Uitspraak · Socialezekerheidsrecht

Rechtbank Noord-Holland, 22 oktober 2026

ECLI:NL:RBNHO:2026:14610Zaaknummer HAA 26/2282

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
22 oktober 2026
Publicatiedatum
28 oktober 2026
Zaaknummer
HAA 26/2282
Rechtsgebied
Bestuursrecht, Socialezekerheidsrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Criteria artikel 2.3.3. lid 11 Huisvestingsverordening Zuid-Kennemerland IJmond Haarlem 2026. Het zoekprofiel bij een urgentieverklaring sluit in beginsel eengezinswoningen uit. In dit geval kan een eengezinswoning niet als noodzakelijk worden aangemerkt en is gelet op de gewijzigde woonsituatie niet als vergelijkbaar aan te merken.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P.H. Lauryssen, rechter, in aanwezigheid van E.A.D. Horn, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 22 oktober 2026.

griffierrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. [eiseres] , uit [plaats 1] , eiseres
  2. Samenvatting
  3. Procesverloop
  4. Het toetsingskader
  5. Het bestreden besluit
  6. De beoordeling door de rechtbank aan de hand van de beroepsgronden
  7. Conclusie en gevolgen
  8. Beslissing
  9. Informatie over hoger beroep

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 26/2282

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 oktober 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [plaats 1] , eiseres

(gemachtigde: mr. B. Wernik),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Haarlem, het college

(gemachtigde: M. Kapel).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het zoekprofiel dat de aan eiseres toegekende urgentieverklaring op grond van de Huisvestingsverordening Zuid-Kennemerland/IJmond, Haarlem 2026 (hierna: de HVV 2026) vergezelde. Eiseres is het met dit zoekprofiel niet eens nu dit eengezinswoningen uitsluit. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het bestreden besluit van 7 april 2026.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiseres heeft op 24 september 2024 een aanvraag ingediend voor een urgentieverklaring op de grondslag mantelzorgindicatie. Op dat moment woonde zij met haar twee minderjarige kinderen in een eengezinswoning met 5 kamers in [plaats 2]. Haar echtgenoot, alhoewel medeaanvrager, verbleef op dat moment niet in de woning. Ook is hij niet in staat de mantelzorg te verlenen wegens fysieke en emotionele belasting.

In de aanvraag is uiteengezet dat eiseres als gevolg van een auto-ongeluk in 2018 blijvende invaliditeit heeft overgehouden en zij dagelijks afhankelijk is van haar ouders als mantelzorgers voor persoonlijke verzorging en huishoudelijke taken. Haar ouders zijn woonachtig (in een eengezinswoning met 5 kamers) in [plaats 1]. De afstand is te groot, en de wens is een eengezinswoning met een vaste trap met minimaal 5 kamers in de regio Zuid-Kennemerland. Zij heeft geen problemen met traplopen. Vanwege de afstand kan de mantelzorg op dit moment slechts drie keer per week. Soms blijft zij met de kinderen bij haar ouders slapen, vanwege de afstand.

3. Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 14 november 2024 afgewezen omdat niet is aangetoond dat sprake is van een noodzaak van 8 uur mantelzorg per week zoals bedoeld in artikel 2.3.5, eerste lid, onder b van de HVV 2026. Het college volgt daarbij het advies van de urgentiecommissie en het advies van de arts van Argonaut.

4. Eiseres heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Daarbij is gesteld dat het besluit niet in lijn is met de ernst van haar situatie en de intensiteit van de noodzakelijke zorg. Daarbij heeft zij verwezen naar bijgevoegde medische documentatie.

5. Hangende de behandeling van het bezwaar heeft het college als gevolg van gewijzigde omstandigheden bij besluit van 14 augustus 2025 het besluit van 14 november 2024 herzien, en met verwijzing naar het advies van Argonaut van 23 juli 2025 en het advies van de urgentiecommissie van 11 augustus 2025, eiseres alsnog een urgentieverklaring verstrekt ten behoeve van mantelzorg.

Gebleken is dat eiseres medio mei 2025 verhuisd is naar een woning dichter bij haar ouders. Ter zitting is toegelicht dat dit een eengezinswoning in de vrije sector in [plaats 3] betrof. Als gevolg van het overlijden van haar echtgenoot op 10 juli 2025 is terugkeer naar deze woning (ook om financiële redenen) niet meer mogelijk, en verblijft zij bij haar ouders.

Langdurig verblijf bij haar ouders is niet haalbaar, gelet op de specifieke samenstelling van het gezin en de aard van de hulpbehoefte. Medisch gezien is er sprake van aantoonbare beperkingen in de belastbaarheid van de enkel van eiseres, voortkomend uit een onderliggend ziektebeeld wat leidt tot motorische beperkingen. Tevens is eiseres beperkt in het persoonlijk functioneren als gevolg van gebeurtenissen uit het verleden. De combinatie van lichamelijke klachten, emotionele belasting, verminderde mentale draagkracht en de recente traumatische ervaring maakt dat de draagkracht van eiseres op dit moment onvoldoende is om zelfstandig volledig in de zorg van haarzelf en de kinderen te voorzien. Ondersteuning vanuit het netwerk en professionele hulpverlening is noodzakelijk om overbelasting te voorkomen en de stabiliteit binnen het gezin te waarborgen.

De aldus urgent bevonden woonsituatie is vergezeld van het zoekprofiel zoals neergelegd in artikel 2.3.4., negende lid, van de HVV 2022, gebaseerd op een vergelijkbare situatie als de huidige woonsituatie, met dien verstande dat het leidt tot de meest sobere oplossing daarvoor, waarbij in beginsel geen recht op een eengezinswoning wordt verkregen.

6. Tegen het besluit van 14 augustus 2025 heeft eiseres op dezelfde dag bezwaar gemaakt. Dit bezwaar richt zich tegen het aan het besluit verbonden zoekprofiel. Zij wenst dat het zoekprofiel eengezinswoningen niet uitsluit, aangezien dit een achteruitgang in woonkwaliteit en geschiktheid betekent gelet op haar bestaande woonsituatie en gezinssamenstelling. Ook beperkt het de kansen op het vinden van een passende woning. Voor wat betreft de medische noodzaak en de veiligheidsrisico’s stelt zij daarbij enerzijds dat zonder hulpmiddelen traplopen medisch niet haalbaar is. Anderzijds stelt zij dat een interne trap, zoals in haar eengezinswoning, aanzienlijk minder belastend is en (bij noodgevallen) zelfstandig kan worden overbrugd.

7. Met het bestreden besluit van 7 april 2026 op het bezwaar van eiseres is het college met verwijzing naar het advies van de Adviescommissie voor bezwaarschriften van 26 maart 2026 en het bepaalde in de HVV 2026 bij het besluit van 14 augustus 2025 gebleven.

8. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 7 april 2026 (het bestreden besluit). Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.

9. De rechtbank heeft het beroep op 5 oktober 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van het college, bijgestaan door [naam], werkzaam bij Woonservice.

Het toetsingskader

10. Artikel 1 (Definities) luidt als volgt:

In deze verordening wordt verstaan onder:

(…)

eengezinswoning: een woning die tevens een geheel pand vormt. Hieronder vallen vrijstaande woningen, aaneen gebouwde woningen, zoals twee onder één kap gebouwde huizen, boerderijen met woningen en voorts alle rijenhuizen;

(…)

Artikel 2.3.3 van de HVV 2026 (Voorrang bij urgentie – algemeen) luidt, voor zover van belang, als volgt:

(…)

3. Bij het verlenen van huisvestingsvergunningen wordt voorrang gegeven aan woningzoekenden voor wie de voorziening in de behoefte aan woonruimte dringend noodzakelijk is. In dat geval kan het college een schriftelijke urgentieverklaring verlenen.

(…)

11. Een urgentieverklaring als bedoeld in het derde lid gaat altijd vergezeld met een zoekprofiel dat is gebaseerd op een vergelijkbare situatie als de huidige woonsituatie met dien verstande dat het leidt tot de meest sobere oplossing voor de urgente woonsituatie, waarbij in beginsel geen recht op een eengezinswoning en op nieuwbouw wordt verkregen.

Artikel 2.3.4 van de HVV 2026 (Voorrang bij urgentie – wettelijke groepen) luidt, voor zover van belang, als volgt:

Tot de woningzoekenden, als bedoeld in artikel 2.3.3, derde lid, behoort de woningzoekende uit artikel 12, derde lid van de wet:

(…)

b. die mantelzorg als bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, verleent of ontvangt;

(…)

Artikel 4.2.2 van de HVV 2026 (Hardheidsclausule) luidt als volgt:

Het college is bevoegd in gevallen waarin de toepassing van deze verordening naar hun oordeel tot een bijzondere hardheid leidt ten gunste van de aanvrager af te wijken van deze verordening.

Artikel 3.1 van de Nadere regels Woonurgentie Zuid-Kennemerland/IJmond: Haarlem 2026 (Uitwerking artikel 2.3.4 HVV: Wettelijke groepen) luidt, voor zover van belang, als volgt:

(…)

Om in aanmerking te komen voor een mantelzorgurgentie (artikel 2.3.4. lid 1 onder b Huisvestingsverordening) moet de mantelzorg voldoen aan de volgende voorwaarden:

(…)

g. de afstand tussen de woning van de mantelzorgontvanger en de mantelzorgverlener is groter dan wat reëel en haalbaar is om adequate mantelzorg te kunnen verlenen. Onder een redelijke en billijke afstand wordt verstaan een reisafstand tot 5 km bij 1 keer per dag hulp- verlening.

(…)

Het bestreden besluit

11. Het college heeft in het bestreden besluit ten eerste verwezen naar het besluit van 14 augustus 2025 en het medisch advies van Argonaut dat daaraan ten grondslag ligt (zoals hiervoor onder 5. aangehaald). Daarbij heeft het college zich op het standpunt gesteld dat het op dit advies heeft mogen afgaan.

Voor wat betreft het zoekprofiel heeft het college met verwijzing naar het bepaalde in artikel 2.3.3, elfde lid, van de HVV 2026 toegelicht dat alleen als er een aantoonbare (medische) noodzaak voor is, eengezinswoningen worden opgenomen in het zoekprofiel. De nadruk ligt op het oplossen van een urgent woonprobleem met een woningtype dat daarvoor voldoende is. De urgentieverklaring geeft geen voorrang voor woningtypen die uitgaan boven het niveau dat voldoende is. Daarbij is benadrukt dat vanwege het grote tekort aan woonruimte en het belang van een goede en rechtvaardige verdeling daarvan een urgentieverklaring (met een daarbij passend zoekprofiel) alleen wordt verstrekt in gevallen waarin het voorzien in de behoefte aan woonruimte dringend noodzakelijk is.

12.1

In reactie op de bezwaren van eiseres heeft het college het standpunt dat eiseres in beginsel geen recht op een eengezinswoning verkrijgt omdat dit niet aantoonbaar noodzakelijk is, als volgt toegelicht.

De urgentieverklaring met het zoekprofiel waarvan het vergezeld gaat komt tegemoet aan het urgente huisvestingsprobleem, omdat eiseres met voorrang in aanmerking komt voor een woning dichtbij haar ouders/mantelzorgers. Voor het verlenen van die mantelzorg is een eengezinswoning niet noodzakelijk.

Een urgentieverklaring is niet bedoeld voor het maken van een wooncarrière of het voldoen aan alle wensen maar biedt de meest sobere oplossing. Eiseres beschikt nu niet over een woning en woont bij haar ouders. Op die situatie heeft het college het zoekprofiel mogen afstemmen, en van een achteruitgang in woonkwaliteit ten opzichte van haar woning in [plaats 2] kan derhalve niet worden gesproken, integendeel; de urgentieverklaring brengt haar door de voorrang bij de toewijzing van passende woonruimte juist in een gunstigere positie. Een eengezinswoning kan dus niet als noodzakelijk worden aangemerkt en is gelet op de gewijzigde woonsituatie niet als vergelijkbaar aan te merken.

Verder volgt uit het advies van Argonaut niet dat verhuizing naar een eengezinswoning (medisch) noodzakelijk is. Daarbij is wel degelijk rekening gehouden met alle omstandigheden, waaronder het recente trauma.

Verder stelt het college zich op het standpunt dat eengezinswoningen niet geschikt zijn voor eiseres, gelet op de beperkingen bij lopen, staan en traplopen, en een toename daarvan niet uitgesloten is, zoals ook volgt uit het door eiseres overgelegde rapport van Justus Medische Expertise van 27 mei 2024 en het advies van Argonaut van 23 juli 2025. Het ligt daarom voor de hand om te kiezen voor een woonsituatie waarin geen aanvullende voorzieningen (zoals bijvoorbeeld op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015) noodzakelijk zijn. Desalniettemin zijn woningen op de eerste verdiepingen van een flat/appartementencomplex met lift geschikt, nu eiseres heeft aangegeven in noodgevallen zelfstandig in staat te zijn een enkele trap te kunnen gebruiken. Ook hierom is opname van een eengezinswoning in het zoekprofiel niet noodzakelijk.

12.2

Voor zover eiseres heeft gesteld dat bij gebreke van opname van eengezinswoningen het vinden van een woning dichtbij haar ouders wordt bemoeilijkt of onmogelijk wordt maakt, heeft het college gesteld dat in het zoekprofiel voor mantelzorg (de rechtbank begrijpt artikel 3.1 aanhef en onder g. van de Nadere regels Woonurgentie Zuid-Kennemerland/IJmond: Haarlem 2026) een margemaatstaf is opgenomen van 5 kilometer. Dit geeft haar een sterke voorrangspositie, nu de [wijk] (dicht bij haar ouders) juist voor een groot deel uit appartementen bestaat.

Gelet op het voorgaande ziet het college tot slot geen aanleiding voor toepassing van de hardheidsclausule.

De beoordeling door de rechtbank aan de hand van de beroepsgronden

13. De rechtbank stelt voorop dat voor zover in het beroepschrift en het aanvullend beroepschrift is gesteld dat eiseres een urgentieverklaring heeft aangevraagd vanwege blijvende invaliditeit als gevolg van een auto-ongeluk in 2018 dit feitelijke grondslag mist. De aanvraag zag op mantelzorg, niet op ongeschiktheid van de woning in [plaats 2] om medische redenen. De rechtbank verwijst naar hetgeen hiervoor onder 2. is samengevat.

13.1

Eerst ter zitting is betoogd dat aan het advies van Argonaut van 23 juli 2025 een gebrek kleeft. Dit omdat Argonaut ten tijde van dit advies, gelet op het recente trauma als gevolg van de gebeurtenis met haar echtgenoot, geen nader onderzoek heeft verricht naar de vraag of, zo begrijpt de rechtbank, eiseres wellicht op medische gronden voor een urgentieverklaring voor een eengezinswoning in aanmerking had kunnen komen. De psychsociale component en de behoefte aan een veilige woonsituatie gelet op haar kwetsbaarheid had mogelijk onderzocht moeten worden. Ook van de gebruikmaking van het inzage- en correctierecht is in het advies niets terug te vinden.

De rechtbank is niet gebleken van omstandigheden waarom dit betoog niet eerder in deze procedure naar voren had kunnen worden gebracht. In zoverre verzet de goede procesorde zich hier dan ook tegen. Daarnaast kan worden opgemerkt dat de aanvraag, en het verzoek om het nadere advies betrekking had op, zoals hiervoor al opgemerkt, mantelzorg. De rechtbank ziet geen aanknopingspunten voor het oordeel dat Argonaut die grondslag had moeten verlaten of uitbreiden. Argonaut heeft met de kwetsbaarheid van eiseres als gevolg van de gewijzigde omstandigheden overigens wel degelijk rekening gehouden in het licht van de te herbeoordelen aanvraag.

13.2

Voor zover eiseres de vraag heeft opgeworpen of artikel 2.3.3., elfde lid, van HVV 2026 de ruimte biedt om eengezinswoningen uit te sluiten van het zoekprofiel door een koppeling te maken aan een medische situatie en aldus de kans op een passende woning te verkleinen (hetgeen het doel van de urgentieverklaring ondermijnd), overweegt de rechtbank dat gemeenten op grond van de Huisvestingswet verantwoordelijk zijn voor een evenwichtige en rechtvaardige verdeling van de schaars beschikbare sociale huurwoningen. Hierbij geldt als uitgangspunt dat iedere urgent woningzoekende een woning krijgt toegewezen die aansluit op zijn situatie. De vraag wanneer een woning passend is hangt af van de situatie van de aanvrager. Vast staat dat niet iedere sociale huurwoning passend is voor iedere urgent woningzoekende. Het is tegen deze achtergrond dat het college het beperkt aantal woningen dat beschikbaar komt, toekent aan woningzoekenden die dat type woning het hardst nodig hebben. Dit betekent dat doorgaans de grotere woningen, zoals vierkamerwoningen, worden toegekend aan (grote) gezinnen.[_185bee1f-0d3c-4c21-8dfe-1e7b6fe44485] Tegen deze achtergrond is het opnemen van een zoekprofiel met de in het elfde lid opgenomen criteria “vergelijkbare situatie” en “meest sobere oplossing” met het in beginsel uitsluiten van een eengezinswoning en nieuwbouw gerechtvaardigd, en ook niet in strijd met de Huisvestingswet.

Voor zover met verwijzing naar vorenaangehaalde uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak is betoogd dat eengezinswoningen per definitie niet mogen worden uitgesloten in een zoekprofiel, berust dat op een onjuiste lezing van die uitspraak. In die specifieke zaak is het beginsel van uitsluiting van eengezinswoningen hangende hoger beroep losgelaten, omdat tot de conclusie was gekomen dat voor appellant in die zaak eengezinswoningen, gelet op zijn extreme prikkelgevoeligheid voor geluid, bij uitstek geschikt zijn.[_685ef2de-f3b2-4dec-b48e-7cb8eed1df62]

13.3

Voor zover eiseres heeft betoogd dat haar het recht op een soortgelijke eengezinswoning als zij voorheen in [plaats 2] bewoonde toekomt, kan zij daarin niet worden gevolgd. Dit volgt in de eerste plaats niet uit het criterium dat ziet op een “vergelijkbare situatie”. Daarnaast kan het college worden gevolgd in het standpunt dat het college de urgentieverklaring heeft verleend op grond van de op dat moment bestaande situatie, inhoudende dat eiseres en haar kinderen niet meer over een eigen woning beschikten. Bovendien had eiseres de woning in [plaats 2] al op eigen initiatief verlaten voor een andere woning dichterbij haar ouders. Gelet hierop heeft het college mogen vasthouden aan het beginsel zoals verwoord in het elfde lid van artikel 2.3.3 van de HVV 2026.

13.4

Voor zover eiseres zich op het standpunt stelt dat een eengezinswoning voor haar (medische) situatie geschikt is, merkt de rechtbank op dat dit, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, niet het criterium is op grond waarvan het zoekprofiel dat de urgentieverklaring moet vergezellen wordt bepaald. Niet is gebleken dat een eengezinswoning noodzakelijk is voor het oplossen van het urgente huisvestingsprobleem. Daarnaast kan het college worden gevolgd in het standpunt dat gelet op het door eiseres overgelegde rapport van Justus Medische Expertise van 27 mei 2024 en het advies van Argonaut van 23 juli 2025 een eengezinswoning niet als meest adequaat kan worden aangemerkt.

13.5

Voor zover eiseres heeft betoogd dat zij door het overlijden van haar man extra kwetsbaar is geworden en het van uitermate belang is dat het zoekprofiel haar in staat stelt een woning te verkrijgen in de buurt van haar ouders, merkt de rechtbank met verwijzing naar hetgeen het college daarover in het bestreden besluit en het verweer heeft uiteengezet dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat het zoekprofiel zoals dat de urgentieverklaring vergezeld, het niet, of zeer beperkt mogelijk zou maken dat zij bij het zoeken van een woning niet nabij haar ouders kan geraken. Voor zover zij daarbij haar kwetsbaarbaarheid heeft benadrukt, wordt opgemerkt dat onder meer mede daarom een urgentieverklaring in verband met mantelzorgafhankelijkheid is toegekend.

13.6

De rechtbank is dan ook van oordeel dat het college bij het vaststellen van het zoekprofiel rekening heeft gehouden met de medische beperkingen van eiseres, haar afhankelijkheid van mantelzorg, haar psychosociale situatie en de belangen van haar minderjarige kinderen. Met de urgentieverklaring en het zoekprofiel dat die verklaring vergezeld wordt het beoogde doel, te weten het op korte termijn oplossen van het huisvestingsprobleem in de nabijheid van het mantelzorgnetwerk, daarmee daadwerkelijk bereikt.

Verder heeft het college bij zijn belangenafweging mogen betrekken dat sprake is van een schaarse woningvoorraad en dat de Huisvestingsverordening beoogt deze op een rechtvaardige wijze te verdelen. Het beperken van het zoekprofiel tot woningen die geschikt en noodzakelijk zijn voor het oplossen van het urgente huisvestingsprobleem is met dat doel in overeenstemming. Het college heeft in hetgeen eiseres heeft aangevoerd terecht geen bijzondere omstandigheden gezien die aanleiding geven om met toepassing van de hardheidsclausule een uitzondering te maken op het zoekprofiel dat de urgentieverklaring vergezelde. Het college heeft het bestreden besluit afdoende gemotiveerd. De rechtbank is tot slot niet gebleken dat de nadelige gevolgen van het besluit voor eiseres onevenredig zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen.

Conclusie en gevolgen

14. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P.H. Lauryssen, rechter, in aanwezigheid van E.A.D. Horn, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 22 oktober 2026.

griffierrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

  1. In gelijke zin: ov. 5.2. in de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van 16 oktober 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4175.
  2. Zie de overwegingen 7 tot en met 7.2 in die uitspraak.

Deze uitspraak verwijst naar

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.