Uitspraak · Verbintenissenrecht

Rechtbank Noord-Holland, 1 april 2026

ECLI:NL:RBNHO:2026:3508Zaaknummer 11862402 \ CV EXPL 25-5754

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
1 april 2026
Publicatiedatum
14 april 2026
Zaaknummer
11862402 \ CV EXPL 25-5754
Rechtsgebied
Civiel recht, Verbintenissenrecht
Procedure
Verzet
Zittingsplaats
Haarlem
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

{eiser} is in verzet gekomen tegen een verstekvonnis waarin zij is veroordeeld tot betaling van een vergoeding voor door {gedaagde} verrichte werkzaamheden. Zij stelt dat zij al betaald heeft, twee facturen niet herkent en dat zij niet in verzuim was. {gedaagde} heeft dit gemotiveerd weersproken. Daarom slaagt de vordering van {eiser} niet. {gedaagde} heeft zijn oorspronkelijke vordering verminderd, zodat het verstekvonnis in zoverre niet in stand kan blijven. Het verstekvonnis wordt vernietigd en de verminderde vordering van {gedaagde} wordt toegewezen.

5 De beslissing

De kantonrechter

5.1.

vernietigt het verstekvonnis van 21 mei 2025 in de procedure met zaaknummer 11677381 \ CV EXPL 25-2840;

en opnieuw beslissend:

5.2.

veroordeelt [eiser] tot betaling aan [gedaagde] van € 7.441,01, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente over dat bedrag vanaf 25 maart 2025 tot aan de dag van de gehele betaling;

5.3.

veroordeelt [eiser] om aan [gedaagde] te betalen een bedrag van € 747,05 aan buitengerechtelijke kosten;

5.4.

veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 1.629,04, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;

5.5.

verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

5.6.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.J. Dijk en in het openbaar uitgesproken op 1 april 2026.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. 1 De procedure
  2. 2 De feiten
  3. 3 Het geschil
  4. 4 De beoordeling
  5. 5 De beslissing

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Civiel recht

Kantonrechter

Zittingsplaats Haarlem

Zaaknummer: 11862402 \ CV EXPL 25-5754

Vonnis van 1 april 2026

in de zaak van

[eiser] B.V.

te [plaats 1]

eisende partij in het verzet

hierna te noemen: [eiser]

gemachtigden: mr. M. Mzaoui en mr. C. Canjels

tegen

[gedaagde], handelend onder de naam [bedrijf]

te [plaats 2]

gedaagde partij in het verzet

hierna te noemen: [gedaagde]

gemachtigde: [gemachtigde]

De zaak in het kort [eiser] is in verzet gekomen tegen een verstekvonnis waarin zij is veroordeeld tot betaling van een vergoeding voor door [gedaagde] verrichte werkzaamheden. Zij stelt dat zij al betaald heeft, twee facturen niet herkent en dat zij niet in verzuim was. [gedaagde] heeft dit gemotiveerd weersproken. Daarom slaagt de vordering van [eiser] niet. [gedaagde] heeft zijn oorspronkelijke vordering verminderd, zodat het verstekvonnis in zoverre niet in stand kan blijven. Het verstekvonnis wordt vernietigd en de verminderde vordering van [gedaagde] wordt toegewezen.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding;

- het verstekvonnis van 21 mei 2025;

- de verzetdagvaarding;

- conclusie van antwoord in het verzet;

- het tussenvonnis van 1 oktober 2025;

- het bericht van 27 februari 2026 met productie van [eiser];- het bericht van 5 maart 2026 met producties van [gedaagde];- de mondelinge behandeling van 10 maart 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt. Namens [eiser] is niemand verschenen op de mondelinge behandeling.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiser] heeft een onderneming op het gebied van onder meer het beheer van datacentra. [gedaagde] heeft een onderneming op het gebied van ICT-werkzaamheden.

2.2.

Partijen zijn vanaf december 2023 één of meerdere mondelinge overeenkomst(en) van opdracht aangegaan. Hierbij hebben zij afgesproken dat [gedaagde] werkzaamheden voor [eiser] zou verrichten in datacentra van derden. [gedaagde] heeft werkzaamheden verricht.

2.3.

[gedaagde] factureerde in beginsel maandelijks achteraf, op basis van vaste uurtarieven. De uurtarieven waren afhankelijk van het tijdstip waarop de werkzaamheden plaatsvonden (overdag, ’s avonds of ’s nachts).

2.4.

[gedaagde] heeft hiervoor een aantal facturen aan [eiser] verstuurd.

3 Het geschil

3.1.

Bij inleidende dagvaarding vordert [gedaagde] dat [eiser], bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis, veroordeeld zal worden tot betaling van € 7.837,57, te vermeerderen met rente en kosten.

3.2.

[gedaagde] legt aan zijn vordering ten grondslag dat [eiser] een aantal van de gestuurde facturen (gedeeltelijk) niet heeft betaald. [eiser] is bij verstek veroordeeld tot betaling van het gevorderde.

3.3.

[eiser] is tegen het verstekvonnis in verzet gekomen en vraagt om de vorderingen van [gedaagde] alsnog af te wijzen. Zij legt aan haar vordering onder meer ten grondslag dat zij al grotendeels betaald heeft en zij betwist de juistheid van een tweetal facturen.

3.4.

Op de mondelinge behandeling heeft [gedaagde] de oorspronkelijke vordering verminderd tot een hoofdsom van € 7.441,01.

4 De beoordeling

4.1.

[eiser] stelt dat zij de door [gedaagde] gevorderde bedragen al betaald heeft. Ter onderbouwing verwijst zij naar een aantal bankafschriften.

4.2.

[gedaagde] betwist dit. Hij voert aan dat deze betalingen niet zien op de facturen waarvan hij nakoming vordert. Het gaat om betaling voor andere werkzaamheden en facturen. Dit blijkt ook uit de betaalkenmerken. Ter onderbouwing heeft hij op de mondelinge behandeling een overzicht overgelegd van de openstaande facturen en de binnengekomen betalingen van [eiser].

4.3.

Het verweer slaagt. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft [gedaagde] met de door hem overgelegde stukken en zijn toelichting daarop voldoende gemotiveerd betwist dat [eiser] al betaald heeft en voldoende onderbouwd dat de betalingen zien op andere facturen. Omdat namens [eiser] niemand op de mondelinge behandeling is verschenen, heeft zij daar niet meer op gereageerd. Daarom kan dit niet leiden tot vernietiging van het verstekvonnis.

4.4.

Daarnaast betwist [eiser] de juistheid van twee facturen uit 2024 met de nummers 19 en 27. Zij voert aan dat zij deze facturen niet herkent en ook geen opdracht voor deze eventuele werkzaamheden heeft gegeven. [gedaagde] heeft hier tegenin gebracht dat het bij beide facturen gaat om werkzaamheden voor Lotus ICT, een klant van [eiser]. Op factuur 19 heeft een medewerker van [eiser] expliciet goedkeuring gegeven per e-mail. Factuur 27 gaat om werkzaamheden voor een project in Parijs, waarvoor een andere financiële afspraak is gemaakt. De bestuurder van [eiser] is mee geweest naar dit project en was dus bekend met de werkzaamheden en de gemaakte afspraken, aldus [gedaagde].

4.5.

Dit verweer slaagt eveneens. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft [gedaagde] voldoende concreet gesteld en onderbouwd dat de facturen 19 en 27 zien op daadwerkelijk verrichte werkzaamheden en dat [eiser] daarmee heeft ingestemd. Ook hierbij geldt dat [eiser] door niet te verschijnen haar betoog niet nader (en daarmee onvoldoende) heeft onderbouwd. Het betoog dat sprake zou zijn geweest van urenfraude en dat geen werkzaamheden zouden zijn verricht is in het geheel niet onderbouwd en kan daarmee niet tot een andere conclusie leiden.

4.6.

Ten slotte betwist [eiser] dat zij in verzuim was. Zij voert aan dat zij de sommaties van de voormalige gemachtigde van [gedaagde] wel heeft ontvangen maar dat [gedaagde] haar daarin geen redelijke termijn voor nakoming heeft gegeven.

4.7.

Dit betoog slaagt niet. [eiser] heeft in de buitengerechtelijke fase inhoudelijk verweer gevoerd tegen de vorderingen. Naar het oordeel van de kantonrechter mocht [gedaagde] uit dit buitengerechtelijke verweer afleiden dat [eiser] haar verplichtingen niet na zou komen. Daarmee was [eiser] zonder nadere ingebrekestelling in verzuim en kan in het midden blijven of de in de aanmaningen opgenomen termijnen redelijk waren. [_2d362fba-83ef-42f0-a2ca-8732879a53e1]

4.8.

[eiser] heeft voor het overige geen verweer gevoerd. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [gedaagde] zijn oorspronkelijke vordering verminderd tot een bedrag van € 7.441,01. Dit betekent dat het verstekvonnis niet in stand kan blijven. De vorderingen van [gedaagde] zullen worden toegewezen tot een bedrag van € 7.441,01.

4.9.

[gedaagde] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). [gedaagde] heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. [gedaagde] heeft daarom recht op een vergoeding voor de kosten van die werkzaamheden. Daarom zal een bedrag van € 747,05 worden toegewezen.

4.10.

Gelet op de vermindering van eis heeft [gedaagde] het oorspronkelijk gevorderde bedrag aan vervallen handelsrente over een te hoog bedrag berekend. De wettelijke handelsrente zal daarom worden toegewezen over het toe te wijzen gedeelte van de hoofdsom vanaf 25 maart 2025.

4.11.

[eiser] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op:

- kosten van de dagvaarding€148,04
- griffierecht€257,00
- salaris gemachtigde€1.080,00(3 punten × € 360,00)
- nakosten€144,00(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal€1.629,04

5 De beslissing

De kantonrechter

5.1.

vernietigt het verstekvonnis van 21 mei 2025 in de procedure met zaaknummer 11677381 \ CV EXPL 25-2840;

en opnieuw beslissend:

5.2.

veroordeelt [eiser] tot betaling aan [gedaagde] van € 7.441,01, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente over dat bedrag vanaf 25 maart 2025 tot aan de dag van de gehele betaling;

5.3.

veroordeelt [eiser] om aan [gedaagde] te betalen een bedrag van € 747,05 aan buitengerechtelijke kosten;

5.4.

veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 1.629,04, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;

5.5.

verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

5.6.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.J. Dijk en in het openbaar uitgesproken op 1 april 2026.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.