Uitspraak · Personen- en familierecht

Rechtbank Noord-Holland, 17 februari 2026

ECLI:NL:RBNHO:2026:1475Zaaknummer C/15/365963 / FA RK 25-2773

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
17 februari 2026
Publicatiedatum
2 oktober 2026
Zaaknummer
C/15/365963 / FA RK 25-2773
Rechtsgebied
Civiel recht, Personen- en familierecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats
Haarlem
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Hoofdverblijfplaats en kinderalimentatie. Samengesteld gezin. De rechtbank ziet geen aanleiding om de draagkracht van de man te verdelen over zijn kinderen, omdat hij een dusdanige hoge draagkracht heeft en daardoor in de behoefte van zijn drie kinderen kan voorzien.

De rechtbank:

7.1.

bepaalt dat de man aan de vrouw als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen [de minderjarige 1]:

- [de minderjarige 1], geboren op [geboortedatum] in de gemeente [gemeente],

met ingang van 30 mei 2025 tot 1 januari 2026 dient te voldoen € 549 per maand en met ingang van 1 januari 2026 dient te voldoen € 574 per maand, en voor wat betreft toekomstige termijnen bij vooruitbetaling te voldoen;

7.2.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

7.3.

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. T.M. van Wassenaer-Westgeest, rechter, in tegenwoordigheid van mr. N.L. de Groot, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 17 februari 2026.
Tegen deze beschikking kan – voor zover er definitief is beslist – door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. De verzoekende partij en de verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. 1 Procedure
  2. 3 Verzoek
  3. 4 Verweer en zelfstandig verzoek
  4. 5 Verweer op zelfstandig verzoek
  5. 6 Beoordeling
  6. 7 Beslissing

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Familie en Jeugd

locatie Haarlem

alimentatie en hoofdverblijfplaats

zaak-/rekestnr.: C/15/365963 / FA RK 25-2773

beschikking van de enkelvoudige kamer voor familiezaken van 17 februari 2026

in de zaak van:

[de vrouw],

wonende te [plaats],

hierna te noemen: de vrouw

advocaat mr. M.J. van der Vlis, kantoorhoudende te Haarlem,

tegen

[de man],

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. S.A.S. Matheij, kantoorhoudende te Haarlem.

1 Procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift, met bijlagen, van de vrouw, ingekomen op 30 mei 2025;

- het verweerschrift, tevens zelfstandig verzoek, met bijlagen, van de man, ingekomen op 24 juli 2025;

- de brief, met bijlage, van de advocaat van de man van 8 december 2025;

- de brief van de advocaat van de vrouw van 9 december 2025;

- de brief, met bijlagen, van de advocaat van de vrouw van 7 januari 2026;

- de brief, met bijlagen, van de advocaat van de man van 8 januari 2026;

- de brief, met bijlagen, van de advocaat van de man van 9 januari 2026;

- het e-mailbericht, met bijlage, van de advocaat van de man van 9 januari 2026;

- de brief, met bijlage, van de advocaat van de man van 12 januari 2026;

- de brief, met bijlage, van de advocaat van de vrouw van 12 januari 2026;

- de brief, met bijlage, van de advocaat van de man van 14 januari 2026;

- het F-formulier van de advocaat van de vrouw van 14 januari 2026;

- de brief, met bijlage, van de advocaat van de man van 15 januari 2026;

- de brief, met bijlagen, van de advocaat van de vrouw van 16 januari 2026.

1.2.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 20 januari 2026 in aanwezigheid van partijen, de vrouw bijgestaan door mr. M.J. van der Vlis en de man bijgestaan door mr. S.A.S. Matheij. Ter zitting hebben mr. M.J. van der Vlis en mr. S.A.S. Matheij pleitnotities overlegd.

2. Feiten en omstandigheden

2.1.

Partijen hebben tot eind 2024 een affectieve relatie met elkaar gehad.

2.2.

Uit deze relatie is geboren de minderjarigen [de minderjarige 1]:

- [de minderjarige 1], op [geboortedatum] in de gemeente [gemeente],

De ouders zijn belast met het gezamenlijk gezag over [de minderjarige 1].

2.3.

Uit een eerdere relatie van de man (geregistreerd partnerschap) zijn geboren de minderjarigen:

- [de minderjarige 2], geboren op [geboortedatum] in de gemeente [gemeente];

- [de minderjarige 3], geboren op [geboortedatum] in de gemeente [gemeente] .[de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] verblijven om de week van maandag tot woensdagochtend bij de man en om het weekend.

2.4.

De vrouw heeft op 8 juli 2025 een verzoek ingediend tot het vaststellen van een zorgregeling. Deze zaak staat geregistreerd onder zaak- en rekestnummer C/15/367401 / FA RK 25-3535. Zoals hieronder vermeld is in deze procedure op 1 augustus 2025 een raadsonderzoek gelast.

2.5.

De voorzieningenrechter van deze rechtbank heeft bij vonnis in kort geding van 1 augustus 2025 het volgende bepaald:

‘De voorzieningenrechter

in conventie en in reconventie

6.1.

bepaalt dat de minderjarige:

- [de minderjarige 1] geboren op [geboortedatum] te [plaats],

in de week waarin halfbroers [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] in het weekend bij de vader verblijven: op vrijdag wordt opgehaald door de vader bij kinderopvang [kinderopvang] en hij [de minderjarige 1] op dinsdagochtend naar de kinderopvang [kinderopvang] terugbrengt;

In de andere week: op maandag wordt opgehaald door de vader bij kinderopvang [kinderopvang] en [de minderjarige 1] op woensdagochtend weer door hem naar de kinderopvang [kinderopvang] wordt gebracht;

6.2.

veroordeelt de vader om aan de moeder een dwangsom te betalen van € 500,- voor iedere dag of gedeelte daarvan dat hij niet aan de in 6.1. uitgesproken hoofdveroordeling voldoet, tot een maximum van € 10.000,- is bereikt,

6.3.

veroordeelt de moeder om aan de vader een dwangsom te betalen van € 200,- voor iedere dag of gedeelte daarvan dat zij niet aan de in 6.1. uitgesproken hoofdveroordeling voldoet, tot een maximum van € 5.000,- is bereikt,

6.4.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

6.5.

verzoekt de Raad voor de Kinderbescherming onderzoek te doen en de rechtbank te adviseren in de bodemprocedure met zaak-/rekestnummer C/15/367401 / FA RK 25-3535 over de vraag welke zorgregeling het meest in het belang is van [de minderjarige 1] en de wijze waarop deze zorgregeling dient plaats te vinden alsmede om in overweging te nemen om een beschermingsonderzoek te verrichten. (…)’

2.6.

De Raad heeft besloten om ook een beschermingsonderzoek te verrichten. Het is de

bedoeling dat dit zal worden gecombineerd met het onderzoek over de zorgregeling. Naar

verwachting zal de Raad met beide onderzoeken binnenkort beginnen.

3 Verzoek

kinderbijdrage

3.1.

De vrouw verzoekt te bepalen dat de man aan haar een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige 1] (hierna ook: kinderbijdrage) voldoet van € 1.224 per maand, met ingang van 1 januari 2025 en met toepassing van de jaarlijkse indexering.

4 Verweer en zelfstandig verzoek

4.1.

De man voert daartegen verweer en verzoekt bij zelfstandig verzoek:

  • te bepalen dat [de minderjarige 1] zijn hoofverblijf heeft bij hem;
  • voorwaardelijk, voor het geval het hoofdverblijf van [de minderjarige 1] bij de vrouw wordt bepaald, te bepalen dat de man aan de vrouw een kinderbijdrage dient te

voldoen van € 179 per maand, met ingang van de datum van indiening van dit verzoek.

4.2.

Ten aanzien van het verzoek om de hoofdverblijfplaats bij de man te bepalen, stelt de man dat partijen altijd de bedoeling hebben gehad om [de minderjarige 1] te laten opgroeien in [plaats]. Inmiddels is sprake van co-ouderschap, waarbij [de minderjarige 1] de ene helft van de week bij de man verblijft en de andere helft van de week bij de vrouw. Wanneer wordt aangesloten bij de feitelijke situatie, is het dus om het even waar het hoofdverblijf van [de minderjarige 1] wordt bepaald. Het hoofdverblijf van [de minderjarige 1] houdt voornamelijk verband met de financiële aspecten. De man is bereid om alle verblijfsoverstijgende kosten voor [de minderjarige 1] te voldoen als het hoofdverblijf van [de minderjarige 1] bij hem wordt bepaald. Dit dient het belang van [de minderjarige 1]. Daar komt bij dat de vrouw gediagnosticeerd is met MS, waardoor op den duur de vrouw beperkt kan worden in haar capaciteiten om voor [de minderjarige 1] te zorgen. De man vindt het belangrijk dat het hoofdverblijf van [de minderjarige 1] toekomstbestendig is en de man meent dat hij de stabiliteit voor [de minderjarige 1] kan bieden.

4.3.

Door en namens de man is ter zitting hieraan toegevoegd dat wanneer het hoofdverblijf van [de minderjarige 1] bij de vrouw wordt bepaald en [de minderjarige 1] niet naar dezelfde school gaat als zijn broers, dit op den duur zal betekenen dat de co-ouderschapsregeling niet meer uitvoerbaar is. Hierdoor zal [de minderjarige 1] zijn broers en de man nog maar weinig kunnen zien en dat is evident niet in het belang van [de minderjarige 1].

5 Verweer op zelfstandig verzoek

hoofdverblijfplaats

5.1.

Door en namens de vrouw is ter zitting gemotiveerd verweer gevoerd ten aanzien van het verzoek van de man om de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige 1] bij hem vast te stellen.

6 Beoordeling

hoofdverblijfplaats

6.1.

Het verzoek van de man is gebaseerd op artikel 1:253a, tweede lid, onder b, van het Burgerlijk Wetboek. De kinderrechter dient de vraag te beantwoorden of, bij afweging van de belangen van alle betrokkenen waarbij het belang van [de minderjarige 1] het zwaarste dient te wegen, zijn belang meebrengt dat hij zijn hoofdverblijfplaats bij de man zal hebben.

6.2.

De rechtbank overweegt als volgt. Omdat partijen een gelijkwaardig co-ouderschap uitvoeren, acht de rechtbank het niet in het belang van [de minderjarige 1] om op dit moment de hoofdverblijfplaats bij één van de ouders vast te stellen. Dit doet immers geen recht aan de gelijkwaardige rol die de ouders in geval van co-ouderschap vervullen. De rechtbank ziet dan ook in de stellingen van de man geen aanleiding om de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige 1] bij hem te bepalen. Ook de stelling van de man dat hij dan alle kosten voor [de minderjarige 1] zal betalen, doet aan het voorgaande niet af. Het verzoek van de man zal dan ook worden afgewezen.

kinderbijdrage

6.3.

De rechtbank rondt in haar beoordeling bedragen telkens op hele euro’s af.

ingangsdatum

6.4.

De rechtbank sluit voor de ingangsdatum van de kinderbijdrage aan bij de datum van indiening van het verzoekschrift, in dit geval 30 mei 2025. Vanaf dat moment heeft de man immers daadwerkelijk rekening kunnen houden met het betalen van een kinderbijdrage. De rechtbank ziet in de stellingen van partijen geen aanleiding om voor de ingangsdatum bij een andere datum aan te sluiten.

behoefte

6.5.

Tussen partijen is in geschil of partijen voor het uiteengaan met elkaar samen hebben gewoond en ten behoeve van [de minderjarige 1] een gemeenschappelijke huishouding hebben gevoerd. De rechtbank overweegt dat uit de stukken volgt dat partijen nooit op hetzelfde woonadres ingeschreven hebben gestaan en dat de vrouw op 4 februari 2025 bij de politie heeft aangegeven dat partijen altijd een latrelatie met elkaar hebben gehad. Gelet hierop kan niet worden gesproken van een gemeenschappelijke huishouding en samenleving met [de minderjarige 1] in gezinsverband. Dat de vrouw bij gelegenheid met [de minderjarige 1] bij de man bleef slapen en eten, doet daar niet aan af. Dit was immers nooit langer dan een maand aaneengesloten en de vrouw heeft onvoldoende onderbouwd dat partijen blijk hebben gegeven voor elkaar zorg te dragen door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins. De rechtbank zal dan ook ten aanzien van het berekenen van de behoefte de door de man aangevoerde berekeningsmethodiek hanteren, waarbij het eigen aandeel wordt berekend door het gemiddelde te nemen van het eigen aandeel van beide ouders.

6.6.

Vanwege het feit dat partijen nooit een gemeenschappelijke huishouding hebben gevoerd, zal de huidige behoefte van [de minderjarige 1] wordt berekend op basis van recente inkomensgegevens uit 2025 en zal worden aangesloten bij de behoeftetabel die behoort bij het Rapport Alimentatienormen 2025. Deze tarieven geven een realistisch en toekomstgericht uitgangspunt. De rechtbank verwerpt derhalve de stelling van de man dat aangesloten dient te worden bij de behoeftetabel van 2024. De rechtbank gaat ook niet mee in de stelling van de vrouw dat moet worden uitgegaan van een hogere behoefte dan het maximum van de gebruikelijke normen. Ondanks dat de rechtbank niet uitsluit dat in voorkomend geval kan worden afgeweken van de Nibud-normen, is onvoldoende komen vast te staan dat de daadwerkelijke kosten voor [de minderjarige 1] aanzienlijk hoger zijn. Zoals hierna zal blijken, zal de rechtbank wel (voor een deel) uitgaan van extra netto-opvangkosten die bij de behoefte zullen worden opgeteld.

6.7.

Het netto besteedbaar inkomen (NBI) van partijen bestaat verder uit het bruto inkomen uit arbeid, uitkering en/of vermogen, verminderd met de belastingen en premies die daarover verschuldigd zijn, waarbij tevens de relevante heffingskortingen in aanmerking worden genomen. Ook worden hierbij de netto uitgaven voor inkomensvoorzieningen, zoals de premie arbeidsongeschiktheidsverzekering, in aanmerking genomen. Geen rekening wordt gehouden met de fiscale gevolgen van het zijn van eigenaar van een woning en de bijtelling vanwege een auto van de zaak. Het NBI wordt vermeerderd met het kindgebonden budget en andere fiscale aanspraken, indien de ouder voldoet aan de voorwaarden om daarvoor in aanmerking te komen of zou voldoen als het kind bij hem of haar zou opgroeien (zoals de inkomens- en vermogensgrens).

6.8.

De vrouw is in loondienst werkzaam bij [werkgever] Nederland. Uit de overgelegde loonstroken september-november 2025 volgt dat de vrouw een gemiddeld salaris heeft van € 3.232 bruto exclusief vakantiegeld (€ 3.335 + € 3.350 + € 3.011 / 3 maanden). Daarnaast volgt uit de loonstroken dat zij € 147 per maand afdraagt voor haar pensioen en € 3 per maand aan overige premie betaalt. De rechtbank gaat er gelet op dit inkomen vanuit dat de vrouw maandelijks € 423 aan kindgebonden budget en alleenstaande ouderkop ontvangt. Uitgaande van deze informatie en rekening houdend met de aanspraak van de vrouw op de algemene heffingskorting, de arbeidskorting en inkomensafhankelijke combinatiekorting bedraagt haar NBI € 3.046 per maand.

6.9.

De man is werkzaam als piloot/vlieger bij de [werkgever] en is ook werkzaam bij het [werkgever]. Uit de loonstrook van december 2025 van de [werkgever] volgt dat de man een basissalaris heeft van € 10.934 bruto exclusief vakantiegeld en een eindejaarsuitkering van € 9.742. Daarnaast volgt uit de overgelegde loonstrook van december 2025 dat de man extra bruto bijdrages krijgt voor levensloop, “comp. vlieger blok ICV/V” en verschillende pensioenpremietoelages. Deze extra bruto bijdrages bedragen in totaal € 4.814 bruto per maand. De man stelt dat geen rekening gehouden dient te worden met de bijdrage levensloop en de verschillende pensioenpremietoelages, omdat het is bedoeld als inkomen op het moment dat de man met pensioen wil gaan en hij anders dubbel benadeeld wordt vanwege de versobering van de pensioenregeling en hij het bedrag moet delen met de vrouw in het kader van de alimentatieverplichting. De vrouw stelt dat het volledige bedrag vrij voor de man beschikbaar is en daarom als inkomen moet worden beschouwd. De rechtbank is gelet op alle omstandigheden van oordeel dat het redelijk is om bovenstaand bedrag van € 4.814 bruto per maand bij het inkomen van de man op te tellen, omdat de kinderbijdrage in de gegeven omstandigheden prevaleert boven een extra pensioenopbouw en de wens vroeg met pensioen te kunnen gaan. Ten aanzien van het pensioen van de man zal de rechtbank wel rekening houden met een bedrag van € 1.531 per maand die de man afdraagt voor zijn basispensioen.

De man is ook werkzaam bij het [werkgever]. Uit de IB-aangifte 2024 van de man volgt dat hij daar in 2024 € 78.590 bruto op jaarbasis heeft verdiend. De man heeft ter zitting aangegeven dat hij momenteel gemiddeld € 4.000 bruto bij Defensie verdient, omdat hij minder opdrachten aanneemt en daardoor meer beschikbaar is voor de kinderen. De rechtbank acht deze onderbouwing onvoldoende, temeer omdat de man enkel zijn loonstroken van maart, april en mei 2025 heeft overlegd. De rechtbank zal dan ook rekening houden met een bedrag van € 78.590 bruto per jaar ten aanzien van dit dienstverband.

Gelet op voorgaande informatie en rekening houdend met de aanspraak van de man op de algemene heffingskorting, de arbeidskorting en de inkomensafhankelijke combinatiekorting bedraagt het NBI van de man € 12.410 per maand.

6.10.

Nu de rechtbank weet wat de ouders te besteden hebben, kan de rechtbank berekenen welk gedeelte daarvan ongeveer aan [de minderjarige 1] wordt uitgegeven en wat dus de behoefte van [de minderjarige 1] is. Uit de Nibud-tabellen volgt dat het eigen aandeel van de man € 990 per maand bedraagt en het eigen aandeel van de vrouw € 459 per maand bedraagt. Het gemiddelde van het eigen aandeel van beide ouders is zodoende € 724,50 per maand (€ 990 + € 459 / 2), waarbij nog geen rekening is gehouden met behoefteverhogende kosten.

6.11.

De rechtbank acht het redelijk om rekening te houden met extra opvangkosten van € 200 per maand. De vrouw heeft voldoende aangetoond dat zij extra netto-opvangkosten heeft en de rechtbank acht deze kosten in verhouding dermate hoog dat deze niet volledig gecompenseerd kunnen worden met lagere uitgaven op andere posten. De rechtbank zal niet met het volledige bedrag van € 305 per maand aan netto-opvangkosten rekening houden, omdat een deel van de opvangkosten wel uit het eerder genoemde bedrag van € 757 per maand voldaan kan worden.

6.12.

Gelet op het voorgaande bedraagt de behoefte van [de minderjarige 1] afgerond € 925 per maand (€ 724,50 + € 200).

draagkracht van partijen

6.13.

De rechtbank moet vervolgens beoordelen of partijen over voldoende draagkracht beschikken om elk hun eigen aandeel in deze behoefte te kunnen betalen.

6.14.

Het bedrag aan draagkracht wordt vanwege de ingangsdatum van de kinderbijdrage vastgesteld volgens de richtlijn, zoals vermeld in het Rapport alimentatienormen van 2025, aan de hand van de formule 70% x [NBI – (0,3 NBI + 1.310)]. Deze benadering houdt in dat op het NBI 30% in mindering wordt gebracht in verband met forfaitaire woonlasten, dat rekening wordt gehouden met een bedrag van € 1.310 aan overige lasten en dat wordt uitgegaan van een draagkrachtpercentage van 70.

6.15.

De rechtbank gaat bij de beoordeling van de draagkracht van de vrouw uit van haar inkomen zoals onder 5.6. vermeld. De rechtbank is van oordeel dat de vrouw in staat is om € 3.232 bruto exclusief vakantiegeld aan looninkomsten te verwerven en gaat dan ook voorbij aan het standpunt van de vrouw dat voor haar draagkracht vanaf 1 februari 2026 gerekend dient te worden met haar inkomen van € 2.553 per maand. De rechtbank acht het standpunt van de vrouw onvoldoende gemotiveerd, temeer omdat zij zelf ervoor heeft gekozen om een dag minder te gaan werken, terwijl het aantal dagen op de kinderopvang wordt gehandhaafd en dat voorts de zorg over [de minderjarige 1] met de man wordt gedeeld.

Uitgaande van voorgaande informatie en rekening houdend met de aanspraak van de vrouw op de algemene heffingskorting, de arbeidskorting, de inkomensafhankelijke combinatiekorting en het kindgebonden budget bedraagt haar NBI ten behoeve van de kinderbijdrage € 3.468 per maand.

6.16.

Op grond van de draagkrachtformule bedraagt de draagkracht van de vrouw ten behoeve van de kinderbijdrage van [de minderjarige 1] € 783 per maand.

6.17.

De rechtbank gaat bij de beoordeling van de draagkracht van de man uit van zijn inkomen zoals onder 5.7. vermeld met de daarbij door de rechtbank gegeven motivering. De man heeft ten aanzien van zijn draagkracht verder aangegeven dat hij ook onderhoudsplichtig is voor zijn twee andere kinderen, [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3], en dat de behoefte van hen € 914 per kind per maand bedraagt in 2026. De rechtbank overweegt dat de man een dusdanige hoge draagkracht heeft dat zowel in de behoefte van [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] als in de behoefte van [de minderjarige 1] kan worden voorzien. Gelet daarop ziet de rechtbank geen aanleiding om zijn draagkracht te verdelen ten aanzien van zijn kinderen. Uitgaande van voorgaande informatie en rekening houdend met de aanspraak van de man op de algemene heffingskorting, de arbeidskorting en de inkomensafhankelijke combinatiekorting bedraagt zijn NBI ten behoeve van de kinderbijdrage € 12.410 per maand.

6.18.

Gelet op het voorgaande en op grond van de draagkrachtformule bedraagt de draagkracht van de man ten behoeve van de kinderbijdrage van [de minderjarige 1] € 5.164 per maand.

draagkrachtvergelijking

6.19.

De gezamenlijke draagkracht van partijen bedraagt € 5.947 (€ 783 + € 5.164) per maand. Dit bedrag overschrijdt de behoefte van [de minderjarige 1] van € 957 per maand, waardoor er aanleiding is om een draagkrachtvergelijking te maken. De verdeling van de kosten van [de minderjarige 1] over partijen wordt berekend volgens de formule: ieders draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte, oftewel:Het eigen aandeel van de vrouw bedraagt: € 783 / € 5.947 x € 925 = € 122 per maand.

Het eigen aandeel van de man bedraagt: € 5.164 / € 5.947 x € 925 = € 803 per maand.

zorgkorting

6.20.

Op het berekende aandeel dient de zorgkorting in mindering te worden gebracht. Tussen partijen is niet in geschil dat gerekend kan worden met een zorgkorting van 35%. Omdat de behoefte van [de minderjarige 1], zonder de behoefteverhogende opvangkosten, € 725 per maand bedraagt, beloopt de zorgkorting een bedrag van € 254 per maand. De man wordt geacht dit bedrag minimaal te besteden aan [de minderjarige 1] bij de uitoefening van zijn zorgtaken.

conclusie 6.21. Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de man met ingang van 30 mei 2025 tot 1 januari 2026 een kinderbijdrage aan de vrouw dient te voldoen van € 549 per maand (€ 803 - € 254).Geïndexeerd naar 2026 dient de man met ingang van 1 januari 2026 een kinderbijdrage aan de vrouw te voldoen van € 574 per maand. indexering

6.22.

De rechtbank wijst er – ten overvloede – op dat de vastgestelde kinderbijdrage jaarlijks van rechtswege wordt gewijzigd met het vast te stellen indexeringspercentage.

7 Beslissing

De rechtbank:

7.1.

bepaalt dat de man aan de vrouw als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen [de minderjarige 1]:

- [de minderjarige 1], geboren op [geboortedatum] in de gemeente [gemeente],

met ingang van 30 mei 2025 tot 1 januari 2026 dient te voldoen € 549 per maand en met ingang van 1 januari 2026 dient te voldoen € 574 per maand, en voor wat betreft toekomstige termijnen bij vooruitbetaling te voldoen;

7.2.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

7.3.

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. T.M. van Wassenaer-Westgeest, rechter, in tegenwoordigheid van mr. N.L. de Groot, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 17 februari 2026.
Tegen deze beschikking kan – voor zover er definitief is beslist – door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. De verzoekende partij en de verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.