Uitspraak · Omgevingsrecht
Rechtbank Noord-Holland, 14 oktober 2026
ECLI:NL:RBNHO:2026:14349Zaaknummer HAA 25/3560
- Instantie
- Rechtbank Noord-Holland
- Datum uitspraak
- 14 oktober 2026
- Publicatiedatum
- 23 oktober 2026
- Zaaknummer
- HAA 25/3560
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht, Omgevingsrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Zittingsplaats
- Alkmaar
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Deze uitspraak gaat over de verleende omgevingsvergunning voor het vergroten en verbouwen van de woning op het perceel [naam perceel] in Bergen aan Zee. De rechtbank komt tot het oordeel dat het college in redelijkheid de omgevingsvergunning heeft kunnen verlenen.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. J.H.A.C. Everaerts, rechter, in aanwezigheid van mr. N.L. Pruntel, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 14 oktober 2026.
| griffier | rechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Zittingsplaats Alkmaar
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 25/3560
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 oktober 2026 in de zaak tussen
[eiser 1] e.a., uit Bergen aan Zee, eisers
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Bergen
(gemachtigde: A. Salah).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [vergunninghouder] uit Siegburg (Duitsland) (vergunninghouder).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de verleende omgevingsvergunning voor het vergroten en verbouwen van de woning op het perceel [naam perceel] in Bergen aan Zee (het perceel). Eisers zijn het hier niet mee eens. Zij voeren daartoe een beroepsgrond aan. Eisers stellen dat niet is voldaan aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en in dat kader geen deugdelijke belangenafweging is gemaakt. Aan de hand van deze beroepsgrond beoordeelt de rechtbank de verleende omgevingsvergunning.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college in redelijkheid de omgevingsvergunning heeft kunnen verlenen. Eisers krijgen dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Met het bestreden besluit van 11 juli 2025 is het college bij het besluit van 10 maart 2025 gebleven, waarbij de omgevingsvergunning is verleend.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Vergunninghouder heeft ook schriftelijk gereageerd.
De rechtbank heeft het beroep op 9 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: twee van de eisers [eiser 1] en [eiser 2], de gemachtigde van het college en vergunninghouder, vergezeld door een architect, [naam 1].
Op zitting hebben eisers het beroep voor zover het is ingediend door [naam 2] en [naam 3] ingetrokken.
Beoordeling door de rechtbank
Na sluiting van het onderzoek ontvangen stuk
3. Op 11 september 2026 hebben eisers een nader stuk overgelegd. Dit stuk is door de rechtbank na sluiting van het onderzoek ter zitting ontvangen. De rechtbank is van oordeel dat de inhoud van dit stuk geen aanleiding geeft om het onderzoek te heropenen. De rechtbank laat dit stuk daarom buiten beschouwing.
Feiten en omstandigheden en het bestreden besluit
4. Vergunninghouder is eigenaar van de woning op het perceel. Op 4 december 2024 heeft hij een omgevingsvergunning gevraagd voor renovatie en uitbreiding van die woning.
Bij besluit van 10 maart 2025 heeft het college de gevraagde omgevingsvergunning verleend voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Het bouwplan is in strijd met het omgevingsplan, maar er vindt geen onevenredige aantasting plaats van de gebruiks- en belevingswaarde van de aangrenzende percelen. Het bouwplan voldoet aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Op 25 maart 2025 hebben [eiser 2], [naam 4], [naam 5] en [naam 6] bezwaar gemaakt tegen het besluit van 10 maart 2025.
Op 28 maart 2025 heeft [eiser 1] ook bezwaar gemaakt tegen het besluit van 10 maart 2025.
Met het bestreden besluit van 11 juli 2025 heeft het college de omgevingsvergunning in stand gelaten. Voor de motivering verwijst het college naar het advies van de commissie van advies voor de bezwaarschriften. Het college heeft dit advies overgenomen en maakt onderdeel uit van het bestreden besluit.
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
5. Op 1 januari 2024 is de Omgevingswet (Ow) in werking getreden. Met de inwerkingtreding van de Ow hebben alle gemeentes van rechtswege een omgevingsplan met regels over de fysieke leefomgeving voor het gehele grondgebied van de gemeente. Het omgevingsplan van de gemeente Bergen bestaat voor nu nog uit een tijdelijk deel waarin, onder meer, het bestemmingsplan ‘Bergen aan Zee’ is opgenomen.
Vergunninghouder heeft op 4 december 2024 een omgevingsvergunning gevraagd. Dit betekent dat de Ow van toepassing is.
Het toetsingskader
6. Het bouwplan van vergunninghouder is in strijd met het omgevingsplan, omdat ten eerste de toegangstrap naar de woning gesitueerd is binnen de bestemming ‘Tuin’, deze de maximale hoogte overschrijdt en daarnaast niet ten dienste van de bestemming staat. Ten tweede, wordt de maximale goothoogte overschreden. Tot slot overschrijdt de dakkapel-achtige constructie in het dakvlak aan de achterzijde de maximale goothoogte en voldoet deze niet aan de regels voor dakkappellen en/of dakopbouwen. De voorgaande strijdigheden houden in dat het bouwplan alleen kan worden gerealiseerd met een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Deze omgevingsvergunning kan alleen worden verleend met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.[_4f9a12a3-3948-4a24-81ca-88b09eed08a8]
Het college komt bij de beslissing om al dan niet toepassing te geven aan de hem toegekende bevoegdheid om voor een activiteit die in strijd is met het omgevingsplan een omgevingsvergunning te verlenen, beleidsruimte toe. Daarbij moet het college de betrokken belangen afwegen ten aanzien van de onder 6 genoemde strijdigheden. Het is aan het college om in het kader van de belangenafweging te toetsen of het bouwplan aanvaardbaar is. Daarbij zal de hinder bij omwonenden moeten worden meegewogen. De rechtbank oordeelt niet zelf of het verlenen van de omgevingsvergunning in overeenstemming is met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De rechtbank beoordeelt aan de hand van de beroepsgrond van eisers of de omgevingsvergunning in overeenstemming is met het recht.
Heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat voldaan is aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties?
7. Eisers betogen dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat voldaan is aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Ten eerste betogen eisers dat de gemeentelijke adviescommissie omgevingskwaliteit (GAO) ernstig tekort is geschoten in haar functioneren door op geen enkele aantoonbare wijze de Nota toe te passen. De welstandsadviezen van 27 januari en 10 februari 2025 behandelen slechts een paar architectonische kwesties. Er is geen verdere onderbouwing of motivering. De GAO had onder meer moeten ingaan op het gestelde onder hoofdstuk 5 van het omgevingsplan, planuitgangspunten, uitbreiding hoofdgebouwen (5.2.2.) en hoofdstuk 4 van de Nota, beoordelingscriteria 4.3. De Nota legt bij ingrepen de nadruk op onder meer de samenhang met de omgeving, het behouden van ruimtelijke identiteit, het passen in de directe omgeving, en het voorkomen dat ingrepen afbreuk doen aan de omgevingskwaliteit. Dat het GAO disfunctioneert blijkt ook uit een telefonisch onderhoud op 5 augustus 2025 van [eiser 1] met MOOI Noord-Holland. Omgevingskwaliteit is veel breder dan alleen het uiterlijk van gebouwen. Verder, is het voor eisers onduidelijk wie de regie heeft zoals bedoeld in de Nota. De afdeling Ruimtelijke Ordening vermeldt bijvoorbeeld dat voor het perceel de goot- en bouwhoogte maximaal respectievelijk 6 m en 10 m zijn. Het is onduidelijk waar dat vandaan komt, maar mocht dat dan wellicht zo zijn, dan zou zonder toetsing door de GAO aan de Nota dit geen stand houden. In de aanvulling op beroep van 19 juni 2026 voegen eisers toe dat zij erkennen dat het college betekenis mag toekennen aan een deskundig advies van de GAO. Het argument is ook niet dat het advies niet had mogen worden gevolgd. Eisers betogen dat uit het besluit onvoldoende blijkt waarom het college zelf van oordeel is dat het bouwplan past binnen de uitgangspunten van de Nota. Volgens eisers negeert het college dat het perceel een integraal deel uitmaakt van ‘Het Engelse Park’ met een eigen geplande, redelijk harmonieuze, ruimtelijke identiteit en daardoor ook ‘een cultuurhistorische waarde heeft’. Zij stellen niet dat het Engelse Park een afzonderlijk juridisch beschermd gebied is, maar wel dat de directe omgeving relevant is voor de beoordeling van de ruimtelijke identiteit van een locatie.
Tot slot, stellen eisers dat het hen niet om enkele centimeters goothoogte gaat, maar om het eindresultaat van de verbouwing. Door de extra bouwlaag is een zichtbaar derde bouwniveau ontstaan. Omdat de woning bovendien op een duin is gelegen, werkt deze verhoging sterker door in de omgeving dan uit de afzonderlijke planologische afwijkingen kan worden afgeleid. Bij de beoordeling van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit dient niet alleen gekeken te worden naar het belang van vergunninghouder, maar ook naar de gevolgen voor de omgeving. Al in bezwaar hebben eisers gewezen op de ruimtelijke samenhang van de omgeving, gevolgen voor het karakter van het gebied, effecten op uitzicht en privacy en invloed op de beleving van de woonomgeving. De afweging van deze belangen ten opzichte van die van vergunninghouder is in het bestreden besluit niet goed terug te vinden. De rechtbank overweegt als volgt.
De kern van het beroep van eisers is dat vanuit het oogpunt van de welstand en omgevingskwaliteit niet voldaan wordt aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Daarnaast menen eisers ook dat het bouwplan voor hinder zorgt op het gebied van privacy en uitzicht. Vanuit het toetsingskader dat onder 6 en 6.1 is beschreven gaat de rechtbank hieronder de genoemde gronden behandelen.
Welstand en omgevingskwaliteit
Het college heeft het bouwplan van vergunninghouder voorgelegd aan de GAO. De GAO heeft dit bouwplan drie keer beoordeeld. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State volgt dat het college in beginsel mag afgaan op een deskundigenadvies, nadat het is nagegaan of dit advies op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten. Het overnemen van een deskundigenadvies behoeft in beginsel geen nadere toelichting. Dit is anders als een andere partij een advies van een andere deskundig te achten persoon of instantie heeft overgelegd of concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming van het advies, de begrijpelijkheid van de in het advies gevolgde redenering of het aansluiten van de conclusies daarop naar voren heeft gebracht.[_30093dbf-ad31-4a2c-9bb8-750da132fb92] Eisers hebben geen contra-expertise overgelegd. Met betrekking tot de concrete aanknopingspunten die eisers hebben aangevoerd, in het bijzonder dat onvoldoende is gemotiveerd hoe de GAO binnen de kaders van de Nota is gebleven, stelt de rechtbank in de eerste plaats voorop dat de Nota kaderstellend is[_6457d03a-6f6a-4e8a-b166-6bde4e058162]. Deze Nota bevat daarom geen dwingende gedetailleerde regels waaraan de GAO te allen tijde is gebonden. Daarnaast is de GAO naar het oordeel van de rechtbank in haar advisering in voldoende mate ingegaan op de door eisers genoemde punten en de GAO heeft daarbij inzichtelijk gemaakt hoe zij tot haar positieve waardering van de bouwaanvraag is gekomen. Eisers zijn het niet eens met deze waardering, maar dit is niet voldoende om tot de conclusie te kunnen komen dat het college de adviezen van de GAO niet heeft mogen overnemen.
Privacy en uitzicht
In het kader van privacy en uitzicht overweegt de rechtbank als volgt. Het bouwplan is, zoals onder 7.1 beschreven, op drie onderdelen in strijd met het omgevingsplan. Het omgevingsplan is onherroepelijk en bij de vaststelling daarvan is reeds geoordeeld dat een bouwhoogte van 10 meter geen onaanvaardbare overlast voor de buren meebrengt. Van die maximale bouwhoogte wordt niet afgeweken. Het college heeft dit mogen betrekken bij zijn besluitvorming. De onderdelen waarvoor het wel nodig is om af te wijken van het omgevingsplan, zijn niet relevant voor de bezwaren die eisers tegen het bouwplan hebben. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat het om geringe afwijkingen van het omgevingsplan gaat. Het kernprobleem is, zoals eisers zelf aangeven, de gehele ruimtelijke ontwikkeling. Echter, de omvang en hoogte zijn reeds toegestaan in het onherroepelijke omgevingsplan. De rechtbank vindt het niet aannemelijk dat de geringe afwijkingen op zichzelf tot vrees voor privacy- en uitzichtverlies zal leiden. Daarbij acht de rechtbank ook van belang dat uit vaste rechtspraak van de Afdeling volgt dat er geen blijvend recht op vrij uitzicht bestaat.[_d23d5855-731a-4865-8c5e-d3a0d1c405f7] Het college heeft daaraan dan ook geen doorslaggevende betekenis hoeven toekennen in de door hem gemaakte belangenafweging.
De rechtbank is van oordeel dat het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat voldaan is aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Het college heeft daarom de omgevingsvergunning kunnen verlenen.
Conclusie en gevolgen
8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eisers geen gelijk krijgen. Eisers krijgen daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. J.H.A.C. Everaerts, rechter, in aanwezigheid van mr. N.L. Pruntel, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 14 oktober 2026.
| griffier | rechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Voetnoten
- Zie artikel 8.0a., tweede lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving.
- Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Afdeling van 20 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1155 en 9 oktober 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3385.
- Zie Nota Omgevingskwaliteit Bergen 2023, p. 9.
- Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Afdeling van 30 mei 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1780 en 11 februari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:764.
Deze uitspraak verwijst naar
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.