Uitspraak · Personen- en familierecht

Rechtbank Noord-Holland, 6 maart 2026

ECLI:NL:RBNHO:2026:3210Zaaknummer C/15/375082 / JU RK 26-316

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
6 maart 2026
Publicatiedatum
24 augustus 2026
Zaaknummer
C/15/375082 / JU RK 26-316
Rechtsgebied
Civiel recht, Personen- en familierecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats
Haarlem
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige bij een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder voor de duur van twee maanden Gelet op de zorgen over de ontwikkeling van de minderjarige en opvoedsituatie bij de ouders is het van belang dat er rust en ruimte wordt gecreëerd om de huidige gezinspatronen te onderzoeken en zicht te krijgen op het netwerk waar de minderjarige zich in begeeft.

7 De beslissing

De kinderrechter:

7.1.

verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] bij een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder, met ingang van 24 maart 2026 tot 24 mei 2026;

7.2.

verklaart deze beslissing onder uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 6 maart 2026 door mr. B.M.A. Bataille, kinderrechter, in aanwezigheid van B.H.E. Zuidam en S.M.J. Boon als griffiers en op schrift gesteld op 24 maart 2026.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Amsterdam. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. 1 Het verloop van de procedure
  2. 2 De feiten
  3. 3 Het verzoek
  4. 4 De standpunten
  5. 5 De mening van de minderjarige
  6. 6 De (verdere) beoordeling
  7. 7 De beslissing

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Familie- en Jeugdrecht

Locatie Haarlem

Zaaknummer: C/15/375082 / JU RK 26-316

Datum uitspraak: 6 maart 2026

Beschikking van de kinderrechter over een (voorlopige) ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing

in de zaak van

de Raad voor de Kinderbescherming, gevestigd te Haarlem,

hierna te noemen de Raad,

over

[de minderjarige], geboren op [geboortedatum] in [plaats],

hierna te noemen [de minderjarige].

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[de moeder],

hierna te noemen de moeder,

wonende in [plaats],

mr. P.J. van de Pol, advocaat te Haarlem,

[de vader],

hierna te noemen de vader,

wonende in [plaats],

mr. P.J. van de Pol, advocaat te Haarlem,

hierna gezamenlijk ook te noemen de ouders.

1 Het verloop van de procedure

1.1.

De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:

  • de beschikking van de kinderrechter van 24 februari 2026 en de daarin genoemde stukken;
  • het aanvullend rapport van de Raad, ontvangen op 4 maart 2026;
  • de aanvullende stukken van de advocaat, ontvangen op 5 maart 2026.
1.2.

Bij de beschikking van 24 februari 2026 heeft de kinderrechter [de minderjarige] met ingang van 24 februari 2026 voorlopig onder toezicht gesteld tot 24 mei 2026. Ook heeft de kinderrechter een spoedmachtiging verleend [de minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder voor de duur van vier weken en is de beslissing voor het overige aangehouden. In de beschikking is aangegeven dat de behandeling van het verzoek op een nader te bepalen zitting zal worden bepaald om de belanghebbenden in de gelegenheid te stellen te worden gehoord door de kinderrechter.

1.3.

De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 6 maart 2026. Daarbij waren aanwezig:

- de ouders, bijgestaan door hun advocaat;

  • de Raad, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad];
  • de GI, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI].
1.4.

De kinderrechter heeft [de minderjarige] op 5 maart 2026 gesproken en naar haar mening gevraagd. [de minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [de minderjarige] heeft verteld.

2 De feiten

2.1.

De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige].

2.2.

[de minderjarige] verblijft sinds 24 februari 2026 bij het [een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] ( [een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder]) in [plaats].

3 Het verzoek

3.1.

De raad verzoekt [de minderjarige] (voorlopig) onder toezicht te stellen voor de duur van drie maanden. Ook verzoekt de raad een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlenen voor de duur van de (voorlopige) ondertoezichtstelling.

De raad verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

3.2.

De Raad heeft het verzoek als volgt toegelicht. De situatie van en de zorgen over [de minderjarige] zijn onveranderd sinds het verzoek van de Raad van 24 februari 2026. [de minderjarige] ervaart nog steeds angst voor de vader en het is noodzakelijk dat er voor een thuisplaatsing eerst iets verandert. De ouders en [de minderjarige] willen meewerken aan de thuisplaatsing van [de minderjarige], maar de situatie is nog erg kwetsbaar. Er zijn veel verwijten tussen de ouders en [de minderjarige] en de verwijdering tussen [de minderjarige] en haar vader is door onderling onbegrip alleen maar groter geworden. Ook is er rust nodig is om de banden tussen de vader en [de minderjarige], en tussen de moeder en [de minderjarige], te herstellen en om inzicht het krijgen in de gezinspatronen.

De Raad zal in de komende drie maanden nader onderzoek doen naar de noodzaak van een ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing van [de minderjarige] na verloop van de voorlopige ondertoezichtstelling en (spoed)machtiging uithuisplaatsing en zal hierover nader rapporteren.

3.3.

De Raad heeft hier ter zitting aan toegevoegd dat er al langer zorgen zijn over de opvoedsituatie bij [de minderjarige] thuis; Veilig Thuis heeft al eerder vastgesteld dat er sprake is van kindermishandeling. Omdat er momenteel nog sprake is van een conflictueuze gezinsdynamiek, kan [de minderjarige] niet teruggeplaatst worden. Nader onderzoek moet uitwijzen wat aan deze situatie ten grondslag ligt en wat er vervolgens aan hulp en ondersteuning nodig is om ervoor te zorgen dat [de minderjarige] weer thuis kan komen wonen. De Raad heeft benadrukt dat de zorgen zijn gelegen in zowel de opvoedsituatie als bij [de minderjarige]. Er zijn vermoedens dat er sprake is van loverboyproblematiek. Inmiddels is ambulante Spoedhulp ingezet.

4 De standpunten

4.1.

Namens de ouders heeft de advocaat naar voren gebracht dat zij achter de verzoeken staan. Het beeld van [de minderjarige] dat uit de stukken van de Raad naar voren komt is echter anders dan dat ze thuis laat zien. [de minderjarige] is een dwarse puber die haar eigen zin wil doordrijven en heeft haar eigen waarheden verkondigd. Ze wil de regie hebben. De ouders hebben grote zorgen over het circuit waar [de minderjarige] zich in bevindt; zij blijkt sinds de plaatsing op het [een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] ook een tweede telefoon te hebben. Verder heeft de vader aangegeven dat hij zich niet veilig voelt omdat [de minderjarige] (nare) verhalen over hem vertelt, die niet waar zijn. [de minderjarige] heeft aangegeven bij familie of vrienden te willen wonen. Ze heeft vaak tegen familie, vrienden en de politie uitgesproken dat haar ouders haar slecht behandelen dan wel mishandelen. De ouders vragen zich af waarom [de minderjarige] dat zegt. Zij willen niet dat ze bij familie gaat wonen, want dan wordt ze gesterkt in het gevoel dat de ouders haar niet thuis willen hebben. Dat is zeker niet het geval. Als het nodig is dat [de minderjarige] voor langere duur uit huis moet worden geplaatst, dan zou plaatsing in een (neutraal) pleeggezin de voorkeur hebben.

4.2.

Namens de GI is aangegeven dat er grote zorgen zijn over de “geheime wereld” waar [de minderjarige] zich mogelijk in bevindt. Naar de (belevings)wereld van [de minderjarige] en naar de gezinsdynamiek moet nader onderzoek worden ingesteld en er moet worden bepaald wat ervoor nodig is dat ze weer onder veilige omstandigheden thuis kan komen wonen. [de minderjarige] is al bij de GGZ-instelling [GGZ-instelling] aangemeld voor psychodiagnostisch onderzoek, wat naar verwachting pas in november 2026 van start kan gaan.

5 De mening van de minderjarige

[de minderjarige] heeft uitgesproken niet naar huis te willen, maar graag bij familie te willen wonen. Ze heeft aangegeven dat ze zich thuis niet gehoord en gezien voelt. Ze heeft verteld dat ze tussen haar zesde en tiende levensjaar thuis met een stok is geslagen, onder een koude douche is gezet en in de (koude) hal moest eten.

6 De (verdere) beoordeling

voorlopige ondertoezichtstelling

6.1.

De kinderrechter heeft ter zitting geen aanleiding gezien om het in de beschikking van 24 februari 2026 geformuleerde oordeel te wijzigen. Die beschikking, waarin is bepaald dat [de minderjarige] voor de duur van drie maanden voorlopig onder toezicht wordt gesteld, zal daarom worden gehandhaafd.

6.2.

De voorlopige ondertoezichtstelling is noodzakelijk om een acute en ernstige bedreiging voor [de minderjarige] weg te nemen.

De kinderrechter is van oordeel dat er bij [de minderjarige] thuis sprake is van een zodanig conflictueuze situatie dat het van belang is dat er onderzoek naar wordt gedaan welke problemen er binnen het gezin spelen. Daarnaast dient er diagnostisch onderzoek bij [de minderjarige] plaats te vinden om een duidelijker beeld te krijgen van haar persoon en haar belevingswereld. Op basis daarvan kan worden bekeken welke hulp kan worden geboden om de relatie tussen [de minderjarige] en haar ouders en (dus) de thuissituatie te verbeteren.

(spoed)machtiging uithuisplaatsing

6.3.

De kinderrechter heeft ter zitting ook geen aanleiding gezien om het in de beschikking van 24 februari 2026 geformuleerde over de machtiging tot uithuisplaatsing te wijzigen. Die beschikking, waarin is bepaald dat [de minderjarige] met ingang van 24 februari 2026 tot 24 maart 2026 met spoed in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder moest worden geplaatst, zal daarom worden gehandhaafd.

6.4.

Over het resterende deel van het verzoek van de Raad om [de minderjarige] uit huis te plaatsen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder voor de duur van de voorlopige ondertoezichtstelling, overweegt de kinderrechter het volgende.

6.5.

Uit de overlegde stukken en wat ter zitting naar voren is gebracht is gebleken dat er grote zorgen zijn zowel over de ontwikkeling van [de minderjarige] als over de opvoedsituatie bij de ouders. De ouders en [de minderjarige] verschillen van visie en gevoel over wat er in het verleden en heden is gebeurd. De kinderrechter acht het van belang dat de komende tijd rust en ruimte wordt gecreëerd om de huidige gezinspatronen te onderzoeken en te doorbreken. Daarnaast kan zicht worden verkregen op het netwerk waar [de minderjarige] zich in begeeft. De kinderrechter zal daarom het resterende deel van het verzoek van de Raad toewijzen.

6.6.

De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.7.

De beslissing over de voorlopige ondertoezichtstelling wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister.[_4b345506-d5c6-4a1b-9cae-f4054c9cae39]

7 De beslissing

De kinderrechter:

7.1.

verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] bij een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder, met ingang van 24 maart 2026 tot 24 mei 2026;

7.2.

verklaart deze beslissing onder uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 6 maart 2026 door mr. B.M.A. Bataille, kinderrechter, in aanwezigheid van B.H.E. Zuidam en S.M.J. Boon als griffiers en op schrift gesteld op 24 maart 2026.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Amsterdam. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.