarige kinderen.
3 Het geschil
De passagiers vorderen dat de vervoerder, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis, veroordeeld zal worden tot betaling van:- € 1.600,00, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 14 juli 2022 tot aan de dag der algehele voldoening;- € 290,40 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met wettelijke rente;- de proceskosten en de nakosten, te vermeerderen met wettelijke rente.
De passagiers baseren hun vordering op de Verordening (EG) nr. 261/2004 (hierna: de Verordening) en de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof). De passagiers stellen dat de vervoerder hen vanwege de vertraging van de vlucht moet compenseren met een bedrag van € 400,- per persoon.[_243f4f36-9cac-4b2a-86a2-354fa8802ed0]
De vervoerder voert verweer. Hij voert aan dat de vertraging het gevolg was van buitengewone omstandigheden. Deze konden ondanks het treffen van alle redelijke maatregelen niet voorkomen worden.[_00a161d1-5f29-4e3a-8530-3669ed86b092]
4 De beoordeling
De kantonrechter stelt ambtshalve vast dat hij bevoegd is om van de vordering kennis te nemen.
Vast staat dat de passagiers met een vertraging van meer dan drie uur op de eindbestemming zijn aangekomen. In beginsel moet de vervoerder dan compenseren. Dit is anders als de vervoerder kan aantonen dat de vertraging het gevolg is geweest van buitengewone omstandigheden die ondanks het treffen van alle redelijke maatregelen niet voorkomen konden worden. Volgens vaste rechtspraak van het Hof is een omstandigheid buitengewoon als deze niet inherent is aan de bedrijfsactiviteit van de vervoerder en hij daar ook geen invloed op kon uitoefenen.[_33321fc4-642d-4e45-8cd8-ea79f2349004]
De vervoerder voert aan dat de vlucht in kwestie onderdeel was van de rotatievlucht Istanbul – Amsterdam – Istanbul (vluchtnummers TK1957 en TK1958). Vlucht TK1957 van Istanbul naar Amsterdam werd vertraagd uitgevoerd. Deze vertraging had de volgende oorzaken:- 10 minuten vanwege van een te kort geplande tijd aan de grond;- 10 minuten vanwege vertraging van een voorgaande vlucht;- 14 minuten vanwege een latere opgelegde vertrektijd door de luchtverkeersleiding.
De kantonrechter begrijpt dat de vervoerder stelt dat de vertraging van vlucht TK1957 met 16 minuten doorwerkte op de vlucht in kwestie. Daarnaast werd de vlucht in kwestie met 29 minuten vertraagd door opstoppingen bij de beveiliging en met nog 19 minuten door een latere opgelegde vertrektijd door de luchtverkeersleiding. Uiteindelijk is de vlucht in kwestie met 1 uur en 2 minuten vertraging aangekomen. Daardoor misten de passagiers de overstap op de aansluitende vlucht.
De passagiers betwisten dit. Zij voeren aan dat de vervoerder voorafgaand aan het vertrek van zowel vlucht TK1957 als de vlucht in kwestie zelf een latere vertrektijd aan de luchtverkeersleiding heeft doorgegeven. Zij betwisten dat de luchtverkeersleiding ook een latere vertrektijd zou hebben opgelegd als de beide vluchten tijdig gereed zouden hebben gestaan voor vertrek.
De kantonrechter overweegt als volgt. Uit het betoog van de vervoerder bij dupliek blijkt dat hij voor het gedeelte van de vertraging van vlucht TK1957 van Istanbul naar Amsterdam die het gevolg was van de langere tijd aan de grond en de vertraging van de voorgaande vlucht geen beroep doet op buitengewone omstandigheden. Dan resteren de 14 minuten die het gevolg waren van een latere opgelegde vertrektijd door de luchtverkeersleiding.
De kantonrechter oordeelt dat, gelet op de gemotiveerde betwisting door de passagiers, de vervoerder onvoldoende concreet gesteld en onderbouwd heeft dat de luchtverkeersleiding ook een latere vertrektijd aan vlucht TK1957 zou hebben opgelegd als het toestel tijdig gereed zou hebben gestaan voor vertrek. De omstandigheid dat de luchtverkeersleiding daarna een (nog) latere vertrektijd heeft opgelegd dan de door de vervoerder doorgegeven verwachte vertrektijd maakt dit niet anders. Daaruit blijkt immers niet dat de luchtverkeersleiding hiertoe ook zou zijn overgegaan als het toestel tijdig gereed gestaan had voor vertrek. Bovendien heeft de vervoerder onvoldoende concreet gesteld en onderbouwd dat de reden voor het niet tijdig gereed staan voor het vertrek gelegen was in een buitengewone omstandigheid. In tegendeel: voor de rest van de vertraging van vlucht TK1957 heeft hij juist géén beroep op buitengewone omstandigheden gedaan. Daarmee staat onvoldoende vast dat hij geen invloed had op dit gedeelte van de vertraging van vlucht TK1957 en was dit evenmin het gevolg van een buitengewone omstandigheid. Al met al was de gehele vertraging van vlucht TK1957 daarmee niet het gevolg van buitengewone omstandigheden.
Vast staat dat de vertraging van de vlucht in kwestie voor de duur van 16 minuten het gevolg was van de doorwerking van de vertraging van vlucht TK1957. Dit gedeelte van de vertraging van de vlucht was daarmee niet het gevolg van buitengewone omstandigheden.
De vervoerder heeft eerst bij dupliek aangevoerd dat hij voor de 29 minuten vertraging van de vlucht in kwestie door opstoppingen bij de beveiliging ook een beroep doet op buitengewone omstandigheden en dat dit te maken had met opstoppingen op Schiphol. In de conclusie van antwoord is hij alleen ingegaan op de vertraging door de latere opgelegde vertrektijden door de luchtverkeersleiding. Weliswaar heeft hij deze vertragingsoorzaak wel genoemd, maar hij heeft deze vertragingsoorzaak in de conclusie van antwoord in het geheel niet geconcretiseerd en slechts verwezen naar de vertragingscode. Hij heeft niet toegelicht waarom hij dit standpunt pas in dupliek heeft ingenomen en dit niet al bij antwoord naar voren heeft gebracht. Daartoe was hij op grond van het vereiste van concentratie van verweer wel gehouden.[_f92c37bc-ead4-4466-b019-e944471e6172] Omdat hij dit heeft nagelaten is het verweer tardief. De omstandigheid dat de passagiers hierna nog een akte hebben genomen maakt dit niet anders. Deze akte was immers slechts bedoeld om de passagiers in de gelegenheid te stellen om te reageren op de door de vervoerder bij dupliek overgelegde producties. Het is niet de bedoeling om bij akte het in de eerdere twee schriftelijke rondes gevoerde debat voort te zetten. Daarom hebben de passagiers niet voldoende op dit verweer van de vervoerder kunnen reageren. Dit betekent dat dit gedeelte van de vertraging van de vlucht evenmin het gevolg was van buitengewone omstandigheden.
Resteert de vertraging van 19 minuten door het opleggen van latere vertrektijden door de luchtverkeersleiding aan de vlucht in kwestie. De kantonrechter oordeelt dat de vervoerder, gelet op de gemotiveerde betwisting door de passagiers, voor dit gedeelte eveneens onvoldoende concreet heeft gesteld en onderbouwd dat de luchtverkeersleiding ook tot het opleggen van deze latere vertrektijden over zou zijn gegaan als het toestel tijdig gereed zou hebben gestaan voor vertrek. Gelet op het voorgaande was het niet tijdig gereed staan van het toestel het gevolg van omstandigheden die niet als buitengewoon worden aangemerkt. Daarmee staat onvoldoende vast dat de vervoerder geen invloed had op dit gedeelte van de vertraging en was dit gedeelte van de vertraging van de vlucht evenmin het gevolg van een buitengewone omstandigheid.
Al met al was de gehele vertraging van de vlucht in kwestie niet het gevolg van buitengewone omstandigheden. Daarom slaagt het verweer van de vervoerder niet. De vorderingen zullen worden toegewezen. De wettelijke rente over de hoofdsom is als anderszins onweersproken eveneens toewijsbaar.
De passagiers hebben een bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten gevorderd. De vervoerder betwist deze vordering. De vordering heeft geen betrekking op één van de situaties waarin het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) van toepassing is. Daarom moet de kantonrechter de vraag of buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd zijn, toetsen aan het rapport Voorwerk II. De passagiers hebben voldoende aannemelijk gemaakt dat zij buitengerechtelijke werkzaamheden hebben laten verrichten en dat hiervoor kosten zijn gemaakt. De omvang van de buitengerechtelijke incassokosten moet worden getoetst aan de tarieven uit het Besluit in plaats van aan de tarieven van het rapport Voorwerk II. De tarieven uit het Besluit worden redelijk geacht. Omdat het gevorderde bedrag niet hoger is dan het volgens het Besluit berekende tarief, zullen de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten worden toegewezen.
De gevorderde rente over de buitengerechtelijke kosten is ook toewijsbaar, behalve dat deze wordt toegewezen vanaf de datum van de dagvaarding. De passagiers hebben daar in ieder geval vanaf die datum recht op. Zij hebben niet gesteld of gebleken dat zij dit ook al vanaf een eerdere datum hadden.
De vervoerder zal in het ongelijk worden gesteld. Daarom zal hij worden veroordeeld in de kosten van de procedure. Ook de nakosten worden toegewezen, voor zover deze kosten daadwerkelijk door de passagiers worden gemaakt. De gevorderde rente over de proceskosten wordt toegewezen vanaf de datum gelegen 14 dagen na betekening van dit vonnis.
5 De beslissing
De kantonrechter:
veroordeelt de vervoerder tot betaling aan de passagiers van € 1.890,40, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 1.600,00 vanaf 14 juli 2022, en over € 290,40 vanaf 9 juli 2024, tot aan de dag van voldoening van deze bedragen;
veroordeelt de vervoerder tot betaling van de proceskosten die aan de kant van de passagiers tot en met vandaag worden begroot op de bedragen zoals deze hieronder zijn gespecificeerd:
dagvaarding € 135,97;griffierecht € 248,00;salaris gemachtigde € 542,50;
vermeerderd met de wettelijke rente over deze bedragen vanaf de datum gelegen 14 dagen na betekening van dit vonnis;
veroordeelt de vervoerder tot betaling van € 108,50 aan nakosten, voor zover de passagiers daadwerkelijk nakosten zullen maken, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum gelegen 14 dagen na betekening van dit vonnis;
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.N. Schipper, kantonrechter, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van bovengenoemde datum in aanwezigheid van de griffier.
De griffier De kantonrechter
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.