Uitspraak · Personen- en familierecht
Rechtbank Noord-Holland, 23 maart 2026
ECLI:NL:RBNHO:2026:3057Zaaknummer C/15/371004
- Instantie
- Rechtbank Noord-Holland
- Datum uitspraak
- 23 maart 2026
- Publicatiedatum
- 24 juni 2026
- Zaaknummer
- C/15/371004
- Rechtsgebied
- Civiel recht, Personen- en familierecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Zittingsplaats
- Haarlem
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Verlenging machtiging tot uithuisplaatsing. Er heeft een incident plaatsgevonden, waarbij de moeder zich bedreigd voelde en voelt door de vader. Door de zorgen over de veiligheidssituatie bij de moeder kan de minderjarige nu (nog) niet bij de moeder wonen. Er zijn verder nog steeds zorgen over (onder andere) agressieproblematiek van de vader, zodat opnieuw moet worden onderzocht hoe de omgang tussen de minderjarige en de vader kan plaatsvinden. In de komende maanden moet de mogelijkheid van een plaatsing in een moeder-kindhuis onderzocht worden. Er moet voorkomen worden dat de jonge minderjarige te vaak van verblijfplek moet wisselen.
6 De beslissing
De kinderrechter:
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige]
in een gezinsgerichte voorziening tot 31 juli 2026;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
| Deze beslissing is gegeven door mr. C.E. Voskens, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. F.G. van der Erve als griffier en in het openbaar uitgesproken op 23 maart 2026 |
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Amsterdam. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
- degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Haarlem
Zaaknummer: C/15/371004 / JU RK 25-1481
Datum uitspraak: 23 maart 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging van een machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering te Amsterdam,
hierna te noemen: de GI,
over
[de minderjarige], geboren op [geboortedatum] in [plaats],
hierna te noemen: [de minderjarige].
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [plaats],
advocaat mr. C.J. Hes uit Haarlem,
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
hierna samen met de moeder ook te noemen: de ouders,
wonende in [plaats].
1 Het verdere verloop van de procedure
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- de beschikking van 17 november 2025 en de daarin genoemde stukken;
- het verzoek/de update van de GI, ontvangen op 16 februari 2026.
Op 10 maart 2026 heeft de kinderrechter de zitting met gesloten deuren voortgezet, op twee verschillende tijdstippen. Daarbij waren aanwezig:
- op het eerste tijdstip: de moeder met haar advocaat;
- op beide tijdstippen: de GI, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI].
De vader is, zonder afmeldbericht, niet verschenen op het tweede tijdstip.
2 De feiten
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige].
[de minderjarige] verblijft sinds 18 juli 2025 in een gezinshuis.
Bij beschikking van de kinderrechter van 21 mei 2024 is [de minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld voor de duur van drie maanden. Bij beschikking van de kinderrechter van 31 juli 2024 is [de minderjarige] definitief onder toezicht gesteld, welke ondertoezichtstelling daarna is verlengd en nu nog duurt tot 31 juli 2026.
Bij beschikking van de kinderrechter van 19 juni 2025 is een (spoed)machtiging verleend om [de minderjarige] uit huis te plaatsen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder (gezinshuis), waarna een machtiging is verleend om [de minderjarige] uit huis te plaatsen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder en – als dat nodig is – aansluitend in een voorziening voor pleegzorg tot 31 juli 2025. Bij beschikking van de kinderrechter van 28 juli 2025 is een machtiging verleend om [de minderjarige] uit huis te plaatsen in een gezinsgerichte voorziening (gezinshuis), welke machtiging daarna is verlengd en nu nog duurt tot 30 maart 2026. De beslissing op het verzoek over de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] is voor het overige aangehouden, waarna de zitting is bepaald op 10 maart 2026.
3 Het resterende verzoek
De GI verzoekt de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een gezinsgerichte voorziening te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
De GI onderbouwt het resterende verzoek met een update. [de minderjarige] en de moeder hebben iedere week omgang met elkaar. De vader heeft tijdelijk één keer per maand fysiek omgang met [de minderjarige] in het bijzijn van de jeugdbeschermer, totdat er een omgangsbegeleider is. Er is ook één keer per week videobelcontact tussen [de minderjarige] en de vader. Dit videobelcontact zorgt voor negatief gedrag bij [de minderjarige], zoals boosheid, bepalend gedrag en niet willen eten. Volgens het gezinshuis kunnen de ouders onvoldoende aansluiten bij [de minderjarige] op praktisch en emotioneel gebied. Het is positief dat de moeder zich inzet voor het behandeltraject van de Brijder en PsyQ en meewerkt met de huishoudelijke hulp vanuit de WMO, al ervaart zij de huidige situatie als erg belastend. Eind november 2025 is er een politiemelding gedaan van (telefonische) bedreigingen van de vader naar de moeder. De vader is geadviseerd om hulp te zoeken voor zijn agressie. Door de spanningen en verbale en fysieke ruzies tussen de ouders is de opvoedsituatie nu nog onvoorspelbaar en kwetsbaar. De kans bestaat op verwaarlozing, kindermishandeling en vergroting van gehechtheidsproblemen bij [de minderjarige]. [de minderjarige] staat nog op de wachtlijst voor een perspectiefonderzoek.
De GI heeft hier tijdens de zitting aan toegevoegd dat het gezin op een wachtlijst staat voor een perspectiefonderzoek, maar dat de moeder kort geleden heeft aangegeven toch open te staan voor een plaatsing in een moeder-kindhuis. De GI gaat onderzoeken of dat mogelijk is. De aanvraag voor een omgangsbegeleider is ook gedaan om te zorgen dat [de minderjarige] en de moeder makkelijker bij elkaar kunnen komen en alleen-tijd met elkaar kunnen hebben. Het is vervelend dat de begeleider van de moeder vanuit SIG is ziekgemeld. [de minderjarige] is wat onrustig na de omgang met de moeder, maar alleen na de omgang met de vader laat hij een gedragsverandering zien. Bij de omgang tussen [de minderjarige] en de vader moet aandacht zijn voor (mogelijk) middelengebruik van de vader.
4 Het standpunt van de moeder
De moeder en haar advocaat hebben tijdens de zitting aangegeven dat de moeder het eens is met het verzoek. Zij vreest namelijk voor de veiligheid in en rond haar huis, omdat de vader haar heeft bedreigd en haar deur heeft ingetrapt nadat zij de relatie met hem had beëindigd. De moeder heeft hiervan aangifte gedaan bij de politie. Zij denkt dan ook dat het voor nu het beste is dat [de minderjarige] niet bij haar woont, al vindt zij dat erg verdrietig. De moeder benadrukt dat het vervelend is dat zij [de minderjarige] nu weinig ziet. Er moet voorkomen worden dat de (praktische) omstandigheden en onmogelijkheden ertoe leiden dat [de minderjarige] uiteindelijk te gehecht raakt in het gezinshuis, waardoor het niet meer in zijn belang zou zijn om hem thuis te laten wonen. Daarom wil de moeder graag met [de minderjarige] en haar dochter in een moeder-kindhuis worden geplaatst, als dat mogelijk is. In de afgelopen periode heeft de moeder hard aan zichzelf gewerkt met hulpverlening en zij houdt zich aan (bijna) alle afspraken.
5 De verdere beoordeling
Op basis van de stukken en de zitting is de kinderrechter van oordeel dat de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] noodzakelijk is in het belang van zijn verzorging en opvoeding.[_e37d8677-52ca-4b24-90a7-159a1f67a434] Op 17 november 2025 gaf de kinderrechter aan dat het belangrijk was dat er een terug-naar-huis-onderzoek zou worden opgestart en dat moest worden onderzocht of [de minderjarige] in een pleeggezin dichterbij de ouders kon worden geplaatst. Kort daarna heeft er echter een incident plaatsgevonden, waardoor de moeder zich erg bedreigd voelde, en nog steeds voelt, door de vader. Door de zorgen over de veiligheidssituatie bij de moeder thuis kan [de minderjarige] nu (nog) niet bij de moeder wonen. Verder zijn er nog steeds zorgen over de emotieregulatie, agressieproblematiek en (mogelijk) middelengebruik van de vader, zodat opnieuw moet worden onderzocht hoe de omgang tussen [de minderjarige] en de vader kan plaatsvinden. De kinderrechter is het met de GI eens dat de vader snel hulp moet zoeken voor zijn problematiek.
[de minderjarige] staat op de wachtlijst voor een perspectiefonderzoek, maar tijdens de zitting is gebleken dat de moeder nu bereid is om samen met [de minderjarige] en haar dochter in een moeder-kindhuis te verblijven. In de komende maanden moet deze mogelijkheid daarom onderzocht worden. De GI heeft tijdens de zitting aangegeven zich daarvoor in te zetten. Dit betekent dat de focus nu (tijdelijk) niet meer ligt op het zoeken naar een pleeggezin voor [de minderjarige] op een plek dichterbij de woonplaats van de ouders. Er moet namelijk voorkomen worden dat de jonge [de minderjarige] te vaak van verblijfplek moet wisselen.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
6 De beslissing
De kinderrechter:
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige]
in een gezinsgerichte voorziening tot 31 juli 2026;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
| Deze beslissing is gegeven door mr. C.E. Voskens, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. F.G. van der Erve als griffier en in het openbaar uitgesproken op 23 maart 2026 |
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Amsterdam. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
- degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.