Uitspraak · Omgevingsrecht

Rechtbank Noord-Holland, 20 oktober 2026

ECLI:NL:RBNHO:2026:14541Zaaknummer HAA 24/7377

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
20 oktober 2026
Publicatiedatum
27 oktober 2026
Zaaknummer
HAA 24/7377
Rechtsgebied
Bestuursrecht, Omgevingsrecht
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats
Haarlem
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Einduitspraak na tussenuitspraak over een verleende omgevingsvergunning voor een spoorwegemplacement. Na de tussenuitspraak heeft vergunninghouder het college verzocht de verleende omgevingsvergunning in te trekken. Het college heeft hier gehoor aan gegeven. De rechtbank komt tot de conclusie dat eisers bij die stand van zaken geen procesbelang meer hebben. Met het intrekken van de omgevingsvergunning is immers bereikt wat eisers met het instellen van hun beroep hadden beoogd: het doen vervallen van de omgevingsvergunning voor het spoorwegemplacement. Dit betekent dat het beroep niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Gelet hierop kan de rechtbank zich niet uitlaten over de kwesties die eisers nog hebben opgeworpen in hun brief waarin zij aangeven het beroep na de intrekking van de omgevingsvergunning niet te willen intrekken. Anders dan eisers nog aanvoeren, vormt mogelijk toekomstige besluitvorming over een mogelijk nieuwe aanvraag van Prorail om een omgevingsvergunning, geen toereikend procesbelang om de juistheid van de ingetrokken omgevingsvergunning – en die intrekking – in deze procedure nog te beoordelen, juist omdat de eerder verleende omgevingsvergunning van tafel is.

De rechtbank:

- verklaart het beroep niet-ontvankelijk;

- draagt het college op het betaalde griffierecht van € 371,- aan eisers te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.H.M. Bruin, voorzitter, en mr. J.M. Janse van Mantgem en mr. M.R. Plug, leden, in aanwezigheid van R.I. ten Cate, griffier, en uitgesproken in het openbaar op 20 oktober 2026.

griffiervoorzitter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak en de tussenuitspraak, kan in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. Procesverloop
  2. Overwegingen
  3. Beslissing
  4. Informatie over hoger beroep

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 24/7377

uitspraak van de meervoudige kamer van 20 oktober 2026 in de zaak tussen

[eiser 1],

[eiser 2],

[eiser 3],

[eiser 4],

[eiser 5],

[eiser 6],

[eiser 7],

[eiser 8],

[eiser 9],

[eiser 10],

[eiser 11],

de besloten vennootschap GeboortezorgPlus B.V.,

de besloten vennootschap GeboortezorgPlus Langedijk B.V.,

de besloten vennootschap GeboortezorgPlus Nederland B.V.,

de besloten vennootschap GeboortezorgPlus Werkt B.V.,

de besloten vennootschap ZWOP Media B.V.,

de besloten vennootschap JoaJoa Beheer B.V.,

de besloten vennootschap JoaJoa Kraamzorg Beheer B.V.,

de besloten vennootschap Joki Vastgoed B.V.,

de besloten vennootschap Geboortezorgscholingen B.V.,

allen wonende of gevestigd in Heerhugowaard,

hierna tezamen: eisers,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Dijk en Waard,

gemachtigde: mr. F.J. Bakker, werkzaam bij de Omgevingsdienst Noord-Holland Noord.

Als derde-partij neemt aan het geding deel de besloten vennootschap ProRail B.V. te Utrecht, gemachtigde: mr. M.A. Versloot.

Procesverloop

1.1.

Met het bestreden besluit van 26 september 2024 heeft het college een omgevingsvergunning verleend voor het oprichten en daarna in werking hebben van spoorwegemplacement ‘De Vaandel’ aan de Hasselaarsweg in Heerhugowaard.

1.2.

Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

1.3.

De rechtbank heeft het beroep op 7 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers [eiser 1], die ook optreedt als gemachtigde voor de anderen, [eiser 3], [eiser 4], [eiser 9] en [eiser 5], de gemachtigde van het college met ing. [naam 1] (vergunningverlener bij Omgevingsdienst Noord-Holland Noord) en [naam 2] (adviseur geluid bij de Omgevingsdienst Noord-Holland Noord). Namens vergunninghoudster zijn verschenen de gemachtigde met [naam 3] (vakspecialist milieu), [naam 4] (vakspecialist milieu en planologie) en [naam 5] (vakspecialist omgevingseffecten).

1.4.

De rechtbank heeft op 27 juli 2026 een tussenuitspraak gedaan. In die tussenuitspraak heeft de rechtbank het college in de gelegenheid gesteld om binnen twaalf weken na verzending van de tussenuitspraak, met inachtneming van wat in de tussenuitspraak is overwogen, het geconstateerde gebrek in het bestreden besluit te herstellen.

1.5.

Het college heeft op 4 augustus 2026 verzocht om verlenging van de termijn van twee weken om aan te geven of het college gebruik wil maken van de gelegenheid om het gebrek te herstellen. De rechtbank heeft dit verzoek ingewilligd en de termijn met twee weken verlengd.

1.6.

Op 20 augustus 2026 heeft het college de rechtbank bericht dat de bestreden omgevingsvergunning op verzoek van ProRail B.V. is ingetrokken bij besluit van diezelfde datum. Daarmee zag het college geen noodzaak meer om het geconstateerde gebrek te herstellen. Het college deelde daarom mee van die gelegenheid geen gebruik meer te maken.

1.7.

Desgevraagd hebben eisers de rechtbank bij brief, ontvangen op 17 september 2026, laten weten dat zij het beroep niet intrekken.

1.8.

De rechtbank heeft bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft en heeft het onderzoek gesloten.

Overwegingen

2.1.

De vraag die thans eerst voorligt is of eisers nog procesbelang hebben bij hun beroep, dat is gericht tegen een omgevingsvergunning, die zij van tafel willen hebben, maar die inmiddels is ingetrokken.

2.2.

Zonder voldoende (proces)belang komt niemand een rechtsvordering toe, zo staat in artikel 3:303 van het Burgerlijk Wetboek (BW), dat op grond van artikel 3:326 BW ook in het bestuursrecht geldt. Procesbelang is het belang dat een partij heeft bij de uitkomst van een procedure. Een partij heeft procesbelang bij een oordeel over zijn beroep als komt vast te staan dat die partij een reëel en actueel belang heeft bij het krijgen van gelijk. Daarbij gaat het erom of het doel dat de partij voor ogen staat met het rechtsmiddel kan worden bereikt en voor de partij van feitelijke betekenis is. In beginsel heeft de partij die opkomt tegen een besluit procesbelang bij een beoordeling van zijn bezwaar of beroep, tenzij komt vast te staan dat ieder belang bij de procedure ontbreekt of is komen te vervallen.

2.3.

De intrekking van de door eisers in beroep bestreden omgevingsvergunning heeft tot gevolg dat het belang van eisers bij een inhoudelijke beoordeling van hun beroep is komen te vervallen. Met het intrekken van de omgevingsvergunning is immers bereikt wat eisers met het instellen van hun beroep hadden beoogd: het doen vervallen van de omgevingsvergunning voor het spoorwegemplacement. Dit betekent dat het beroep niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Gelet hierop kan de rechtbank zich niet uitlaten over de kwesties die eisers nog hebben opgeworpen in hun brief waarin zij aangeven het beroep na de intrekking van de omgevingsvergunning niet te willen intrekken. Anders dan eisers nog aanvoeren, vormt mogelijk toekomstige besluitvorming over een mogelijk nieuwe aanvraag van Prorail om een omgevingsvergunning, geen toereikend procesbelang om de juistheid van de ingetrokken omgevingsvergunning – en die intrekking – in deze procedure nog te beoordelen, juist omdat de eerder verleende omgevingsvergunning van tafel is.

2.4.

Er is wel aanleiding het college te veroordelen in de gemaakte kosten. Van proceskosten die eisers zouden hebben gemaakt, in de zin van het Besluit proceskosten, is niet gebleken. Er is na de constatering in de tussenuitspraak dat het bestreden besluit gebrekkig was, echter wel voldoende aanleiding het college op te dragen het door eisers betaalde griffierecht te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep niet-ontvankelijk;

- draagt het college op het betaalde griffierecht van € 371,- aan eisers te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.H.M. Bruin, voorzitter, en mr. J.M. Janse van Mantgem en mr. M.R. Plug, leden, in aanwezigheid van R.I. ten Cate, griffier, en uitgesproken in het openbaar op 20 oktober 2026.

griffiervoorzitter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak en de tussenuitspraak, kan in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.